6. AGAPORNIS SWINDERNIANUS
De swinderniana, de
kleinste vertegenwoordiger van het geslacht Agapornis
werd in 1820 ontdekt en door Kuhl genoemd naar zijn leraar Dr. Th. van
Swinderen (1784- 1851), professor voor natuurwetenschappen aan de universiteit
van Groningen.
Men onderscheidt
drie ondersoorten:
Woongebied: Liberia.
Woongebied:
Kameroen, Oost-Gabon tot Centraal-Zaïre.
De ondersoort Agapornis swindernianus zenkeri, die in
1895 werd ontdekt kreeg de naam van zijn Duitse ontdekker de botanicus Georg
Zenker (1855 - 1922).
Woongebied: Het
oostelijk deel van Zaïre tot diep in West-Oeganda.
De ondersoort
Agapornis swindernianus emini kreeg in 1908 de naam van zijn ontdekker de
Duitse ontdekkingsreiziger en natuuronderzoeker Mehmed Emin Pascha (1840 -
1882) die eigenlijk E.T.O.K. Schnitzer heette.
Formaat: 13 cm.
Man en pop:
voorhoofd, bovenschedel en achterkop grasgroen. Wangen en bef meer geelachtig
groen. Algemene lichaamskleur groen; iets doffer en bleker op borst, buik en
anaalstreek. In de nek bevindt zich een karakteristieke korte zwarte band welke
overgaat in een smalle gele tot olijfgele kraag om de gehele hals. Het
vleugeldek, de mantel en de ondervleugeldekveren zijn groen. Grote
vleugelpennen zwart. Stuit en bovenstaartdekveren paarsblauw;
onder-staartdekveren geelachtig groen. De primaire staartpennen zijn groen, de
secundaire staartpennen tonen gerekend vanaf de basis een oranje en zwarte
dwars-tekening gevolgd door groene uiteinden. De ogen zijn bruin met heldergele
iris. Snavel antracietkleurig. Poten groenachtig donkergrijs; nagels
donkergrijs.
Man en pop: onder de
zwarte band in de nek bevindt zich een roodachtig bruine kraag die zich via de
halszijden als een waas uitstrekt tot op de bovenborst en daar geleidelijk
overgaat in de bleekgroene kleur van de onderborst. Voor het overige als de
nominaatvorm.
Beschrijving Agapornis swindernianus emini
Man en pop: de
roodachtig bruine kraag om de hals is veel minder uitgebreid en loopt niet door
tot op de bovenborst. De snavel is veel sterker gebogen. Voor het overige
gelijk aan A. s. zenkeri.
De Agapornis
swindernianus is een bewoner van de praktisch ontoegankelijke regenwouden.
Waarschijnlijk is dat ook de oorzaak dat er zo weinig over het gedrag van deze
soort bekend is. Immers, de overwegend groene kleur van de bevedering vormt een
uitstekende schutkleur tegen de groene achtergrond van het gebladerte, zodat de
vogels vaak onzichtbaar blijven. Niettemin werden verschillende keren kleine
groepen in de bomen waargenomen en ook wel op de grond opzoek naar insecten.
Het grootste deel van de dag schijnen ze zich in de hoge bomen op te houden,
bij voorkeur in wilde vijgenbomen. Onderzoekingen van de kropinhoud hebben
aangetoond dat een belangrijk deel van hun menu bestaat uit insecten en
vijgenpitten. Menigmaal werd ook halfrijpe maïs aangetroffen. Enkele keren
werden kleine groepen in de nabijheid van milletvelden gesignaleerd, doch of er
van de millet gegeten werd kon niet worden vastgesteld.
Over de
broedgewoonten van deze vogels is niets bekend. Men vermoedt dat ze evenals de Agapornis pullarius broeden in
boomnesten van termieten. Wel zijn enkele malen pas uitgevlogen jongen
gevangen, waarbij werd vastgesteld dat de zwarte nekring ontbrak en ze een
lichtgrijze snavel hebben met een donkere vlek aan de basis.
De Nederlander S.
Tol zag in het midden van de zeventiger jaren tijdens een reis in Nigeria een
swinderniana die in gevangenschap werd gehouden. Het diertje was gehuisvest in
een kooitje op de veranda van een huis.
's Morgens werd het
vogeltje losgelaten. 's Avonds keerde het terug en vloog zelf de kooi binnen.
Overdag scharrelde het zelf zijn kostje op en voorzag zich van water.
Pater Hutsebout, die
deze vogels vele jaren in hun natuurlijke omgeving observeerde, hield ze
geruime tijd in gevangenschap. Het voedsel bestond uit wilde vijgen, waarvan ze
alleen de pitten namen. Ander voedsel werd niet geaccepteerd. Zonder vijgen
stierven ze binnen enkele dagen.
Hieruit zouden we
mogen concluderen dat deze vogels naast insecteneters bijzondere zaadeters
zijn. Voor zover bekend werd de swinderniana nimmer in Europa in gevangenschap
gehouden. Zouden er echter ooit geïmporteerd worden, dan zal naast vijgen,
meelwormen en miereneieren een zeer gevarieerd zaadmengsel verstrekt dienen te
worden. Aangezien in de streken waar deze vogels leven ook maïs, rijst en
millet verbouwd worden, mogen deze zaden in een dergelijk mengsel zeker niet
ontbreken. Voorlopig ziet het er echter niet naar uit dat deze soort hier ooit
te zien zal zijn.