8. AGAPORNIS FISCHERI
Deze agapornidensoort werd in 1887 ontdekt. Reichenow noemde deze soort naar de ontdekker dr. G.A. Fischer. In 1925 arriveerden de eerste exemplaren in de USA. Omstreeks 1927 kwamen ze voor het eerst naar Europa. Al kort daarop werd er met succes mee gefokt. Door de goede fokbaarheid en lage aanschafprijs behoren ze thans tot de meest gehouden agapornidensoorten.
Er zijn geen ondersoorten.
Noord-Tanzania, ten zuiden van het Victoriameer en op de eilandjes van het Victoriameer zelf. Door de mens ingevoerd in Noordoost-Tanzania rondom Dar es Salaam en Tanga; eveneens ingevoerd in Kenia rond Mombassa, Nairobi, Naivasha en Isiola.
Formaat: 15 cm.
Man en pop: voorhoofd, wangen en bef tot aan de groene kleurscheiding op de bovenborst oranjerood. Bovenschedel bruinachtig bronskleurig met een oranje tintje; verder op de achterkop en in de nek geleidelijk overgaand in warm olijfgeel; tussen de diep oranje gekleurde wangen en de warmgele kleur van de nek bevindt zich een warm bronsgroene overgangszone.
De algemene lichaamskleur is groen; op onderborst, buik, flanken en anaalstreek geelachtig groen; mantel en vleugeldek donkergrasgroen. Het vleugeldek doet enigszins gehamerd aan. In de vleugelbocht bevindt zich een smalle, gele vleugelrand. Grote vleugelpennen donkergrijs met groene buitenvlag. Stuit en bovenstaartdekveren grijsachtig violet, waarbij het violet overheerst; onderstaartdekveren geelachtig groen. Van de grote staartveren, die bijna geheel door de boven- en onderstaartdekveren bedekt worden, tonen de primaire staartveren groen, de secundaire staartveren tonen gerekend vanaf de basis een oranjerood-grijszwarte dwarstekening; de uiteinden van zowel de primaire als de secundaire staartveren zijn dof hemelsblauw. Snavel koraalrood met aan de basis een witte snavelriem. Ogen bruin, omgeven door een witte ring van washuid. Poten lichtgrijs; nagels donkergrijs.
De Agapornis fischeri leeft overwegend in kleine groepen in droge, met acacia's, dadelpalmen en semi-succulente boomsoorten begroeide savannen waar ze zich voornamelijk met graszaden voeden. Ook worden ze wel aangetroffen in cultuurgebieden waar veel maïs en millet verbouwd worden. De natuurlijke broedtijd valt tussen april en juli. De vogels broeden in kolonieverband. Ze nestelen bij voorkeur in boomholten maar ook wel in de oksels van palmen en allerlei holtes van schuren en gebouwen. Legselgrootte van 4-6 eieren. Als slaapplaats maken ze dikwijls gebruik van het nest van de roodstaartwever (Histurgops ruficauda) en het is niet onwaarschijnlijk dat ze hierin ook broeden. In de nestholte wordt een omvangrijk bolvormig nest met sluipgang gemaakt van lange twijgen, bladdelen en schorsstroken, die de pop in haar snavel aansleept.
Oorspronkelijk leefden fischeri's en personata's als gevolg van geografische barrières zoals verschillen in terrein en flora streng gescheiden van elkaar. Door bemoeienissen van de mens werden fischeri’s en personata's bij Dar es Salaam en Tanga, en rondom de steden Nairobi en Mombassa uitgezet en ontstonden er overlappingen van elkaars woongebieden met als gevolg dat er in de omgeving van genoemde plaatsen bastaardvormen tussen fischeri en personata ontstonden (Fry, Keith en Urban 1988).
Fischeri's zijn sterke vogels die best tegen een stootje kunnen. Tegen enkele graden vorst zijn ze goed bestand. Bij aanhoudende kou en bij matige of strenge vorst dienen ze over een vorstvrij nachthok te kunnen beschikken.
Ofschoon ze in de natuur in kolonieverband broeden, dienen we deze vogels in gevangenschap paarsgewijs te huisvesten. Dit kan in kleine volières, maar fischeri's gedijen ook uitstekend in zogenaamde kistkooien. Een goede kooimaat is 80 cm lang, 40 cm diep en 50 cm hoog.
Voor de fok met fischeri's voldoen de horizontale nestkasten het beste vanwege de sluipgang die de vogels bouwen. Zelf gebruik ik nestkasten van geschaafd vurenhout. De binnenwerkse oppervlakte is 12 x 22 cm, de hoogte 19 cm. Het invlieggat zit rechts- of linksboven en heeft een doorsnede van 5 cm.
Wanneer u er de voorkeur aan geeft uw fischeri's in kleine volières te huisvesten verdient het aanbeveling de aangrenzende vluchten met dubbel gaas te bespannen; dit laatste om teenbeschadigingen te voorkomen.
Wat betreft de voeding verwijs ik naar het hoofdstuk over dit onderwerp.
In de keuze van nestmateriaal zijn fischeri's niet erg kieskeurig. Behalve de bekende wilgentakken nemen ze ook lege aren van trosgierst, grashalmen en zelfs bladeren en brem. In de nestkast bouwt de pop van ongeveer 10 cm lange stroken een bolvormig nest met sluipgang, die naar het vlieggat leidt. Bij het bouwen van het nest vervoert de pop het nestmateriaal in de snavel. De eieren worden om de andere dag gelegd, meestal 5 à 6 in getal, een enkele keer tot 8 stuks. Het broeden begint doorgaans na het leggen van het tweede ei. De pop broedt alleen; broedduur 23 dagen. De man voert de pop op het nest en houdt haar soms urenlang gezelschap.
De jongen hebben bij de geboorte oranjerood nestdons dat naarmate ze ouder worden verandert in donkergrijs. Op de negende dag worden de jongen geringd; ringmaat 4,5 mm. Tijdens de opfokperiode hebben deze agaporniden veel behoefte aan groenvoer. We dienen er dus voor te zorgen dat enig groenvoer - in welke vorm dan ook - steeds ter beschikking staat. De jongen worden door beide ouders gevoerd. Tussen de tiende en twaalfde dag gaan de ogen open. Omstreeks die tijd is ook de omkleuring van het nestdons voltooid. Op een leeftijd van ongeveer 38 dagen vliegen de jonge fischeri's uit. Ze zijn doffer van kleur dan de ouders, vooral op de kop. Op de bovensnavel bevindt zich een zwarte vlek. Na het uitvliegen worden de jongen nog ongeveer twee weken gevoerd, hoofdzakelijk door de man. Daarna zijn ze zelfstandig en moeten apart gezet worden. Gewoonlijk zijn de ouders dan al weer aan de volgende ronde begonnen. Om uitputting te voorkomen, dienen we na drie ronden geen gelegenheid tot nestelen meer te geven.
De jeugdrui begint op een leeftijd van ongeveer drie maanden en neemt ongeveer vier maanden in beslag. Tijdens de jeugdrui zijn de vogels bijzonder gevoelig voor kou en vocht. Houd ze daarom zoveel mogelijk in een binnenvlucht.
Bij Agapornis fischeri zijn verschillende mutaties opgetreden. Twee mutatievormen, t.w. de cinnamon en de zeegroene bleken jammer genoeg niet levensvatbaar en stierven al na enkele maanden. Van de mutatievormen die wel levensvatbaar bleken te zijn is de pastelvorm de bekendste.
Deze mutatie vererft autosomaal en is recessief ten opzichte van de wildkleur.
Genetisch symbool: apa (meervoudig allel van a); wildvorm a+
Beschrijving pastel lichtgroen:
Voorhoofd en wangen diep oranjerood; schedel donkeroranje, naar het achterhoofd en de nek overgaand in olijfgeel; bef oranjerood. Mantel en vleugeldek licht olijfachtig groen. Onderborst, buik, flanken en anaalstreek bleek geelgroen. Grote vleugelpennen grijs; de buitenvlaggen tonen een vage, gele aanslag. Stuit en bovenstaartdekveren bleek violet; onderstaartdekveren bleek geelgroen. De secundaire grote staartveren tonen een oranjerood-grijze dwarstekening; staarttippen bleek hemelsblauw. De poten variëren van lichtgrijs tot vleeskleurig; de nagels variëren van lichtgrijs tot hoornkleurig. Voor het overige gelijk aan de wildvorm.
Deze mutatievorm ziet er uit als een lutino, maar typerend voor de gele zwartoog zijn de zwarte ogen. Dit in tegenstelling tot de ino-mutanten die in het geheel geen melanine bezitten en rode ogen hebben.
De gele zwartoog vererft evenals de pastelvorm autosomaal en is recessief ten opzichte van de wildkleur.
Genetisch symbool: adec (meervoudig allel van a); wildvorm a+
Beschrijving gele zwartoog
Voorhoofd donkeroranjerood. Op de kruin donkeroranje en vandaar naar de nek geleidelijk overgaand in diepgeel. Wangen, bef en bovenborst donkeroranje. Tussen de oranjerode wangen en de diepgele nekkleur bevindt zich een oranjegele overgangszone. Algemene lichaamskleur diepgeel. Grote vleugelpennen iets lichter geel. Stuit en bovenstaartdekveren wit. De diepgele secundaire staartpennen tonen een oranjerode dwarstekening; staarttippen wit. Snavel koraalrood met aan de basis een witte snavelriem. Ogen donkerbruin, omgeven door een witte ring van washuid.
Deze mutatie vererft autosomaal en is zoals de naam al aangeeft recessief ten opzichte van de wildkleur
Genetisch symbool: s; wildvorm s+
De mutatie verhindert plaatselijk de melaninevorming in de bevedering. De bontvorming beperkt zich tot de groene lichaamsbevedering en de vleugel- en staartpennen. De kleur van het masker en de stuit wordt dus niet aangetast. Het uiterlijk van varieert van enkele gele veertjes tot een voor 99% bonte vogel. Het is duidelijk dat, wanneer we met deze kleurslag iets willen bereiken, het noodzakelijk is volgens een bepaalde richtlijn te werk te gaan. In beginsel hebben we twee mogelijkheden. De eerste mogelijkheid is dat we ons toeleggen op de fok van symmetrisch getekende bonten. De andere is te trachten via selectieve fok te komen tot zuiver gele vogels. Alle andere vormen van bontkweek leiden tot niets.
Beschrijving recessief bont
Voorhoofd, bovenschedel en masker als de wildvorm. Algemene lichaamskeur als de wildvorm, doch onderbroken door gele veervelden. Slagpennen normaal of bont (bleekgeel). De variabiliteit van het bontpatroon is zoals bij alle bekende bontmutaties zeer groot. Zover thans bekend wordt de stuitkleur en de kleur van de bovenstaartdekveren door deze mutatie niet aangetast. De poten zijn grijs of vleeskleurig en de nagels variëren van donkergrijs tot hoornkleurig.
Deze mutatie - men spreekt ook wel eens van spangle - is van vrij recente datum. Deze mutatie veroorzaakt op de vleugels een soort schubeffect als gevolg van de gezoomd aandoende vleugeldekveertjes. Deze mutatie vererft autosomaal en is onvolledig dominant ten opzichte van de wildvorm. Men spreekt daarom dan ook van enkel en dubbelfactorig gezoomd.
Genetisch symbool voor deze mutatie E (edged = gezoomd); wildvorm E+
Beschrijving gezoomd lichtgroen
Voorhoofd, bovenschedel en masker als de wildvorm. De algemene lichaamskleur is groen; op onderborst, buik, flanken en anaalstreek geelachtig groen; mantel donkergrasgroen. Het vleugeldek toont een schubeffect als gevolg van de gezoomde vleugeldekveertjes. In de vleugelbocht bevindt zich een smalle, gele vleugelrand. Grote vleugelpennen grijs met groene buitenvlag. Stuit en bovenstaartdekveren grijsachtig violet, waarbij het violet overheerst; onderstaartdekveren geelachtig groen. Van de grote staartveren, die bijna geheel door de boven- en onderstaartdekveren bedekt worden, tonen de primaire staartveren groen, de secundaire staartveren tonen gerekend vanaf de basis een oranjerood-grijszwarte dwarstekening; staarttippen dof hemelsblauw. Snavel koraalrood met aan de basis een witte snavelriem. Ogen bruin, omgeven door een witte ring van washuid. Voor het overige als de wildvorm.
De blauwe fischeri is al geruime tijd bekend. Deze mutatievorm trad volgens Schwichtenberg (1969) in 1964 voor het eerst op in het voormalige Tsjecho-Slowakije. Volgens De Grahl (1973/74) is deze mutatie ook in de USA opgetreden. Of er van deze mutaties nog nazaten bestaan is niet bekend.
Genetisch symbool voor de blauwfactor: bl; wildvorm bl+
Algemeen bekend is wel, dat de blauwe fischeri zoals we die thans kennen een transmutatie is van de personata en via bastaardering naar de fischeri is overgebracht. Hoe dan ook, de blauwe fischeri ziet er als volgt uit.
Beschrijving hemelsblauw
De voorhoofdband is zuiver wit, bovenschedel lichtgrijs in de nek geleidelijk overgaand in een iets donkerder grijze kleurnuance. Wangen zuiver wit, overgaand in lichtgrijs. Bef tot aan de kleurscheiding op de bovenborst zuiver wit. Algemene lichaamskleur hemelsblauw; mantel en vleugeldek meer donkerhemelsblauw. Het vleugeldek doet enigszins gehamerd aan. In de vleugelbocht bevindt zich een smalle witte rand. Stuiten en bovenstaartdekveren violet. Grote vleugelpennen donkergrijs. Van de grote staartveren tonen de primaire staartveren hemelsblauw, de secundaire staartveren tonen gerekend vanaf de basis een wit-zwarte dwarstekening; staarttippen dof hemelsblauw. Snavel hoornkleurig met aan de basis een witte snavelriem. Ogen donkerbruin, omgeven door een witte ring van washuid. De poten zijn grijs; nagels donkergrijs.
Slaty
Deze mutatie ontstond weliswaar bij de fischeri, maar kwam tevoorschijn uit de kruising van een DD-blauw (mauve) fischeri en een D-groen (donkergroen)/blauwe fischeri. Beide oudervogels zijn genetisch niet raszuiver. Immers zowel de blauwfactor als de donkerfactoren stammen van de personata. Hieruit volgt dat ook de slaty niet als een raszuivere fischeri aangemerkt kan worden.
De slaty-factor veroorzaakt een verandering van de veerstructuur waardoor de melkwitachtige kleur van de keratine waaruit de veer is opgebouwd vrijwel geheel doorzichtig wordt met als gevolg dat in combinatie met de blauwfactor een leiblauwachtige verschijningsvorm ontstaat. In de baarden van de bevedering wordt een geringe toename van melanine aangetroffen, maar nog onduidelijk is of dit veroorzaakt wordt door de slatymutatie dan wel het gevolg is van het bastaardkarakter van deze verschijningsvorm.
De mutatie vererft autosomaal en is dominant ten opzichte van de wildvorm. Genetisch symbool: Slt, wildvorm Slt+
Behalve de al genoemde mutatievormen kennen we nog de ino-fischeri. Ook de donkerfactoren zijn bij de fischeri al niet nieuw meer. Hierbij gaat het echter niet om mutaties bij de fischeri zelf, maar om mutaties die bij andere agapornidensoorten zijn opgetreden en via bastaardering in de fischeri zijn gefokt. De ino-mutatie bijvoorbeeld is afkomstig van de Agapornis lilianae, terwijl de donkerfactoren afkomstig zijn van de Agapornis personatus. E.e.a. werd mogelijk toen bleek dat de bastaarden van de 'witte oogringgroep' vruchtbaar zijn.
Persoonlijk ben ik met deze gang van zaken niet gelukkig. Nu al zien we talrijke personata's, fischeri’s, lilianae's en nigrigenissen die niet raszuiver zijn. Op den duur zal het ertoe leiden dat er nauwelijks nog raszuivere agaporniden van de 'witte oogring groep' te krijgen zullen zijn.