4. AGAPORNIS CANUS

 

Een allereerste niet volledige beschrijving van deze soort vinden we in M.J. Brisson's Ornithologica (1760). Bijna dertig jaar later, in 1788, werd de cana, zoals hij door de liefhebber kortaf wordt genoemd, wetenschappelijk beschreven door Gmelin die hem de soortnaam canus gaf, het Latijnse woord voor grijs.

In 1860 kwamen de eerste exemplaren naar Europa waar ze in de London Zoo te zien waren.

Volgens Brehm had de Frankfurter Tiergarten in 1872 drie paartjes cana's in zijn bezit. In 1872 lukte in Duitsland ook de kweek met deze soort. Deze wereldeerstfok staat op naam van Dr. Karl Rusz.

In lengte gemeten is de cana slechts 1 cm kleiner dan bijvoorbeeld de Agapornis roseicollis. Het model van de cana wijkt echter aanmerkelijk af van de andere agapornidensoorten, zodat ze veel kleiner lijken dan ze in werkelijkheid zijn. De cana is veel minder gedrongen en ook de kop is betrekkelijk klein en puntig. Ook de snavel en de snavelzetting wijken af; de snavel is smaller en veel kleiner dan van de andere agapornidensoorten, bovendien steekt hij enigszins uit zodat de snavelpunt de befbevedering niet raakt.

 

Men onderscheidt twee ondersoorten:

Agapornis canus canus

Woongebied: Het binnenland en het kustgebied van Madagascar met uitzondering van het zuidwestelijke deel van het eiland en het centrale plateau; tevens door de mens ingevoerd op eilanden Mauritius en Réunion (Maskarenen), de Comoren, de Seychellen, de Amiranten daarnaast ook op Zanzibar en Mafia voor de kust van Tanzania.

 

Agapornis canus ablectaneus

Woongebied: Zuidwest-Madagascar en het eiland Rodriguez.

De ondersoort Agapornis canus ablectaneus werd pas in 1918 ontdekt en beschreven. De toevoeging ablectaneus is afkomstig van het Latijnse woord ablectus (= afgezonderd); ablectaneus: uit een afgezonderd gebied stammend. Beide ondersoorten worden in ons land bij de liefhebbers aangetroffen.

 

Beschrijving Agapornis canus canus

 

Formaat: 14 cm.

Man: Kop, nek en borst parelgrijs. De algemene lichaamskleur is groen; onderborst, buik en flanken meer geelachtig groen. Vleugeldek en mantel donkergrijsachtig groen; stuit donkergroen. De vleugeldekveertjes doen ietwat gehamerd aan. Grote vleugelpennen donkergrijs; de buitenvlaggen zijn groen getint. De grote ondervleugeldekveren zijn zwart. De grote staartveren, die voor een deel door de boven- en onder-staartdekveren worden bedekt zijn groen, de secundaire staartpennen tonen, gerekend vanaf de basis een geelgroene en zwarte dwarstekening; staarttippen donkergroen. Bovenstaartdekveren groen; onderstaartdekveren meer geelachtig groen. De bovensnavel is beige hoornkleurig; ondersnavel grijs. Ogen donkerbruin. De poten zijn lichtgrijs; nagels donkergrijs.

Pop: Kop, nek en borst grasgroen. Ondervleugeldekveren groen. De zwarte dwarsband in de staartveren is iets minder breed dan die van de man. Voor het overige geheel gelijk aan de man.

 

Beschrijving Agapornis canus ablectaneus

 

Man: Kop, nek en borst zijn dieper grijs met een violetachtig tintje. Algemene lichaamskleur meer blauwachtig groen met duidelijk waarneembaar minder geel.

Pop: Algemene lichaamskleur als de man.

 

Biotoop

De Agapornis canus bewoont de open loofbossen op de hellingen langs de kust, maar ook landinwaarts. In de bergen worden ze echter nooit boven de 1000 m gesignaleerd. In het algemeen leven ze in kleine groepen van zo'n 5 tot 20 vogels bij elkaar, doch menigmaal worden in het wild ook grotere vluchten aangetroffen van soms wel honderd stuks. Het zijn schuwe vogels die bij het minste onraad wegvluchten. Hun hoofdvoedsel bestaat uit allerlei graszaden, zodat ze een groot gedeelte van de dag op de grond doorbrengen. Daarbij zijn ze vaak in gezelschap van de Madagascarwever (Foudia madagascariensis) en het dwergekstertje (Lepidopygia nana). Op rijstvelden, die ze met voorliefde bezoeken, kunnen ze grote schade aanrichten zodat ze bij de boeren niet erg populair zijn.

In het wild nestelen de vogels in boomholten. Hierin brengt de pop een onderlaag aan bestaande uit kleine stukjes bast, gras of blad waarop ze haar eieren legt. De pop 'vervoert' het nestmateriaal tussen haar bevedering op dezelfde wijze als de pullaria. Hoewel de cana's buiten het broedseizoen in groepjes bij elkaar leven, zijn het geen koloniebroeders. De vermoedelijke broedperiode in de vrije natuur ligt tussen februari en maart op de Comoren tussen november en april.

 

Huisvesting en verzorging

Af en toe komen er bij de handel nog wel eens cana's binnen. Dit geschiedt dan via omwegen, want vanuit Madagascar geldt sinds 1975 een uitvoerverbod voor wildvang. In gevangenschap gefokte vogels mogen nog wel worden uitgevoerd. Nieuwe importen zijn erg schuw. Het beste doet men eraan ze paarsgewijs te huisvesten in ruime kistkooien. Deze moeten in een ruimte staan met een temperatuur van ongeveer 20 graden Celsius. Wie niet over een verblijf met regelbare temperatuur en luchtvochtigheid beschikt, kan beter van het houden en fokken van cana's afzien en zich toeleggen op agapornidensoorten die niet zo veeleisend zijn.

Millet, gierst en graszaden aangevuld met padie (ongepelde rijst) eten ze meestal direct wel. Later dient dit uitgebreid te worden met diverse andere zaadsoorten zoals vermeld in het hoofdstuk over de voeding.

 

Fok

Cana's zijn in het algemeen niet zo vlug tot broeden te brengen. Dat het met wat geluk toch wel gaat, bewijzen de gefokte vogels die we jaarlijks op de grotere vogeltentoonstellingen tegenkomen. Wil men fokresultaten bereiken, dan dient men de vogels paarsgewijs te huisvesten in een grote broedkooi of kleine binnenvolière. Als minimale kooimaat houden we 80x40x50 cm (l x d x h) aan. Hierin hangen we 2 ruime broedblokken op die ook voor Bourke’s parkieten gebruikt worden. Natuurlijk kunnen we ook zelf enkele nestkasten maken. Maak de nestkast 25 cm hoog en houdt als bodemoppervlakte 17 x 17 cm aan. Ook horizontaal uitgevoerde broedkasten worden geaccepteerd. Het invlieggat dient een diameter van 5 cm te hebben. Op de bodem van het blok brengen we een laagje vochtige turfmolm, halfvergane dennennaalden of vermolmd hout aan. In de praktijk blijkt namelijk dat niet alle cana's in gevangenschap nestmateriaal gebruiken. Wel moeten we er voor zorgen dat de vogels over verse wilgentakken kunnen beschikken. Ook rododendrontakken en lauriertakken kunnen als nestmateriaal aangeboden worden. Van de bladeren maken de vogels smalle reepjes die ze als nestmateriaal gebruiken. De takken kan men het beste in een pot water zetten zodat ze langer vers blijven. De temperatuur in de broedruimte dient op ongeveer 25 graden Celsius te worden gehouden bij een luchtvochtigheidsgraad tussen de 65 en 75 procent.

Omdat cana's van nature schuwe vogels zijn, is het raadzaam de vogels niet te storen als ze eenmaal met broeden begonnen zijn daar ze anders de eieren in de steek laten. Het broeden begint meestal na het leggen van het eerste ei, soms na het tweede. Aantal eieren twee tot drie, soms oplopend tot vijf. De broedduur is 21 dagen. De pop broedt alleen. De man houdt haar hierbij veelal gezelschap. Gedurende het broedproces en als er eenmaal jongen zijn, voert de man de pop op het nest. Pas als de jongen ongeveer 14 dagen oud zijn, laat de pop zich af en toe weer aan de nestingang zien om zich door de man te laten voeren. Dit is ook ongeveer de tijd om de jongen te ringen (ringmaat 4 mm).

De jongen worden geboren met geelachtig wit nestdons dat naarmate ze ouder worden donkergrijs wordt. Precies op de veertiende levensdag gaan de ogen open. De jongen blijven ongeveer 43 dagen in het nest. Als ze uitvliegen, lijken ze het meest op de pop. Het grijs op de kop bij de mannen is spoedig zichtbaar, vaak al na drie weken. Sommige jonge mannen blijven echter langer groen. Mannen hebben echter zwarte ondervleugeldekveren terwijl die van de pop groen zijn. De bovensnavels van de jonge cana's zijn meer geelachtig en tonen een zwarte vlek op de bovensnavel.

Nadat de jongen uitgevlogen zijn, worden ze nog een hele tijd door de man gevoerd. Eenmaal zelfstandig dienen we de jongen apart te zetten om vechtpartijen te voorkomen. Het zijn vooral de jonge mannen die door hun vader aangevallen worden. Tot ze broedrijp worden kunnen de jongen bij elkaar blijven, doch zodra de vogels in broedconditie komen, worden de poppen agressief en moeten we de vogels in paren apart zetten.

Het spreekt vanzelf dat we met cana's die in gevangenschap geboren zijn eerder broedresultaten bereiken dan met wildvang. Het nadeel van wildvang is bovendien dat als het vogels betreft die volledig op kleur zijn, we niet kunnen zien hoe oud ze zijn. Ook zijn in gevangenschap gefokte vogels veel minder schuw. In gevangenschap gefokte vogels zijn echter schaars en meestal ook duurder, doch het laatste zal voor de echte liefhebber stellig geen bezwaar zijn.

Een opvallende bijzonderheid bij de fok is dat er als regel meer jonge cana mannen dan poppen in de nesten liggen. Deze ongelijkheid tussen mannelijke en vrouwelijke nakomelingen wordt ook bij enkele andere in gevangenschap gefokte papegaaiachtigen vastgesteld. Bij de nakomelingen van Agapornis taranta zien we vrijwel steeds hetzelfde beeld. Op de vraag waarom dit zo is, moet ik het antwoord schuldig blijven. Hetzelfde geldt voor de vraag of dit in de natuur ook zo is.

Opvallend is verder dat canapoppen met het toenemen der jaren eieren van een steeds verder teruglopende eischaalkwaliteit produceren, waardoor tijdens het broeden teveel vochtverlies optreedt net als gevolg veel afgestorven embryo's, jongen die niet uit het ei kunnen komen of vlak na de geboorte niet levensvatbaar blijken te zijn.

 

Mutaties

Van de cana is een gele verschijningsvorm bekend. Het betreft een pop die als jonge vogel de normale groene bevedering toonde, maar tijdens de jeugdrui omkleurde in geel.

Volledigheidshalve volgt hieronder een korte omschrijving van dit fenomeen.

Voorhoofd, wangen en bef zijn geelachtig wit. De overige lichaamsbevedering is diepgeel. De vleugelpennen zijn wit, doch de buitenvlaggen tonen een gele aanslag. De secundaire staartpennen tonen een witte dwarstekening en zijn aan de uiteinden geel. De ogen zijn donkerbruin. De snavelkleur is hoornkleurig. De poten zijn lichtgrijs.

Of hier inderdaad sprake is van een mutatie en hoe deze vererft kon ik niet achterhalen.

 

Mutatiemogelijkheden bij de cana

Voor zover mij bekend, is het tot nu toe bij die gele mutant gebleven. Dat is overigens niet verwonderlijk, daar we bij deze soort pas aan het begin van het domesticatieproces staan. Niettemin zullen ook bij de cana vroeg of laat nog meer mutaties optreden.

Om u alvast een indruk te geven van de mogelijkheden, dienen we ons bezig te houden met de vederstructuur van de wildvorm. De mutatiemogelijkheden voor de cana zijn praktisch gelijk aan die van de overige leden van het geslacht Agapornis zij het dan dat bij de cana het rode psittacine in de bevedering geheel ontbreekt.

Het microscopisch onderzoek van de grijze kopbevedering van de man heeft een opmerkelijk feit aan het licht gebracht. Het blijkt namelijk dat de baardtoppen zuiver violet zijn. M.a.w. de toppen van de baarden bezitten een sponszone en vacuoles met een zodanige diameter dat als gevolg van de hierdoor ontstane interferentie, in plaats van de gebruikelijke blauwe, violette lichtgolven naar buiten treden en door ons worden waargenomen. Bovendien blijken de haakjes aan deze violette baardtoppen kleurloos te zijn. Aan de baardbasis bevindt zich zowel in de baarden als in de haakjes geel psittacine. Tussen het gele en violette baarddeel bevindt zich een smalle overgangszone waarin zich zowel melanine als psittacine bevindt, wat als totaalbeeld een groene overgangszone te zien geeft. De combinatie violette baardtoppen - groene overgangszone - gele baardbasis maakt dat we als totaalkleur grijs waarnemen. Zou zich nu bij de cana een mutatie voordoen waarbij de aanmaak van het gele psittacine wordt geblokkeerd of niet in de bevedering kan worden afgezet, dan krijgen we blauwe cana mannen met een bleek violette kop-, nek- en borstkleur. Rugdek en vleugels zullen dan donkerhemelsblauw zijn. De bovenborst, buik en anaalstreek worden dan hemelsblauw.

Bij de poppen ontstaat er dan eveneens een donker hemelsblauw rug- en vleugeldek en een hemelsblauwe kop en buikzijde.

Bij een eventuele mutatie waarbij de aanmaak van het melanine in de bevedering belet wordt, zal de lichaamskleur van de man geel worden. De koppen zullen echter aanmerkelijk lichter geel worden omdat in de baardtoppen van de wildvorm het psittacine ontbreekt. De poppen zullen er qua lichaamskleur waarschijnlijk net zo uitzien als de gele mutant, uiteraard met rode ogen en vleeskleurige poten.