5. AGAPORNIS TARANTA

 

De taranta is de grootste agapornidensoort en werd in 1814 ontdekt. Later noemde de Engelse ontdekkingsreiziger sir Henry Stanley deze soort naar de Taranta-bergpas in Ethiopië. Pas in 1906 kwamen de taranta's naar Europa en werden ze door Italiaanse handelaren verkocht aan Oostenrijkse liefhebbers. Enkele jaren later, in 1909, behaalde G. Rambausek uit Wenen het eerste broedresultaat met deze soort.

 

Men onderscheidt twee ondersoorten:

Agapornis taranta taranta

Woongebied: De hooglanden van Ethiopië.

Agapornis taranta nana

Woongebied: Zuidwest-Ethiopië, rond het gebied waar de Omorivier in het Rudolfmeer stroomt.

 

De ondersoort Agapornis taranta nana werd pas in 1931 ontdekt en beschreven.

De toevoeging nana stamt van het Latijnse nanus (= dwerg). De geldigheid van deze ondersoort is overigens omstreden.

 

 

Beschrijving Agapornis taranta taranta

 

Formaat: 16,5 cm.

Man: Voorhoofd tot op de bovenschedel rood. Wangen, bef en hals donkergrasgroen, geleidelijk overgaand in iets meer geel­achtig groen op borst, buik, flanken, anaalstreek en stuit. Het vleugeldek is donkergrasgroen en doet ietwat gehamerd aan; mantel egaal donkergrasgroen.

Grote slagpennen zwart, ietwat groengeelachtig getint op de buitenvlag. De vleugelranden vanaf de vleugelbocht zijn zwart. Ondervleugeldekveren zwart. De primaire staartveren zijn groen met zwarte staarttippen, de secundaire staartpennen tonen gerekend vanaf de basis geelachtig groen vervolgens groen daarna een zwarte dwarstekening en tenslotte groene staarttippen. De bovenstaartdekveren zijn donkergrasgroen; onderstaartdekveren geelachtig groen. De ogen zijn donkerbruin; om de ogen bevindt zich een smalle ring van kleine rode veertjes. Snavel koraalrood. Poten donkergrijs; nagels grijszwart.

Pop: De pop mist het rood in de bevedering, maar rondom de ogen loopt een smalle onopvallende ring van geelgroene veertjes. De onder­vleugeldekveren zijn zwart met groen. Voor het overige geheel gelijk aan de man.

 

 

Beschrijving Agapornis taranta nana

 

Man en pop: kortere vleugels en smallere snavel. Voor het overige als de Agapornis taranta taranta.

 

Biotoop

De Agapornis taranta bewoont de open bossen ongeveer tussen de 1500 en 2300 m van de uitgestrekte westelijke en zuidwestelijke hooglanden. Buiten de broedtijd leven ze in kleine groepen van een stuk of tien vogels bij elkaar. Ook 's nachts roesten ze bij elkaar in boomholten. Soms worden ook grotere zwermen taranta's aangetroffen van 50 tot 80 stuks.

Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit zaden, bessen en vruchten. Regelmatig bezoeken ze de lager gelegen cultuurgebieden op zoek naar voedsel. Als de vijgen rijp zijn, houden ze zich graag in deze bomen op en doen zich te goed aan de vruchten. In de paartijd, tussen maart en november, zonderen de paren zich af. De vogels nestelen in boomholten. De pop maakt hierin een ondiepe komvormige onderlaag bestaande uit kleine stukjes twijg, gras of blad. Het nestmateriaal wordt door de pop tussen de lichaamsbevedering aangesleept. Deze transportmethode van het nestmateriaal is voor de gehele seksueel-dimorfismische groep agaporniden gelijk en wordt als een specifiek gemeenschappelijk gedragskenmerk van deze groep beschouwd. Vlak voordat de pop gaat leggen verliest ze een gedeelte van haar borst- en buikbevedering waarmee ze het nest stoffeert. Dit laatste is uniek voor de taranta en zien we niet bij andere agapornidensoorten.

 

 

Huisvesting en verzorging

Taranta's uit wildvang worden niet meer geïmporteerd. De liefhebber is dus aangewezen op in gevangenschap gekweekte vogels. Een voordeel is dat men de vogels niet meer hoeft te acclimatiseren. Een korte quarantaineperiode voordat de nieuw aangekochte vogels in de eigen kwekerij komen volstaat.

Taranta's baden graag zodat we ze daartoe gelegenheid moeten geven. Als de quarantaine periode voorbij is, kan men ze het gehele jaar buiten houden mits een tochtvrij nachthok aanwezig is.

Tegen enkele graden vorst zijn ze goed bestand. Bij strenge vorst dient het nachtverblijf vorstvrij gehouden te worden. Slapen doen ze bij voorkeur in een nestkast. Buiten de broedtijd kunnen we de paren in een ruime volière samenhouden, doch niet samen met andere agaporniden.

Wat betreft de voeding, verwijs ik naar het hoofdstuk over dit onderwerp.

 

Fok

Zelf hield ik enkele jaren twee paar samen met een paar nandaya's (Nandayus nenday) in een ruime volière. Op zekere dag begon één paar taranta's zich agressief te gedragen. Zelfs de nandaya's bleven uit hun buurt. Ze werden in een kleiner verblijf van 80 x 200 cm ondergebracht. De nestkast waarin ze steeds geslapen hadden, verhuisde mee naar het nieuwe verblijf. Op de bodem van de nestkast, die 25 cm hoog was met een bodemoppervlakte van 17 x 17 cm, had ik een laag vochtige turfmolm aangebracht. Het vlieggat had een diameter van 5 cm. Enkele dagen nadien zag ik dat de man de pop voerde. Verse wilgentakken voorzien van blad stonden volop ter beschikking, doch hiervan werd niets gebruikt. Wél werd van tijd tot tijd aan de takken geknaagd. Het kuiltje dat ik in de vochtige turfmolm had ge­maakt, werd met wat korte stukjes stro bedekt die de pop in de volière gevonden had. Ook trof ik verschillende kleine veertjes aan.

Er werden 4 eieren gelegd, die toen ik na 14 dagen controle hield alle bevrucht bleken te zijn.

Precies 26 dagen nadat het eerste ei gelegd was, hield ik opnieuw nestcontrole. Eén ei was aangepikt. Toen ik het ei tegen mijn oor hield, hoorde ik het jong piepen. Vijf dagen later hield ik opnieuw controle. Er lagen vier met wit dons bedekte jongen in het nest. Drie jongen waren al iets groter zodat ik aanneem dat de pop na het eerste of tweede ei begint te broeden en dat er elke dag een jong geboren was. In de literatuur wordt vaak een broedduur van 25 dagen opgegeven, volgens eigen waarneming klopt dat vrij nauwkeurig.

Na 8 dagen werd het grootste jong met een vaste voetring van 4,5 mm geringd. Dit ging vrij gemakkelijk zodat het ook nog wel wat later had gekund. Op de vijftiende dag gaan de ogen open. Het witte nestdons wordt naar­mate de jongen ouder worden donkergrijs.

Gedurende de opfokperiode hadden de ouders, behalve het normale zaadmengsel, de beschikking over in melk geweekt bruinbrood, appel, wortel, gekiemde zaden en eivoer. Ook kregen ze dagelijks een kleine hoeveelheid muur. Behalve het eivoer, waarvan ook buiten de broedtijd nooit gegeten was, werd alles genomen. Op het in melk geweekte brood deed ik dagelijks enkele druppels van een in de handel verkrijgbaar multivitaminepreparaat. Vijftig dagen na­dat het eerste ei was aangepikt vlogen twee jongen uit. De andere twee volgden enkele dagen later. De jongen lijken op de pop. De ondervleugeldekveren van de jonge man zijn zwart die van de poppen groen met wat zwart. Sommige jonge mannen tonen al iets rood op het voorhoofd. De snavel is vuilgeel met op de bovensnavel een zwarte vlek.

Tijdens het broeden wordt de pop door de man gevoerd. De pop broedt alleen en gedurende die tijd laat ze zich niet zien. Nadat de jongen uitgevlogen zijn, worden ze door de man nog geruime tijd gevoerd. Na ongeveer 10 maanden zijn de jongen op kleur.

Een kennis uit mijn omgeving fokte met een paar taranta's in een broedkooi die 120 cm lang, 60 cm diep en 40 cm hoog was. De bodem van een ruim berken broedblok was bedekt met vochtig turfmolm en mos. Verse wilgentakken en palmtakjes stonden als nestmateriaal ter beschikking. Alleen van de palmtakjes wer­den kleine stukjes afgebeten, die de pop tussen de veren naar het nest bracht. Voor het overige werd het nest bekleed met kleine veertjes. Het voedsel bestond uit een zaadmengsel voor grote parkieten waaraan een extra hoeveelheid zonnebloempitten was toege­voegd. Daarnaast in melk geweekt brood, appel, in stukjes ge­sneden gedroogde vijgen en als groenvoer muur.

Ofschoon de taranta geen gemakkelijke fokvogel is, blijken er elk jaar weer een aantal fokkers te zijn die succes hebben. Op ten­toonstellingen slaan ze meestal een goed figuur. Qua tekening bezitten ze weinig foutenbronnen en ook hun conditie is in het algemeen uitstekend. Bovendien zijn ze door hun rustige aard bijzonder goed voor de tentoonstelling af te richten.

 

Mutaties

Sinds enkele jaren onderscheiden we bij de taranta verschillende donkernuances in de kleur. Behalve de groene wildvorm, zijn dat de kleuren donkergroen en olijfgroen. Deze donkernuances worden veroorzaakt door veranderingen van de baardstructuur als gevolg van een gemuteerde erfelijke factor, de zogenaamde donkerfactor. De donkerfactor vererft autosomaal en is dominant over de wildvorm.

Genetisch symbool voor de donkerfactor: D; wildvorm D+

De wildvorm taranta bezit geen donkerfactoren, vandaar de kleurbenaming lichtgroen. De donkergroene taranta bezit één donkerfactor, de olijfgroene heeft twee donkerfactoren.   

 

Donkergroen:

Man: Voorhoofd tot op de bovenschedel rood. Wangen, bef en hals diep donkergroen, geleidelijk overgaand in een iets lichter getinte kleurnuance op borst, buik, flanken, anaalstreek en stuit. Het vleugeldek is diep donkergroen en doet ietwat gehamerd aan; mantel egaal diep donkergroen. Grote slagpennen zwart, ietwat groengeelachtig getint op de buitenvlag. De vleugelranden vanaf de vleugelbocht zijn zwart. Ondervleugeldekveren zwart. De grote staartveren, die bijna geheel door de boven- en onderstaartdekveren bedekt worden, tonen gerekend vanaf de basis geelachtig groen vervolgens groen daarna een zwarte dwarstekening en tenslotte donkergroene staarttippen; uiteinden primaire staartveren zwart. De bovenstaartdekveren zijn diep donkergroen; onderstaartdekveren een nuance lichter getint. De ogen zijn donkerbruin; om de ogen bevindt zich een smalle ring van kleine rode veertjes. Snavel koraalrood. Poten grijs; nagels donkergrijs.

Pop: De pop mist het rood in de bevedering, maar rondom de ogen loopt een onopvallende smalle ring van groene veertjes. De onder­vleugeldekveren zijn donkergroen. Voor het overige geheel gelijk aan de donkergroene man.

 

Olijfgroen

Man: Voorhoofd tot op de bovenschedel rood. Wangen, bef en hals olijfgroen, geleidelijk overgaand in een iets lichter getinte kleurnuance op borst, buik, flanken, anaalstreek en stuit. Het vleugeldek is diep olijfgroen en doet ietwat gehamerd aan; mantel egaal olijfgroen. Grote slagpennen zwart, ietwat groengeelachtig getint op de buitenvlag. De vleugelranden vanaf de vleugelbocht zijn zwart. Onder­vleugeldekveren zwart. De grote staartveren, die bijna geheel door de boven- en onderstaartdekveren bedekt worden, tonen gerekend vanaf de basis geelachtig groen vervolgens olijfgroen daarna een zwarte dwarstekening en tenslotte olijfgroene staarttippen; uiteinden primaire staartveren zwart. De bovenstaartdekveren zijn olijfgroen; onderstaartdekveren een nuance lichter getint. De ogen zijn donkerbruin; om de ogen bevindt zich een smalle ring van kleine rode veertjes. Snavel koraalrood. Poten grijs; nagels donkergrijs.

Pop: De pop mist het rood op het voorhoofd en om de ogen, maar rondom de ogen loopt een smalle onopvallende ring van olijfgele veertjes. De onder­vleugeldekveren zijn olijfgroen. Voor het overige geheel gelijk aan de olijfgroene man.

 

Lutino

Er gaan geruchten dat er in Portugal een lutino mutatie is opgetreden. Aangezien de taranta vrijwel dezelfde mutatiemogelijk­heden bezit als de overige agapomidensoorten, behoort een dergelijke mutatie ongetwijfeld tot de mogelijkheden. Nadere gege­vens ontbreken helaas, zodat ik het hierbij laat.

Ook in België is een aantal jaren geleden een lutino verschijningsvorm opgetreden, jammer genoeg is deze vogel op jonge leeftijd alweer gestorven.

 

Misty

Bij de zogeheten misty gaat het om een mutatie waarbij de normale melaninehoeveelheid in de bevedering met ongeveer 20 procent gereduceerd wordt.

Deze mutatie vererft autosomaal en is onvolledig dominant over de wildvorm.

Genetisch symbool; Mt; wildvorm Mt+

 

Fallow

Ook deze mutatie is inmiddels een feit. Het is een vogel met rode ogen, grijsbruine slagpennen en een groenachtig gele lichaamskleur.

De fallow vererft autosomaal en heeft een recessieve kenmerkvorming.

Genetisch symbool: f; wildvorm f+