3. AGAPORNIS PULLARIUS
Zoals blijkt uit een
16e-eeuws schilderij, voorstellende 'Dame met vogel', wordt de pullaria al vier
eeuwen in Europa in gevangenschap gehouden. Vermoedelijk wist men in die tijd
niet eens welke vogel men in huis haalde. Pas in 1758 werd deze soort voor het
eerst wetenschappelijk beschreven en kreeg de vogel zijn huidige naam, afgeleid
van de Latijnse woorden pullus (= jong dier, jong gevogelte) en arius (=
gelijkend), vrij vertaald: op een jonge vogel gelijkend.
Men onderscheidt twee
ondersoorten:
Agapornis pullarius pullarius (Linnaeus)
Woongebied: centraal
West-Afrika van Guinea tot Noord-Angola alsook Centraal-Afrika oostwaarts tot
Zuidwest-Soedan en het Albertmeer op de grens van Kongo en Oeganda eveneens op
Sao Tomé, een eiland in de Golf van Guinee, eveneens op Principé en Bioko.
Agapornis pullarius ugandae Neumann
Woongebied:
oostelijk Centraal-Afrika van Zuidoost-Soedan en Zuidwest-Ethiopië zuidwaarts
tot in het zuiden van Burundi.
De ondersoort Agapornis pullarius ugandae werd pas in
1908 ontdekt en beschreven. De toevoeging ugandae aan de wetenschappelijke naam
slaat op de Oost-Afrikaanse staat Oeganda waar deze ondersoort door Neumann
werd ontdekt.
Formaat: ongeveer 15
cm.
Man: Voorhoofd,
schedeldek, wangen en bef oranjerood. Algemene lichaamskleur groen; borst,
buik, flanken en anaalstreek meer geelachtig groen; mantel groen. Het
vleugeldek is groen en geeft een ietwat gehamerde indruk. Grote vleugelpennen
donkergrijs met groene buitenvlag. De vleugelranden vanaf de vleugelbocht zijn
donker ultramarijnblauw met hier en daar enkele hemelsblauwe veertjes; gele
duimveertjes. De ondervleugeldekveren zijn zwart. De stuit is hemelsblauw.
Bovenstaartdekveren groen; onderstaartdekveren meer geelachtig groen. De grote
staartveren, die bijna geheel door de boven- en onderstaartdekveren worden
bedekt, zijn groen, de secundaire staartveren tonen gerekend vanaf de basis een
geel-oranjerood-en-zwarte dwarstekening. De snavel is tomaatrood met aan de
basis een witte snavelriem. De oogring wordt gevormd door een smalle band van
kleine witte en blauwe veertjes. De ogen zijn donkerbruin. De poten zijn grijs;
nagels donkergrijs.
Pop: Voorhoofd,
schedeldek, wangen en bef bleek oranjerood. Het blauw in de vleugels ontbreekt.
De ondervleugeldekveren zijn groen. Voor het overige geheel gelijk aan de man.
Beschrijving Agapornis pullarius ugandae
Bij deze ondersoort
is de stuit bleek hemelsblauw. Voor het overige als de nominaatvorm.
Pullaria's houden
zich bij voorkeur op in open bosgebieden of in lichtbeboste savannen. Een groot
deel van de dag brengen ze op de grond door op zoek naar voedsel. Ze hangen
ondersteboven aan de hoge grashalmen om bij de zaden te kunnen. Daarnaast leven
ze van bessen, vruchten, vijgen en bladknoppen. In kleine groepen van ongeveer
20 stuks ondernemen ze verre trektochten op zoek naar voedsel. Op rijpende
koren- en milletvelden verschijnen ze wel in groepen tot 200 stuks en richten
in korte tijd een enorme ravage aan. Door de inlandse bevolking worden ze
daarom fel bejaagd.
In de natuur graaft
de pop haar broedholte uit in bewoonde termietennesten, die zich op grote
hoogte in de bomen bevinden. Het schijnt dat slechts zelden van een
termietenheuvel op de grond gebruik wordt gemaakt. Zo'n termietennest wordt
door de termieten vervaardigd van aarde, faeces en speeksel. Aan de buitenkant
zijn deze bouwsels zeer hard, binnenin is de substantie zachter.
Ofschoon termieten
agressieve dieren zijn, als hun nesten verstoord worden, schijnen ze de
aanwezigheid van de pullaria te accepteren. Waarschijnlijk bouwen de pullaria's
hun nest in een gedeelte dat niet door de termieten bewoond wordt, zodat beide
soorten bewoners vreedzaam naast elkaar kunnen leven.
De natuurlijke
broedtijd schijnt nogal te variëren. Er zijn meldingen van mei tot juli, maar
ook van september en oktober.
Aan het einde van de
zestiger jaren werden grote aantallen pullaria's ingevoerd en waren ze vrij
algemeen bij de liefhebbers bekend. Tegenwoordig zijn er zeer weinig pullaria's
beschikbaar, deels omdat gebleken is dat ze moeilijk in gevangenschap broeden.
De soort geldt
bovendien als het zwakste lid van het genus en ze zijn zeer schuw. Pas
ingevoerde vogels moeten met de grootste zorg omringd worden. De soort is
berucht om het hoge sterftepercentage ongeveer drie maanden na import. Zonder
enige zichtbare aanwijzing beginnen de vogels plotseling te hijgen, vallen van
de stok, beginnen wild met vleugels en poten te slaan waarbij ze ruggelings op
de grond liggen en sterven onder shockverschijnselen. Vermoedelijk gaat het
hierbij om een nog onbekende virusziekte.
Pullaria's zijn
verder zeer gevoelig voor tocht en kou en buitengewoon stressgevoelig. Ze zijn
echter verdraagzamer dan menig ander lid van het geslacht Agapornis en in een
ruime volière kan men ze zonder bezwaar met verschillende paren samen houden.
Men doet er goed aan hen de eerste tijd in een verwarmde binnenvlucht onder te
brengen en zoveel mogelijk met rust te laten. De verzorging en het benaderen
van deze vogels dienen met de nodige omzichtigheid te geschieden. Een veel
voorkomende doodsoorzaak is, hersenbloeding als gevolg van schrik. Bij het
plotseling ontsteken van een lichtbron of het dichtslaan van een deur, kunnen deze
vogels zich letterlijk doodschrikken.
Pullaria's slapen in
het algemeen niet in een nestkast maar hangen dikwijls net als hangparkieten
ondersteboven aan het volièregaas. Daarom verdient het aanbeveling takken tegen
de bovenkant van het nachthok aan te brengen. Zijn de vogels eenmaal
geacclimatiseerd, dan kan men ze 's zomers en 's winters in de buitenvlucht
laten, mits een verwarmd nachthok aanwezig is.
Als zaadmengsel
kunnen we beginnen met millet en gierstsoorten aangevuld met graszaden. Deze
zaden kennen ze van hun geboortestreek. Ook sorghum kennen ze meestal wel. Op
den duur is deze voeding natuurlijk veel te eenzijdig en daarom moeten we
trachten de vogels zo spoedig mogelijk aan een meer gevarieerd zaadmengsel te
wennen. Naast het zaadmengsel krijgen de vogels gekiemde zaden en fruit. Vooral
op zoet fruit zoals ananas, appel en peer zijn ze verzot. Dit wordt meestal
direct opgenomen. Ook honingwater drinken ze graag. Tracht de vogels ook te
wennen aan meelwormen en eivoer. Grit, scherpe maagkiezel evenals fris bad- en
drinkwater mogen natuurlijk niet ontbreken, evenals verse knaagtakken van
bijvoorbeeld de wilg.
Het heeft lang
geduurd voordat er broedresultaten behaald werden. Volgens de literatuur zijn
er enkele fokresultaten geweest in Frankrijk, Duitsland en Engeland tussen 1870
en 1880. Namen van fokkers en gegevens over deze broedresultaten ontbreken
echter, zodat ik bij deze meldingen vraagtekens zet. De literatuur maakt verder
melding van behaalde successen met deze soort in 1893 door C.T. Metzger, USA en
door E. Spille, Duitsland in 1920, maar gegevens over de fok ontbreken.
Gelukkig zijn er in
latere jaren ook een aantal broedsuccessen geweest waarover wat meer bekend is.
Zo zijn er enkele Belgische liefhebbers in de laatste jaren zeer succesvol
geweest. J. Hannes uit Kampenhout kreeg in 1996 10 jonge pullaria's op stok.
Jacques Bossu uit Alken toonde op de COM-wereldshow te Charleroi enkele van
zijn pullaria's, die hij het jaar daarvoor had gefokt.
Een aantal geslaagde
en gedeeltelijk geslaagde broedgevallen heb ik voor u op een rijtje gezet, in
de hoop dat er onder u enkele agapornidenliefhebbers zijn die de uitdaging
aannemen en serieus gaan proberen met deze vogels te fokken.
In 1956 boekte
Arthur Prestwich, een bekende Engelse fokker die toen al ongeveer 35 jaar
pullaria’s in gevangenschap gehouden had, het eerste aantoonbare broedsucces.
In een ruime volière die aan drie zijden met asbestplaten was dichtgemaakt, had
hij 16 houten tonnetjes horizontaal opgehangen. Vooraf had hij de tonnetjes met
natte turfmolm gevuld en stevig aangestampt en vervolgens laten drogen. Om te
voorkomen dat de turfmolm er weer uit zou vallen, waren langs de onderzijde van
het naar voren gerichte open gedeelte een aantal plankjes bevestigd. In het
voorjaar van 1954 werden 31 pullaria's die binnenshuis overwinterd hadden, in
de volière losgelaten. Een aantal poppen groef gangen en nestkamers. Het
resultaat was 14 eieren. Gedurende de winter 1954-1955 verbleven de pullaria's
in de buitenvolière. In het voorjaar van 1955 werden de tonnetjes die in de
volière waren opgehangen, vervangen door kleinere met een diepte van slechts 35
cm. Opnieuw werden door de poppen gangen en nestkamers gegraven. De tunnel die
naar een dergelijke nestkamer voerde liep schuin omhoog en had een lengte van
15-17 cm. De nestkamer zelf had een doorsnede van ongeveer 10 cm. Op 3 december
werd een pas uitgevlogen jong aangetroffen, hangend aan het volièregaas. Het
jaar daarop, in 1956, werd een zelfde resultaat behaald, het jong vloog op 5
oktober uit. Een maand later stierf het echter aan de gevolgen van strenge
vorst. Het voedsel waarmee Prestwich zijn pullaria's voedde bestond
hoofdzakelijk uit geweekte millet en appel.
Dat er met een
gevarieerde voeding wat te bereiken is, bewees enkele jaren later de Deen Aage
Nielsen. Zijn paar verbleef samen met andere vogels in een gedeelte van het
souterrain dat in verbinding stond met een beplante buitenvlucht. In augustus
1960 nestelden de pullaria's in een horizontale houten nestkast van 40 cm
lengte bij een hoogte en diepte van 17 cm; invlieggat 7 cm. Tussen 1 en 11
augustus werden 5 eieren gelegd. Gedurende de broedtijd consumeerden de vogels
meer dan 200 meelwormen per dag. Van Nielsen’s eerste poging kwam helaas niets
terecht, vier jongen bleken dood in de schaal te zitten, het vijfde ei was stuk
gegaan. Op 26 september begon de pop opnieuw te leggen. Het tweede ei volgde
een hele poos later, na 1 oktober; op 10 oktober waren er vijf eieren. Tijdens
nestcontrole op 4 november bleken er drie jongen te zijn uitgekomen. Na drie of
vier dagen stierf een jong, een tweede werd ruim een week later met onthoofd
lichaam in het nest aangetroffen. Het overgebleven jong stierf dezelfde dag op
een leeftijd van dertien dagen.
Bij wijze van proef
zette Nielsen zijn vogels toen op een zeer uitgebreid en gevarieerd voedsel.
Naast het
gebruikelijke zaadmengsel en wat meelwormen gaf hij de vogels geweekte cake met
druivensuiker evenals appel, peer, sinaasappel, banaan, vijgen, grapefruit,
sla, kool, paardenbloemen, weegbree, graszaad, brandnetels, knaagtakken van
fruitbomen en van tijd tot tijd een verse plag gras voor in de vlucht.
In juli 1961 begon
de pop aan een nieuw legsel. Hieruit werden twee jongen geboren. De jongen
hadden kort lichtgetint nestdons, dat naarmate ze ouder werden veranderde in
grijs dons. De meelwormconsumptie liep op tot 500 per dag! Op 13 september
vloog het oudste jong uit, het tweede volgde op 15 september. De jongen lijken
in grote trekken op hun ouders. Het masker is oranjegeel, de snavel roodachtig
bruin met op de bovensnavel een zwarte vlek. De ondervleugeldekveren van de
mannen zijn zwart, die van de poppen groen.
In Zuid-Afrika is
verscheidene keren met de pullaria gekweekt.
Een paartje pullaria's
van David Dale uit Kaapstad kreeg in 1958 twee jongen in een nestkast die was
opgevuld met kurk. De jongen stierven echter vroegtijdig. Het jaar daarop
groeven ze opnieuw een opening in de nieuw aangebrachte kurk en maakten ze een
tunnel welke uitmondde in een nestkamer. Vermeldenswaard is, dat de man stukjes
van de dagbloem Impomoea purpurea -
een slingerplant - tussen de veren van de mantel in het nest bracht.
De broedtijd viel
samen met een van de natste perioden sinds jaren en het nest was dagen aan een
stuk blootgesteld aan voortdurende plensbuien. Niettemin vloog het eerste jong
uit op 30 mei, een tweede volgde op 3 juni, nog drie jongen volgden op 6, 11 en
14 juni. De jongen werden grootgebracht met een mengsel van witzaad en millet
en wat groene blaadjes van de dagbloem. De algemene regel dat een geschikte
nestplaats en voedzaam voedsel de basis voor fokresultaten vormen, lijkt in dit
geval niet te zijn opgegaan. We kunnen echter gerust aannemen dat het door Dale
op deze wijze verkregen resultaat een uitzondering is, die de regel bevestigt.
De Portugees A.
Coelho was in 1977 eveneens succesvol met zijn pullaria's. Coelho bezat in de
periode 1976-1977 veertien koppels, dertien paren maakten broedaanstalten
tussen oktober en december 1976. Het eerste jong vloog uit op 25 december,
ongeveer drie maanden nadat de pop was begonnen de nestruimte uit te graven.
Nog twee jongen volgden waarvan er een stierf aan de gevolgen van een hevige
stortbui daags nadat het was uitgevlogen.
Voor de nesten
gebruikte Coelho kurkblokken van 15 x 15 x 20 cm en 15 x 20 x 20 cm. Rondom de
kurkblokken, dus tegen de zes zijden, construeerde hij 5 cm dikke samengeperste
kurkplaat van een grotere hardheid. Voor de verbindingen van de zes
kurkpaneeltjes werd een elastische lijmsoort gebruikt.
Het grote nadeel van
een dergelijke nestkastconstructie is dat de eieren onder de kurkresten kunnen
raken. Coelho adviseert dan ook, zodra de pop klaar is met het uitgraven van de
nestholte, het nest even van de muur te nemen en ondersteboven te houden,
teneinde de kurkresten eruit te laten. Het is duidelijk dat er eieren verloren
kunnen gaan als men deze handeling uitvoert terwijl de pop al met de leg is
begonnen. Het is dus zaak dat men het tijdstip voor deze operatie goed plant.
Een van de meest
succesvolle fokkers met de pullaria is de Duitse liefhebber Reinhard Blome uit
Bremen. Tussen september 1974 en januari 1979 kreeg hij maar liefst 40 jonge
pullaria's op stok. Wat bij Blome het meest opvalt, is het gebruik van een 18
Watt warmtebron aan de onderkant van de nestkast waarmee hij de
binnentemperatuur van het nest constant op 30 graden Celsius hield.
In tegenstelling met
de andere agapornidensoorten die bij onraad onmiddellijk in hun nestkast
verdwijnen, ontvlucht de pullaria zijn nest en houdt zich in de nabijheid ervan
op. Wanneer de oudervogels het nest voor langere tijd verlaten, bestaat de
mogelijkheid dat de jongen teveel afkoelen en doodgaan. Een kunstmatig verwarmd
nest, zoals Blome propageert, kan dus inderdaad uitkomst bieden en sterfte
voorkomen. Overigens wijst Blome erop, dat hij de nestverwarming pas aandoet
als de jongen zijn uitgekomen, dit laatste om het uitdrogen van de eieren te
voorkomen. Ook heeft het volgens Blome weinig zin zijn methode in de
buitenvolière toe te passen. Het verschil in temperatuur tussen het kunstmatig
verwarmde nest en de onverwarmde buitenvlucht, zal voor pas uitgevlogen jonge
pullaria's dikwijls fataal zijn.
Blome startte zijn
broedpogingen met de pullaria in 1973. De nestkasten die hij gebruikte waren 35
cm lang, 20 cm hoog en 10 cm diep en gevuld met een vast turfblok. Nadat de pop
de nestholte met haar snavel en poten had uitgegraven, droeg ze kleine stukjes
schors tussen haar veren in de nestruimte. Ook nam Blome waar dat de pop de
nestingang binnenging met wilgenblaadjes in de snavel.
Op 17 oktober legde
de pop het eerste ei van een reeks van vijf. Twee jongen kwamen uit op 13
november, nog drie jongen volgden op 14, 16 en 18 november. Wanneer we in acht
nemen dat agaporniden gewoonlijk om de andere dag leggen, is de broedduur 24 dagen.
Helaas gaat het hierna om onbekende redenen fout. Geen van de jongen wordt
ouder dan zestien dagen, de een na de ander sterft met geheel gevulde krop.
Op 1 september 1974
begon de pop opnieuw te leggen, dit keer vier eieren. Doordat Blome de eieren
had gemerkt, kon achteraf worden vastgesteld dat het eerste ei niet bevrucht
was. De resterende drie eieren kwamen uit op 27, 28 en 30 september. Een van de
jongen stierf na veertien dagen, de beide overgebleven jongen groeiden
voorspoedig en vlogen na 50 dagen uit. Volgens Blome hebben de jongen bij de
geboorte rozekleurig nestdons en komen na twintig dagen de slagpennen door.
Het opfokvoer
bestond uit een in de handel verkrijgbaar eivoer waaraan hij - om het kruimelig
en vochtig te maken - geraspte wortel en appel, wat honing en een of andere
siroop had toegevoegd.
Ook de Zwitser Emil
Zurcher slaagde erin na jaren van tegenspoed in 1976 pullaria's op stok te
krijgen.
In 1973 waren twee
van de drie eieren bevrucht; een stierf vroegtijdig af het tweede jong stierf
bij het uitkomen.
In 1974 legde de pop
opnieuw. Op 11 juli was er een legsel van vier eieren. De pop begon pas na een
week te broeden. Op 8 augustus bleken er bij nestcontrole vier jongen te zijn
die echter na enkele dagen stierven.
Op 18 juni 1975
opnieuw drie eieren. Op 6 juli twee jongen, waarvan er een de volgende dag
stierf. Het andere stierf, 23 dagen na het uitkomen.
Hierna gaat Zurcher
over op nestverwarming. Enkele maanden later, op 24 december, opnieuw een
legsel van vier. Op 13 januari 1976 was er nieuw leven. Nestcontrole was pas na
een week mogelijk toen beide oudervogels het nest verlaten hadden. Volgens
Zurcher leken de jongen groter dan in de voorgaande nesten. Ze waren met roze-wit
dons bedekt en hadden goed gevulde kroppen.
Op de tiende dag
begon ook de man te voeren. Op 31 januari, ergo 17 dagen na het uitkomen, waren
de ogen licht geopend en was hun grootte 7 à 8 cm. Op 7 februari waren de groene
veertjes op vleugels en lichaam al goed zichtbaar. Hun gewicht bedroeg, 25
dagen oud, 28 en 32 gram. Na 28 dagen begonnen de jongen al met hun vleugels te
slaan. De ouders kwamen vanaf dat moment alleen nog in het nest om te voeren.
Na 50 dagen zat het grootste jong, een pop, op de zitstok. In grootte
verschilde het niet veel van de oudervogels. Het tweede jong, een man, was
kleiner en werd bij het voeren verdrongen door het grootste jong. Het werd met
de hand bijgevoerd. Na twee maanden, op 13 maart begon de jonge pop zelfstandig
voer op te nemen.
Tijden de kweek
kregen de pullaria's gekiemde trosgierst en haver, CéDé-eivoer met geraspte
wortel, appel, verse miereneieren, en een goed zaadmengsel voor grote
parkieten, negerzaad, hennep, zonnebloempitten. Zurcher hield zijn pullaria's
in een binnenvlucht waarin de temperatuur minimaal 20 graden bedroeg. De
binnentemperatuur van het nest werd – in tegenstelling met Blome die pas
verwarmde toen er jongen waren - vanaf het begin van de broedperiode constant op
26 graden Celsius gehouden. Doordat de pop regelmatig een bad nam en direct
daarna het broeden hervatte, kwam de luchtvochtigheid in het nest niet in het
gedrang en bestond er geen gevaar dat de eieren zouden verdrogen.
Ofschoon de
oudervogels en de beide jongen zich goed verstonden, werden de jongen in juli,
zes maanden oud, uitgevangen en apart gehuisvest.
Toen Zurcher kort
daarop de oude turf in het nest wilde vervangen, had de pop inmiddels al weer
gelegd. Het bleken vier bevruchte eieren te zijn. Op 25 augustus waren er drie
jongen. Na 42 dagen vloog het eerste jong uit, twee dagen later het tweede en
nog een dag later het derde. Het waren twee mannen en een pop. Deze jongen
werden tot december bij de ouders gelaten.
Een ander broedverslag
waarover ik beschik, is van René Quitin te Hotton, België. Het is weliswaar
niet volledig, maar bevat toch enkele details die we in de voorgaande verslagen
niet tegenkomen. Het koppel pullaria's verbleef in een volière samen met een
tweetal kleine tropen. Als nestkast diende een kist van spaanplaat 90 cm lang,
60 cm hoog en 20 cm diep, die geheel gevuld was met dicht opeen gepakte
kurkplaten. Aan een van de zijkanten waren twee openingen op verschillende
hoogte en een zitstokje aangebracht.
Begin juni 1986
werden minuscule stukjes kurk op de grond onder de nestkast aangetroffen. Er
was een holte in het kurk gegraven van ongeveer 10 cm lengte bij een diameter
van om en nabij 8 cm.
Nauwlettende
observatie leerde dat dit het werk van de pop was. De man hield als het ware de
wacht in de onmiddellijke omgeving van de nestplaats. Hierna brak er een
periode aan waarin man noch pop zich voor het nest schenen te interesseren.
Eind juni was de pop
plotseling verdwenen en liet zich niet meer zien. De man verdween 's avonds
eveneens in de nestkast. Weken gingen voorbij zonder dat de pop zich vertoonde.
Op 25 juli werd de nestkast met behulp van een stethoscoop afgeluisterd en
bleken er jongen te zijn. Op 28 juli liet de pop zich voor het eerst weer zien.
Haar borstveren waren gerafeld en ze was sterk vermagerd.
Op 1 augustus - op
een moment dat de pop even van het nest was - werd de nestkast geopend en
bleken er vier jonge pullaria's te zijn tussen naar schatting acht en veertien
dagen oud. Twee van de jongen waren groot genoeg om geringd te worden, wat ook
gebeurde; ringmaat 4 mm. Na deze storing duurde het meer dan een uur voordat de
pop op het nest terugkeerde.
Tot zover dit
verslag.
In plaats van met
turf gevulde nestkasten zou men ook van turfbalen gebruik kunnen maken. In het
algemeen zit zo'n baal turf met latten en ijzerdraad stevig in elkaar, zodat
men er alvast een paar holten in kan maken in de hoop dat de vogels verder
graven. Het nadeel is dat men geen nestcontrole kan doen. In Zwitserland
gelukte het Mattiessen pullaria's tot broeden te krijgen in een nestkast die
geheel was opgevuld met piepschuim.
U ziet het, voor
agapornidenkwekers met veel vindingrijkheid maar vooral met veel geduld biedt
deze soort nog een rijk terrein voor proeven en studie.
Jim Hayward maakt
melding van een blauwe pullaria. De mutatie zou recessief zijn. Verdere
informatie hierover ontbreekt.
De Portugees Coelho
zou een lutino man in zijn bestand hebben of gehad hebben. Ook deze mutatie zou
recessief zijn. Volledigheidshalve geef ik u een beschrijving van dit unicum.
Algemene
lichaamskleur diep geel. Voorhoofd, bovenschedel, wangen en bef oranjerood. De
grote vleugelpennen, de vleugelranden vanaf de vleugelbocht en de stuit zijn
wit. Grote staartpennen geel met oranjerode dwarstekening. Snavel tomaatrood.
Poten vleeskleurig. De oogring bestaat uit een smalle band van kleine witte
veertjes. De ogen zijn rood.