9. AGAPORNIS PERSONATUS

 

 

Deze populaire agapornidensoort werd in 1877 door Dr. G. A. Fischer ontdekt en in 1887 door Reichenow beschreven. In 1925 vertrokken de eerste exemplaren naar de USA. Twee jaar later werden ze voor het eerst in Europa geïmpor­teerd. Het eerste broedresultaat ter wereld dateert van 1926 en staat op naam van K.V. Painter, Cleveland, USA. In 1928 boekte Rambausek, Duitsland succes, gevolgd door Stäger, Zwitserland. In datzelfde jaar worden ook fokresultaten met de personatus vanuit Engeland en Australië gemeld.

Er zijn geen ondersoorten.

 

Woongebied

Noordoost-Tanzania, van het Manyarameer zuidwaarts tot aan het Iringagebergte. Rondom Dar es Salaam en Tanga, Nairobi en Mombassa door de mens verspreid. In het bijzonder in deze gebieden komen volgens meldingen van Fry, Keith en Urban (1988) bastaardvormen met de Agapornis fischeri voor.

 

Soortbeschrijving Agapornis personatus

Formaat: 14,5 cm.

Man en pop: kop, wangen en kin glanzend zwart op de achterkop overgaand in dof olijfbruin. Om de gehele hals, van voren uitlo­pend tot op de bovenborst, loopt een diepgele kraag. Bij veel vogels zien we dikwijls bij de kleurscheiding achterkop-nek en bef-borst een smalle oranje overgangszone. (In de kleurstandaard agaporniden van verschillende vogelbonden is deze oranje overgangszone niet toegestaan). Algemene lichaamskleur groen; vleugeldek en man­tel donkergrasgroen. Het vleugeldek doet enigszins gehamerd aan. In de vleugelbocht bevindt zich een smalle gele vleugelrand. Onderborst, buik, flanken en anaalstreek geelachtig groen. De grote vleugelpennen zijn donkergrijs met groene buitenvlag; ondervleugeldekveren grijsachtig blauw en groen. Stuit en bovenstaartdekveren tonen mauvekleurig op een groene ondergrond; onderstaartdekveren geelachtig groen. Van de grote staartveren, die bijna geheel door de boven- en onderstaartdekveren bedekt worden, tonen de primaire staartveren groen, de secundaire staartveren tonen gerekend vanaf de basis een oranjegeel-zwarte dwarstekening; de uiteinden van zowel de primaire als de secundaire staartveren zijn bleekgroen. Snavel rood, met aan de snavelbasis een witte snavelriem. Ogen donkerbruin, omgeven door een witte ring van washuid. Poten grijs; nagels donkergrijs.

 

Biotoop

De Agapornis personatus is een bewoner van spaarzaam met acacia's, apenbroodbomen en kreupelhout begroeid grasland. Het voedsel bestaat overwegend uit graszaden en bessen zodat ze een groot deel van de dag op de grond doorbrengen. Hun levensgewoonten tonen veel overeenkomst met die van de Agapornis fischeri. De broedtijd valt tussen maart en augustus. Ze broeden doorgaans in holten van apenbroodbomen. Er zijn ech­ter ook broedsels gevonden in oude zwaluwnesten en - in ontgonnen gebieden - in holten van gebouwen. De nestbouw is geheel analoog aan die van de fischeri. Nestgrootte 4-6 eieren. Na de broedtijd vormen personata's grote groepen die gezamenlijk rondtrekken.

 

Huisvesting en verzorging

Hoewel personata's in bepaald opzicht iets minder sterk zijn dan de fischeri's kunnen ze, mits een vorstvrij nachthok aanwezig is, het gehele jaar door buiten gehouden worden. Gelukkig kunnen we beschikken over in gevangenschap gefokte vogels die aan ons klimaat gewend zijn. Importen verkregen uit wildvang zijn overigens sinds 15 december 1997 niet meer toegestaan. Dat deze soort zwakker is dan de fischeri ligt meer in het psychische vlak. Personata's en in het bijzonder de mutatievor­men zijn namelijk nogal stressgevoelig. Spanningen veroorzaakt door bijvoorbeeld het onhandig uitvangen, heeft menige perso­natus het leven gekost. Indien we deze vogels uit moeten vangen, dienen we onnodig gejaag te voorkomen. Voorts moeten we de vogels niet langer in de hand nemen dan strikt noodzakelijk.

Een gunstige eigenschap van de personatus is dat ze doorgaans aanmerkelijk minder agressief zijn dan de fischeri.

Ofschoon het steeds aanbeveling verdient agaporniden paars­gewijs te huisvesten, kan men in een ruime volière meerdere paren personata’s samen houden, vooropgesteld dat we vol­doende broedblokken ter beschikking stellen; tenminste 2 broedblokken per koppel. Het paarsgewijs houden van personata's in broedkooien of kleine volières heeft zonder meer de voorkeur.

Wat betreft de voeding verwijs ik naar het hoofdstuk over dit onderwerp.

 

Fok

Als nestmateriaal nemen personata's het liefst de schors van wilgentakken, maar ook de dunne twijgen zelf en het blad worden voor het nest gebruikt. Het nestmateriaal wordt door de pop in de snavel aangevoerd. De bouw van het nest begint met de aanleg van de nestbodem. Vervolgens wordt de voorkant gebouwd, daarna het plafond en de achterkant. Tenslotte wordt de nestholte bekleedt met fijn geknaagde schorsstukjes. Dit bouwgedrag zien we bij alle agaporniden van de 'witte oogringgroep'.

De eieren worden om de andere dag gelegd; nestgrootte 3 - 6 eieren, gewoonlijk 5 à 6. Als regel begint het broeden na het leggen van het tweede ei. De pop broedt alleen en komt gedurende die tijd slechts sporadisch van het nest; broedduur 22 dagen. De man voert de pop op het nest. 's Nachts houdt de man de pop in het nest gezelschap, overdag zelden.

Als de jongen uitkomen hebben ze oranje­rood nestdons dat naar mate ze ouder worden in donkergrijs verandert. Op een leeftijd van ongeveer 9 dagen kunnen de jongen geringd worden; ringmaat 4,5 mm. Op de tiende dag openen de jongen de ogen. Enkele dagen later is ook het nestdons geheel in donkergrijs veranderd. Ongeveer een maand na het uitkomen van de eieren zitten de jongen geheel in de veren. Na het uitvliegen - gemiddeld na ongeveer 40 dagen - worden de jongen nog ongeveer 14 dagen gevoerd. Zodra ze zelfstandig geworden zijn, dienen we ze bij de ouders weg te halen. De oudervogels kunnen dan onge­stoord aan een volgend legsel beginnen.

Jonge personata's lijken op hun ouders, maar zijn doffer van kleur. De kopkleur is bruin­achtig zwart. Op de bovensnavel bevindt zich een zwarte vlek.

De jeugdrui begint op een leeftijd van ongeveer 3 maanden en neemt een maand of vier in beslag. In deze periode zijn de vogels gevoeliger voor allerlei aandoeningen dan buiten deze periode. Het beste is de jonge vogels in deze periode in een binnenvlucht te huisvesten.

 

Mutaties

De meest bekende mutatievorm van deze agapornidensoort is ongetwijfeld de blauwe (voorheen hemelsblauw genoemd). Deze mutatievorm, die al van 1927 dateert, werd in de vrije natuur gevangen en belandde van­daar in Engeland. Deze blauwe personatus werd aan een groene wildvorm gepaard. Uit dit paar verkreeg men tot 1929 tien wildkleurige nakomelingen die split voor blauw waren. In 1930 vielen uit de splitvogels de eerste blauwe vogels in gevangenschap. In 1935 verkreeg M. Morin (Frankrijk) uit split/blauw x split/blauw eveneens verschillende blauwe personata's. Kort daarna gingen de eerste splitblauwe personata's naar de USA, later ook naar Japan. Na de Tweede Wereldoorlog werden blauwe personata's op grote schaal gefokt, vooral in Japan.

De mutatie vererft autosomaal en is recessief ten opzichte van de wildkleur.

Genetisch symbool: bl; wildvorm bl+

 

Beschrijving blauw (voorheen hemelsblauw)

Kop, wangen en kin dofzwart. Kraag, welke door­loopt tot op de bovenborst, wit. Mantel en vleugeldek donkerhemelsblauw. Onderborst, buik, flanken en anaalstreek hemelsblauw. In de vleugelbocht bevindt zich een smalle witte vleugelrand. Primaire vleugelpennen donkergrijs met blauwe buitenvlag. Stuit en bovenstaartdekveren violet; onderstaartdekveren hemelsblauw. Van de grote staartveren tonen de primaire staartveren blauw, de secundaire staartveren tonen gerekend vanaf de basis een wit-zwarte dwarstekening; staarttippen bleek hemelsblauw. Snavel hoornkleurig. Voor het overige gelijk aan de wildvorm.

 

Pastel

Vrij algemeen bekend is ook de mutatie­vorm pastel. Bij de pastelvorm is sprake van een melaninereductie in de bevedering van ongeveer 50 procent.

De pastelvorm vererft autosomaal en is recessief ten opzichte van de wildkleur.

Genetisch symbool apa (meervoudig allel van a); wildvorm a+

 

Beschrijving pastel lichtgroen

Voorhoofd en bef oranjerood; achterhoofd en wangen oranjegeel met een olijfbruinachtig tintje, geleidelijk overgaand in de gele kleur van de kraag. Mantel en vleugeldek licht olijfachtig groen. Onderborst, buik, flanken en anaalstreek geelgroen. Grote vleugelpennen grijs met flets gele buitenvlag. Stuit en bovenstaartdekveren olijfgeel met een ietwat blauwachtig waas; onderstaartdekveren geelgroen. Van de grote staartveren tonen de primaire staartveren licht olijfachtig groen, de secundaire staartveren tonen gerekend vanaf de basis een oranjegeel-grijze dwarstekening; staarttippen geelgroen. Poten variërend van lichtgrijs tot vleeskleurig; de nagels variëren van lichtgrijs tot hoornkleu­rig. Voor het overige gelijk aan de wildvorm.

 

 

De donkerfactoren

Net als bij de Agapornis roseicollis kennen we bij de Agapornis personatus verschillende donkernuances in de kleur. Behalve de groene wildvorm, zijn dat de kleuren D-groen (voorheen donkergroen) en DD-groen (voorheen olijfgroen). Deze kleurnuances worden veroorzaakt door veranderingen van de baardstructuur als gevolg van een erfelijke factor, de zogenaamde donkerfactor. De donkerfactor vererft autosomaal en is dominant over de wildfactor. Of anders gezegd de donkerfactor is dominant over het ontbreken ervan. Een groene kan daarom nooit split zijn voor D-groen of DD-groen. De donkerfactor is dus zichtbaar of ontbreekt. De wildvorm personatus bezit geen donkerfactoren, vandaar de kleurbenaming groen. De D-groene personatus bezit één donkerfactor, de DD-groene heeft twee donkerfactoren. Door het inkruisen van de donkerfactor kennen we in de blauwserie behalve de blauwe thans ook de kleurslagen D-blauw (voorheen kobaltblauw) en DD-blauw (voorheen mauve).

In de pastelserie: groenpastel, D-groenpastel en DD-groenpastel alsook blauwpastel, D-blauwpastel en DD-blauwpastel.

De enkele donkerfactor in combinatie met de blauwfactoren en de violetfactor (zie hierna) resulteert in de zichtbare violet.

Genetisch symbool voor de donkerfactor: D; wildvorm D+

 

Violet

Deze mutatie vererft autosomaal en is onvolledig dominant over de wildvorm.

Genetisch symbool V; wildvorm V+

De violetfactor veroorzaakt een verandering in de baardstructuur van de bevedering waardoor in samenwerking met de blauwfactor en één donkerfactor de algemene lichaamskleur een diep violette kleur aanneemt. De violetkleur bij de personatus wordt in wezen veroorzaakt door een combinatie van drie erfelijke factoren.

1. De blauwfactoren, die de vorming van het psittacine beletten.

2. De enkele donkerfactor (één donkerfactor), die verantwoordelijk is voor

   de juiste diepte van de sponszone in de veren.

3. De violetfactor, die een gewijzigde melaninegroepering en tevens een

   gewijzigde structuur van de sponszone veroorzaakt.

 

De violetfactor heeft de sterkste werking (meest zichtbare effect) als deze dubbel wordt ingefokt. De blauwe personatus met ingefokte violetfactor en de DD-blauwe personatus met ingefokte violetfactor zijn qua kleur weliswaar niet violet te noemen maar voor een geoefend oog wel als zodanig te herkennen.

 

Blauwe roodsnavel

Een nog uiterst zeldzame mutatievorm is de zogenaamde blauwe roodsnavel. Bij deze mutatie verandert net als bij de blauwe personatus de groene lichaamsbevedering in blauw en de gele veervelden in wit, maar blijft de rode kleur van de snavel behouden.

Deze mutatie vererft autosomaal en is recessief ten opzichte van de wildkleur.

 

Fallow

Inmiddels kennen we bij de personatus ook de fallow verschijningsvorm. Deze mutatie trad op in de USA. De fallow personatus is nog maar spaarzaam verkrijgbaar.

Kop en masker tonen bruin; de algemene lichaamskleur kan omschreven worden als olijfkleurig geel. Vleugelpennen bruinachtig geel getint. Oogkleur rood. Vermoedelijk gaat het bij de personatus om de zogeheten dun-fallow mutatie.

Alle fallow mutaties dus ook de dun-fallow vererven autosomaal en zijn recessief ten opzichte van de wildkleur.

Genetisch symbool: df; wildvorm df+

 

Slaty

Deze mutatievorm wordt veroorzaakt door een verandering van de baardstructuur. De Slaty factor vererft autosomaal en is dominant ten opzichte van het ontbreken van de slatyfactor. In combinatie met de blauwfactor toont de algemene lichaamskleur leiblauwachtig. De slatyfactor kan zowel enkelfactorig (EF)als dubbelfactorig aanwezig zijn.

Genetisch symbool: Slt; wildvorm Slt+

 

Overige kleurslagen

De laatste jaren is er sprake van zogenaamde lutino en albino personata's: qua uiterlijk is dit volkomen correct, doch dit zijn geen mutatievormen van de personata maar van de Agapornis lilianae. Door middel van bastaardering heeft men de recessieve ino mutatie van de lilianae overgebracht naar de personatus. In het hoofdstuk 'Bastaarden' kom ik nader op deze zaak terug.

 

H.W.J. van der Linden