7. AGAPORNIS
ROSEICOLLIS
Toen deze vogels in 1793 ontdekt werden, dacht men aanvankelijk met een ondersoort van de Agapornis pullarius te doen te hebben. Pas in 1817 werden ze als een aparte soort gedetermineerd en kregen ze de huidige benaming afgeleid van het Griekse roseus = kleur van rozen en collum = hals. In 1860 bracht de groothandelaar in dieren Karl Hagenbeck de eerste paartjes naar Europa. Negen jaar later werden bij de bekende Duitse zoöloog en ontdekkingsreiziger Dr. Brehm de eerste jongen in gevangenschap geboren.
Men onderscheidt twee ondersoorten:
Woongebied: Zuidwest-Afrika.
Woongebied: Zuid-Angola.
De ondersoort Agapornis roseicollis catumbella werd pas in 1955, dus vrij recentelijk, als zodanig erkend en door Neumann genoemd naar de Angolese plaats Catumbela aan de monding van de gelijknamige rivier tussen Lobito en Benguela. Voor zover ik heb kunnen nagaan, komt deze ondersoort niet in raszuivere vorm in Nederlandse en Belgische collecties voor.
Beschrijving Agapornis roseicollis roseicollis
Formaat: 15 cm.
Man en pop: voorhoofd tot op de kruin en vandaar verticaal tot achter de ogen rood. Wangen en masker rood, geleidelijk overgaand in dieproze op keelstreek en bef. Tussen het dieproze gedeelte van de wangen en de groene nek bevindt zich een smalle, pastelblauwachtige overgangszone. De algemene lichaamskleur is groen; borst, buik flanken en anaalstreek meer geelachtig groen. Het vleugeldek, dat een lichte hamering toont, is grasgroen evenals de mantel. De duimveertjes in de vleugelbocht zijn geel; vleugelpennen grijs met groene buitenvlag; ondervleugeldekveren groen met een blauwachtig tintje. Stuit en bovenstaartdekveren diep hemelsblauw; onderstaartdekveren geelachtig groen. Van de grote staartveren, die bijna geheel door de boven- en onderstaartdekveren bedekt worden, tonen de primaire staartveren groen, de secundaire staartveren tonen gerekend vanaf de basis een zwart-rood-zwarte dwarstekening; de uiteinden van zowel de primaire als de secundaire staartveren zijn hemelsblauw. De snavel is hoornkleurig met langs de snavelranden en op de ondersnavel een groenachtig tintje; donkere snavelpunt. Ogen donkerbruin. Poten grijs; nagels donkergrijs.
Man en pop: De catumbella is iets kleiner dan het nominaatras. De algemene lichaamskleur is dieper groen. Voorhoofd, wangen en masker dieper rood. De snavel is ietwat roze getint. Voor het overige als de nominaatvorm.
In hun geboorteland leven deze vogels in droge rotsachtige met kreupelhout begroeide streken. Belangrijk daarbij is de nabijheid van een drinkplaats. Deze wordt meestal tweemaal daags bezocht, 's morgens en in de late namiddag. Het zijn typische kolonievogels die het gehele jaar bij elkaar blijven. Meestal bestaat een kolonie roseicollis uit ongeveer 10 tot 20 vogels. De vlucht is snel en direct waarbij ze voortdurend hun schrille roep laten horen. Het voedsel bestaat uit allerlei zaden en bessen. Tegen de oogsttijd worden ze vaak in grote zwermen aangetroffen die massaal de maïs-, sorghum- en milletvelden plunderen. Geen wonder dat de boeren ze liever kwijt dan rijk zijn.
In het wild broeden roseicollis gewoonlijk in gemeenschapsnesten van bepaalde weversoorten. Een dergelijk gemeenschapsnest bestaat vaak uit honderden broedkamers, waarvan ze er gewoon een aantal in beslag nemen door de wevers uit een gedeelte van het nest te verdrijven. De overgebleven nestkamers worden dan door de wevers gebruikt. De voorkeur gaat uit naar de reusachtige gemeenschapsnesten van de koloniewever (Philetairus socius), die vaak een doorsnede van enkele meters hebben, maar als die er in hun omgeving niet zijn, nemen ze ook de dicht aaneen gebouwde peervormige buidelnesten van de mahaliwever (Plocepasser mahali) voor lief. Menigmaal worden ook bouwsels van roseicollis aangetroffen in spleten of holten in rotsen, grotten en gebouwen. Opvallend is dat de roseicollis, indien ze een weversnest uitgekozen hebben, zelf geen nieuw nestmateriaal aandragen terwijl in rotsspleten en -holten wel nestmateriaal wordt gebruikt. Een dergelijk door de vogels zelf gebouwd nest bestaat uit lange stroken schors, bladeren en grashalmen. De transportmethode van het nestmateriaal vertoont veel overeenkomst met die van de seksueel-dimorfismische groep agaporniden. Zoals u bij deze agapornidensoorten heeft kunnen lezen, gebruiken de poppen van deze soorten voor het vervoer van het nestmateriaal hun gehele lichaamsbevedering. De A. roseicollis echter gebruikt voor dit doel uitsluitend de bevedering van de stuit en het bovenstaartdek.
Roseicollis behoren vandaag de dag, mede als gevolg van hun goede fokbaarheid, stellig tot de meest gehouden leden van het geslacht. Het zijn sterke vogels die zomer en winter buiten gehouden kunnen worden, mits een tocht- en vochtvrij nachthok aanwezig is. Tegen matige vorst zijn ze goed bestand. De vogels dienen dan echter 's nachts in nestkasten te slapen om teenbevriezingen te voorkomen. Bij strenge vorst moet het nachthok vorstvrij gehouden worden.
Hoewel roseicollis koloniebroeders zijn, blijkt dit in gevangenschap niet altijd een succes te zijn. In een ruime volière, waarin per paar tenminste 2 nestkasten zijn opgehangen, kan men een aantal paren samen huisvesten, maar de praktijk heeft geleerd dat paarsgewijs huisvesten het meest succesvol is, zeker wanneer men met de vogels wil fokken. Niet zelden breken er in een dergelijke gemeenschappelijke broedruimte onderlinge vechtpartijen uit waarbij vaak ernstige teenbeschadigingen voorkomen. Het is dus zaak dat men een en ander goed in de gaten houdt.
Wanneer u ondanks de zojuist genoemde bezwaren toch de voorkeur geeft aan een gezamenlijke buitenvolière, doet u er goed aan de vogels op jonge leeftijd bij elkaar te zetten. Ze kunnen dan aan elkaar wennen en zullen wanneer ze eenmaal broedrijp geworden zijn minder problemen geven.
Als nestmateriaal verstrekken we verse wilgentakken of takken van populieren of ligusterhagen en niet bespoten fruitbomen. Van de takken bijt de pop ongeveer 10 cm lange stroken schors, stopt er een aantal tussen de stuitbevedering en vliegt ermee naar de nestkast. Wat ze onderweg verliest, wordt merkwaardigerwijs niet meer gebruikt. In de nestkast bouwt de pop in ongeveer vier dagen een komvormige nestholte met een soort voorportaaltje dat naar het vlieggat leidt. De eieren worden om de andere dag gelegd: nestgrootte 3-6 eieren. Na het eerste ei, soms na het tweede, begint de pop te broeden. De pop broedt alleen, doch vaak zien we dat de man haar hierbij gezelschap houdt. Gedurende de broedperiode komt de pop slechts sporadisch van het nest en ze wordt door de man gevoerd. Als de jongen na 23 dagen uitkomen, hebben ze roodachtig nestdons dat naarmate ze ouder worden donkergrijs wordt. Na de achtste dag kunnen de jongen geringd worden; ringmaat 4,5 mm. De nesttijd bedraagt 43 dagen. Nadat de jongen uitgevlogen zijn, worden ze nog ongeveer 14 dagen door de ouders gevoerd.
Het voorhoofd van pas uitgevlogen jongen toont taankleurig groen met een rozeachtig tintje. Wangen en masker zijn bleekroze met een grijsachtig blauw waas overgoten. De algemene lichaamskleur is iets fletser groen dan dat van de oudervogels. De snavel is vuilgeel met op de bovensnavel een zwarte vlek.
Het verdient aanbeveling de jongen zo spoedig mogelijk nadat ze zelfstandig geworden zijn apart te zetten. De ouders beginnen dan gewoonlijk aan een nieuw legsel. Om de poppen voor uitputting te behoeden dienen we na 2 doch zeker na 3 ronden geen gelegenheid tot broeden meer te geven, daar anders teleurstellingen niet uit zullen blijven.
Van de Agapornis roseicollis zijn een hele reeks mutaties bekend. Zouden we echter afgaan op de verschillende kleurbenamingen van deze mutaties, dan komen we tot een aanmerkelijk hoger aantal. Het probleem met nieuwe mutaties is dat fokkers de meest bloemrijke benamingen bedenken zonder te letten op de aard en het fenotype (= uiterlijke verschijningsvorm) van de mutatie, wat dikwijls zeer verwarrend werkt. Kleurbenamingen als 'Golden Cherry' en 'Imperial Cherryhead' zijn commercieel misschien best aantrekkelijk, doch zeggen niets over de aard van de mutatie noch over de verschijningsvorm. Daarom zal ik proberen in het hierna volgende overzicht van de opgetreden mutaties de kleurbenaming aan te passen aan de aard en verschijningsvorm van de mutatie waarbij ingeburgerde benamingen die aan deze normen voldoen uiteraard gehandhaafd blijven.
Deze mutatie vererft autosomaal en is recessief ten opzichte de wildkleur.
Genetisch symbool: apa
(pa = pastel; apa =
multipele allele van a; wildvorm a+
Beschrijving pastel lichtgroen:
Voorhoofd en masker gelijk aan de wildvorm. Achterkop en nek groenachtig geel. Mantel en vleugeldek groenachtig geel. Borst, buik, flanken en anaalstreek geel met een groen waas overgoten. Stuit en bovenstaartdekveren zacht hemelsblauw; onderstaartdekveren geel met een groen waas overgoten. Vleugelpennen lichtgrijs met geelachtige buitenvlag. De secundaire staartpennen tonen een lichtgrijs-rood-lichtgrijze dwarstekening; staarttippen zacht hemelsblauw. Poten lichtgrijs; nagels grijs. Snavel hoornkleurig met lichtgrijze snavelpunt.
Deze mutatie vererft autosomaal en is recessief ten opzichte van de wildkleur.
Genetisch symbool: dil ((dilute)); wildvorm dil+
Beschrijving overgoten lichtgroen:
Voorhoofd en masker gelijk aan de wildvorm. Achterkop en nek geel, overgoten met en flauw groen waas. Mantel en vleugeldek geel met een groen waas overgoten. Borst, buik, flanken en anaalstreek geel, overgoten met een flauw groen waas. Stuit en bovenstaartdekveren blauwovergoten; onderstaartdekveren geel overgoten met een flauw groen waas. Vleugelpennen grijsgeel. De secundaire staartpennen tonen een bleekgrijze-rood-bleekgrijze dwarstekening; staarttippen bleekblauw overgoten. Poten vleeskleurig; nagels hoornkleurig. Snavel hoornkleurig.
De pastel-gezoomd-factor vererft autosomaal en is recessief ten opzichte van de wildkleur.
Genetisch symbool: ed; wildvorm ed+
Beschrijving pastel-gezoomd-lichtgroen:
Voorhoofd en masker gelijk aan de wildvorm. Kenmerkend voor deze kleurslag zijn de gezoomde vleugeldekveertjes en de donkere veerschachten die het vleugeldek een geschubd aanzien geven. Achterkop, mantel en vleugeldek zijn bleek olijfachtig groen; het vleugeldek ietwat lichter getint. Borst, buik, flanken en anaalstreek bleek geelgroen. Vleugelpennen geelgroen met lichtgrijze buitenvlag en lichtgrijze vleugeltippen. Stuit en bovenstaartdekveren bleekblauw bewaasd; onderstaartdekveren bleek geelgroen. De secundaire grote staartveren tonen een lichtgrijs-rood-lichtgrijze dwarstekening; staarttippen bleek hemelsblauw. Snavel hoornkleurig. Poten lichtgrijs; nagels grijs.
De factor aqua vererft autosomaal en is recessief ten opzichte van de groene wildkleur.
Genetisch symbool: blaq (meervoudig allel van bl); wildvorm bl+
Beschrijving aqua:
Voorhoofd tot op de kruin en vandaar verticaal tot achter de ogen dieproze. Wangen en masker dieproze, geleidelijk overgaand in bleekroze. Achterkop, nek, mantel en vleugeldek zeegroen; het vleugeldek doet enigszins gehamerd aan. Borst, buik, flanken en anaalstreek blauw met een groen waas overgoten. Stuit en bovenstaartdekveren diep hemelsblauw; onderstaartdekveren blauw met een groen waas overgoten. De duimveertjes in de vleugelbocht zijn bleekgeel. De secundaire staartpennen tonen een zwart-roze-zwarte dwarstekening; de staarttippen zijn diep hemelsblauw. Grote vleugelpennen grijs met zeegroene buitenvlag.
Voor het overige gelijk aan de wildvorm.
Deze mutatie vererft autosomaal en is recessief ten opzichte van de wildkleur en aqua.
Genetisch symbool: bltq (meervoudig allel van bl); wildvorm bl+
Beschrijving turquoise:
Voorhoofd tot op de kruin en vandaar verticaal tot achter de ogen gebroken wit (wit met een rozeachtig tintje). Wangen en masker gebroken wit geleidelijk overgaand in wit. Achterkop, nek, mantel en vleugeldek zeegroen; het vleugeldek doet enigszins gehamerd aan. Borst, buik, flanken en anaalstreek blauw met een nauwelijks waarneembaar groen waas overgoten. Stuit en bovenstaartdekveren diep hemelsblauw; onderstaartdekveren blauw met een nauwelijks waarneembaar groen waas overgoten. Duimveertjes gebroken wit.
Voor het overige gelijk aan de aqua.
Bij de roseicollis onderscheiden we verschillende donkernuances in de kleur.
Deze donkernuances worden veroorzaakt door veranderingen van de baardstructuur als gevolg van een gemuteerde erfelijke factor, de zogenaamde donkerfactor. De donkerfactor vererft autosomaal en is onvolledig dominant over de wildkleur.
Genetisch symbool voor de donkerfactor: D; wildvorm D+
De wildvorm roseicollis bezit geen donkerfactoren (bl+_D+/bl+_D+), vandaar de kleurbenaming (licht)groen. De D-groene (donkergroene) roseicollis bezit één donkerfactor (bl+_D+/bl+_D), de DD-groene (olijfgroene) heeft twee donkerfactoren (bl+_D/bl+_D).
Hetzelfde geldt voor de aqua- en de turquoisereeks: aqua = geen donkerfactor, D-aqua = één donkerfactor, DD-aqua = twee donkerfactoren;
zo ook turquoise geen donkerfactor,
D-turquoise één donkerfactor, DD-turquoise twee donkerfactoren
Beschrijving donkergroen:
Voorhoofd en masker gelijk aan de wildvorm. Achterkop en nek donkergroen. Mantel en vleugeldek donkergroen waarbij het vleugeldek een lichte hamering vertoont. Borst, buik, flanken en anaalstreek donkergrasgroen. Stuit en bovenstaartdekveren diep kobaltblauw; onderstaartdekveren donkergrasgroen. Vleugelpennen grijs met donkergroene buitenvlag. De secundaire grote staartpennen tonen een zwart-rood-zwarte dwarstekening; staarttippen kobaltblauw.
Voor het overige gelijk aan de wildkleur.
Beschrijving olijfgroen:
Voorhoofd en masker gelijk aan de wildvorm. Achterkop en nek donkerolijfgroen. Mantel en vleugeldek donkerolijfgroen waarbij het vleugeldek een lichte hamering vertoont. Borst, buik, flanken en anaalstreek olijfgroen. Stuit en bovenstaartdekveren loodgrijs; onderstaartdekveren olijfgroen. Vleugelpennen grijs met donkerolijfgroene buitenvlag. De secundaire grote staartpennen tonen een zwart-rood-zwarte dwarstekening; staarttippen loodgrijs.
Voor het overige gelijk aan de wildkleur.
De inofactor (ino = afgeleid van albino en wordt in fokkerskringen veelal gebruikt als verzamelnaam voor de kleurslagen lutino, crème-ino en albino) vererft gekoppeld aan het X-chromosoom in overeenstemming met de eigenaardige verdeling van de X-chromosomen en is recessief ten opzichte van de wildvorm (lees: ongemuteerde ino-factor).
Genetisch symbool: ino;
wildvorm ino+
De ino-man wordt als Xino/Xino
geschreven, de ino-pop als Xino/Y
Beschrijving lutino:
Voorhoofd en masker gelijk aan de wildvorm. De overgangszone tussen het dieproze gedeelte van de wangen en de gele nek is zeer flets roze. Algemene lichaamskleur geel. Grote vleugelpennen bleekgeel. Stuit en bovenstaartdekveren zuiver wit; onderstaartdekveren geel. De secundaire staartpennen zijn geel met een rode dwarstekening; staarttippen wit. De ogen zijn rood. Snavel hoornkleurig. Poten vleeskleurig; nagels hoornkleurig.
De cinnamonfactor vererft gekoppeld aan het X-chromosoom en is recessief ten opzichte van de wildfactor (lees: ongemuteerde cinnamonfactor).
Genetisch symbool cin; wildvorm cin+
De cinnamon-man wordt als Xcin/Xcin geschreven de cinnamon-pop als Xcin/Y
Beschrijving cinnamon lichtgroen:
Voorhoofd en masker als de wildvorm. Karakteristiek voor deze kleurslag zijn de cinnamonbruine vleugelpennen. Achterkop en nek bleek lauriergroen. Mantel en vleugeldek zijn bleek lauriergroen met een zijdeachtige glans. Borst, buik, flanken en anaalstreek bleek geelachtig groen met een zijdeachtige glans. Stuit en bovenstaartdekveren zacht hemelsblauw; onderstaartdekveren bleek geelachtig groen. Vleugelpennen bruin met een lauriergroene buitenvlag. De secundaire staartpennen tonen een bruin-rood-bruine dwarstekening; staarttippen hemelsblauw. Ogen donkerbruin. Poten vleeskleurig; nagels hoornkleurig.
Voor het overige gelijk aan de wildkleur.
De pallid-factor (voorheen isabelfactor) vererft gekoppeld aan het X-chromosoom en is recessief ten opzichte van de wildfactor (lees: ongemuteerde pallidfactor).
Genetisch symbool: inopd
(meervoudig allel van ino);
wildvorm ino+
Beschrijving pallid lichtgroen:
Voorhoofd en masker als de wildvorm. Achterkop en nek bleek grasgroen. Mantel en vleugeldek bleek grasgroen. Borst, buik, flanken en anaalstreek flets grasgroen, duidelijk lichter van tint dan mantel en vleugeldek. Stuit en bovenstaartdekveren hemelsblauw; onderstaartdekveren flets grasgroen. Vleugelpennen bruingrijs met een duidelijke lichter getinte buitenvlag. De secundaire staartpennen tonen een bruingrijs-rood-bruingrijze dwarstekening; staarttippen hemelsblauw.
Voor het overige gelijk aan de wildkleur.
Er zijn twee fallowmutaties bekend:
1 een fallow mutatie die in het westen van Duitsland is opgetreden, deze wordt thans bronze-fallow genoemd (voorheen West-Duitse fallow en fallow mutant 1);
Genetisch symbool: bz;
wildvorm bz+
2 een fallow mutatie die in de voormalige DDR ontstond, deze wordt thans aangeduid als pale fallow (voorheen Oost-Duitse fallow en fallow mutant 2).
Genetisch
symbool: pf; wildvorm pf+
Karakteristiek voor beide fallow-variëteiten is de rode oogkleur.
Beide fallowmutaties vererven autosomaal en zijn recessief ten opzichte van de wildkleur
Beschrijving bronze fallow lichtgroen:
Voorhoofd en masker als de wildvorm. De grote vleugelpennen zijn duidelijk bruiner dan de mutant 2 fallowvariëteit en vergelijkbaar met die van de cinnamon. De algemene lichaamskleur is een nuance lichter dan die van de cinnamon. Stuit en bovenstaartdekveren hemelsblauw; onderstaartdekveren gelijk aan de kleur van het onderlichaam. De secundaire grote staartpennen tonen een bruin-rood-bruine dwarstekening; de staarttippen zijn hemelsblauw. Snavel hoornkleurig. Oogkleur rood. Poten vleeskleurig; nagels hoornkleurig.
Beschrijving pale fallow lichtgroen:
Voorhoofd en masker als de wildvorm. Achterkop, nek, mantel en vleugeldek geel met een groen tintje. Borst, buik, flanken en anaalstreek geel enigszins groen bewaasd, doch duidelijk lichter van tint dan mantel en vleugeldek. Stuit en bovenstaartdekveren hemelsblauw; onderstaartdekveren geel met een groen waas; vleugelpennen lichtbruingrijs met een duidelijke lichter getinte buitenvlag. De staartpennen tonen een lichtbruingrijs-rood-lichtbruingrijze dwarstekening; staarttippen hemelsblauw. Oogkleur rood. Poten vleeskleurig; nagels hoornkleurig.
Deze mutatie vererft autosomaal en is dominant ten opzichte van de wildkleur.
Genetisch symbool: maPh (meervoudig allel van ma); wildvorm ma+
Beschrijving rozemasker lichtgroen:
Voorhoofd tot op de kruin en vandaar verticaal tot achter de ogen rozerood. Wangen en masker rozerood geleidelijk overgaand in roze.
De algemene lichaamskleur is een nuance lichter dan de lichtgroene wildkleur. De secundaire staartpennen tonen een zwart-rozerood-zwarte dwarstekening; voor het overige overeenkomend met de wildkleur.
Deze kleurslag vererft autosomaal en is recessief ten opzichte van de wildkleur.
Genetisch symbool: maor
(meervoudig allel van ma); wildvorm ma+
Beschrijving oranjemasker lichtgroen:
Voorhoofd tot op de kruin en vandaar verticaal tot achter de ogen oranje. Wangen en masker oranje. Tussen het oranje gedeelte van de wangen en het groen van de nek bevindt zich een pastelblauwachtige overgangszone. Achterkop, nek, mantel en vleugeldek zijn grasgroen, doch een nuance lichter getint dan de wildkleur; het vleugeldek doet enigszins gehamerd aan. Borst, buik, flanken en anaalstreek zijn helder groen, iets geliger getint dan de wildkleur. Duimveertjes geel. Vleugelpennen grijs met groene buitenvlag. Stuit en bovenstaartdekveren diep hemelsblauw; onderstaartdekveren geelgroen. De secundaire staartpennen tonen een zwart-oranje-zwarte dwarstekening; staarttippen diep hemelsblauw.
Voor het overige gelijk aan de wildvorm.
De violetfactor veroorzaakt een verandering in de baardstructuur van de bevedering waardoor de algemene lichaamskleur verdonkert en de stuitkleur een violette tint aanneemt. Wordt de violetfactor echter gecombineerd met de dubbele donkerfactor dan wordt als gevolg daarvan de algemene lichaamskleur enigszins opgebleekt.
De violetfactor vererft autosomaal en is onvolledig dominant over de wildvorm.
Ofschoon de violetfactor ook in de kleurslagen van de groenreeks (licht-, donker- en olijfgroen) goed te herkennen is, komt hij het mooiste tot zijn recht in de zeegroenen en de bleekmaskers met één donkerfactor. Zeegroenen met één donkerfactor die tevens de violetfactor bezitten hebben een violette lichaamskleur en een diep violette stuitkleur. Bleekmaskers met één donkerfactor waarin de violetfactor is ingefokt tonen een diep violette lichaams- en stuitkleur.
De violetfactor heeft de sterkste werking (meest zichtbare effect) als deze dubbel wordt ingefokt.
Genetisch symbool voor de violetfactor: V; wildvorm V+
Men onderscheidt bij de roseicollis twee bontmutaties:
1. Een bontmutatie met dominante kenmerkvorming;
Symbool voor
dominant bont: Pi; wildvorm Pi+
2. Een bontmutatie met recessieve kenmerkvorming.
Symbool voor
recessief bont: s; wildvorm s+
Kenmerken dominantbont lichtgroen:
Voorhoofd en masker als de wildvorm (doch minder scherp afgelijnd, minder omvangrijk en minder diep van kleur dan de wildvorm). Op het achterhoofd bevindt zich een variabele gele nekvlek. Rug, borst, buik, flanken en anaalstreek lichtgroen, doch onderbroken door onregelmatige gele veervelden; meestal gepaard gaande met één of verschillende geelgetinte vleugelpennen. Het bontpatroon is zeer variabel. Door selectie zijn er dominant bonten gefokt met een geheel gele lichaamskleur. De stuitkleur en de kleur van de bovenstaartdekveren worden door deze mutatie niet aangetast en zijn diep hemelsblauw. Snavel hoornkleurig met donkere punt. Poten grijs; de nagels variëren van grijs tot hoornkleurig.
Kenmerken van recessiefbont lichtgroen:
Voorhoofd en masker als de wildvorm (doch minder scherp afgelijnd, minder omvangrijk en minder diep van kleur dan de wildvorm). In tegenstelling met de dominantbonten hebben de recessiefbonten een vaster en gelijkmatiger bontpatroon. Het grootste gedeelte van de lichaamsbevedering is geel, soms toont het rugdek nog een groen waas. De slagpennen van de recessieve bonte zijn vrijwel altijd pigmentloos en gelijk van kleur. Er zijn recessief bonten met een geheel effen gele lichaamsbevedering. De stuitkleur en de kleur van de bovenstaartdekveren zijn lichthemelsblauw. Snavel hoornkleurig met donkere punt, Poten grijs; nagels variërend van grijs tot hoornkleurig.
Opmerking: split recessiefbonten tonen vaak een gele vlek op het achterhoofd.
Opaline
De opalinefactor veroorzaakt een herverdeling van de in de vogel aanwezige kleurstoffen eumelanine en psittacine. Zo zien we op de achterkop een toename van rood psittacine en tegelijkertijd een vermindering van melanine. Op stuit en bovenstaartdek zorgt deze mutatie voor een toename van geel psittacine waardoor deze veervelden een groener aanzien krijgen en veranderen in groen met een blauw waas. Ook in de secundaire staartveren zien we een sterke toename van rood psittacine en tegelijkertijd een sterke reductie van melanine, waardoor de zwarte dwarstekening en het blauw van de staartuiteinden is verdwenen.
De opalinefactor vererft gekoppeld aan het X-chromosoom en is recessief ten opzichte van de wildvorm.
Genetisch symbool: op;
wildvorm op+
De opalineman wordt als Xop/Xop
geschreven, de opalinepop als Xop/Y
Long feathering
Sinds een kleine twintig jaar kennen we bij de roseicollis een van de wildvorm afwijkend bevederingtype, die in fokkerskringen “long-feathering” (lang bevederd)genoemd wordt. Bij dit door mutatie ontstane veertype gaat het om een lange veer met een grove structuur en veel dons aan de veerbasis. De baarden van dit veertype zijn beduidend langer dan van het wildvormveertype, ze staan verder uit elkaar en hebben een iets andere structuur waardoor de grootte van de vogel, maar ook de kleur direct beïnvloed wordt. Long-feathering-vogels tonen gewoonlijk groter, maar zijn vooral beduidend breder van lichaamsbouw dan vogels van het wildvormveertype. Dit komt door de grovere bevedering in combinatie met grote hoeveelheden onderdons aan de veerbasis. Wanneer men een long-featering-vogel in de hand neemt, voelt hij meestal los aan terwijl het lichaamsgewicht vaak veel minder is dan zijn postuur doet vermoeden. Het long-feathering-bevederingtype is ook van grote invloed op de kleur en wel in gunstige zin. Vogels van dit veertype zijn veel dieper van kleur, het betreft zowel de lichaamskleur als de masker- en stuitkleur.
Naast de onmiskenbare voordelen, heeft het long-feathering-veertype ook nadelen. Long-feathering-vogels tonen vaak een minder goede vleugeldracht en zitten dikwijls los in de veren waardoor de lichaamshouding meestal niet kan tippen aan de vogels van het wildvormtype.
Het long-feathering-bevederingtype vererft autosomaal en is recessief t.o.v. de wildvorm.
Genetisch symbool voor deze mutatie: lo; wildvorm lo+