11. AGAPORNIS NIGRIGENIS

 

 

Deze kleurrijke agapornide werd pas in 1904 door dr. Kirkman ontdekt. De wetenschappelijke beschrijving volgde in 1906 door Sclater. In 1907 al vrij vlug nadat ze ontdekt waren, kwamen de eerste zendingen naar Europa door Fockelmann, Hamburg. Spoedig genoten ze een grote populariteit. Het eerste foksucces wereldwijd met deze soort was in 1908 en staat op naam van de Engelsman R. Philips.

Er zijn geen ondersoorten.

 

Woongebied

Zuidwest-Zambia, langs de bovenstroom van de Zambesi-rivier oostelijk tot aan Livingstone in het noorden tot aan Senanga en in het Kafue Nationaalpark tot aan de Victoria watervallen, Noordoost-Namibië, Noordoost-Botswana, West-Zimbabwe.

 

Soortbeschrijving Agapornis nigrigenis

Formaat: 13,5 cm.

Man en pop: miniem bruinachtig zwart voorhoofdsbandje, voorhoofd verder roestbruin overgaand in donkerbruin op kruin, achterhoofd en nek olijfgroenbronskleurig. De wangen zijn aan de voorzijde bruinachtig zwart, geleidelijk overgaand in donkerbruin richting oorstreek. De kinstreek is bruinachtig zwart; bovenborstvlek zalmkleurig, richting halszijden overgaand in bronsgroen. Algemene lichaamskleur groen. Onderborst, buik, flanken en anaalstreek geelachtig groen. Mantel en vleugeldek donkergrasgroen, het vleugeldek doet ietwat gehamerd aan. In de vleugelbocht is de kleur een nuance lichter. Stuit en bovenstaartdekveren grasgroen; onderstaartdekveren geelachtig groen. Grote vleugelpennen donkergrijs met groene buitenvlag. De primaire staartpennen zijn groen de secundaire staartpennen tonen een oranjegeel-zwarte dwarstekening en groene staarttippen. Snavel koraalrood, naar boven toe overgaand in dieproze met aan de basis een witte snavelriem. Ogen donkerbruin met een opvallend duidelijk zichtbare pupil, de ogen omgeven door een witte ring van washuid. Poten grijs; nagels donkergrijs.

 

 

Biotoop

Deze meest streekgebonden vertegenwoordiger van het genus Agapornis bewoont de met loofhout, vooral acacia's, begroeide dalen en het open grasland langs de bovenstroom van de Zambesi-rivier. Ze leven in kolonieverband; gewoonlijk in kleine groepen van ongeveer 20 stuks, soms grotere groepen van zo'n 100 stuks.

Ze komen weinig op de grond. Verschillende keren per dag trekken ze naar het water om zich te baden. Hun voedsel bestaat uit allerhande zaden, vruchten bessen, en bladknoppen. Het natuurlijke broedseizoen valt tussen oktober en december, in de streek rond de Victoria watervallen mogelijk al vanaf september. Ze nestelen in boomholtes en in wevernesten. Ook zijn er nesten gevonden onder de daken van hutten van de inlandse bevolking. De nestbouw komt overeen met die van de fischeri, personata en lilianae.

 

Huisvesting en verzorging

De nigrigenis is een zeer actieve vogel, die zomer en winter buiten gehouden kan worden, mits een nachtverblijf aanwezig is, waarin de temperatuur tenminste enkele graden boven het vriespunt blijft. Indien men voor koloniebroed kiest dient men minimaal 1 vierkante meter volière oppervlakte per kweekkoppel aan te houden. Bij volièrebroed minimaal 2 broedblokken per koppel verstrekken, dit laatste om kibbelpartijen zoveel mogelijk tegen te gaan.

Wat betreft de voeding verwijs ik naar het hoofdstuk hieromtrent. Deze vogels baden graag, zorg er daarom voor dat ze dit ook steeds kunnen.

 

Fok

In het verleden werden deze agaporniden in grote aantallen ingevoerd en tegen lage prijzen aangeboden. Omdat ze zo goedkoop waren, nam men nauwelijks de moeite er mee te fokken. Door dit verzuim en het feit dat de invoer lange tijd praktisch stil heeft gelegen, was de soort niet altijd verkrijgbaar. Doordat de vogels goede broedvogels blijken te zijn, hoeven we thans niet bang meer te zijn dat ze voor de vogelliefhebberij verloren gaan.

Hoewel door hun zachtmoedig karakter koloniebroed in de volière tot de mogelijkheden behoort, is het beter de paartjes apart in kleine volières of broedkooien te laten broeden. Deze vogels slapen het liefst in nestkasten of broedblokken. Als nestmateriaal moeten we verse wilgentakken verstrekken. De nestbouw is geheel gelijk aan die van de fischeri, de personata en de lilianae. De eieren worden om de andere dag gelegd en door de pop uitgebroed. De broedtijd begint na het leggen van het tweede ei en duurt ca. 22 dagen. Tijdens deze periode wordt de pop door de man op het nest gevoerd. De pop verlaat het nest alleen voor het doen van haar behoefte. Als de jongen uitkomen hebben ze oranjerood nestdons dat naarmate ze wat ouder worden donkergrijs wordt. Op de leeftijd van negen dagen kunnen ze gering worden; ringmaat 4,5 mm. Na een nesttijd van ongeveer 40 dagen vliegen de jongen uit. Daarna worden ze nog ongeveer veertien dagen door de man gevoerd.

Zodra ze zelfstandig eten, begint de man zich vaak onhebbelijk tegenover zijn kroost te gedragen. Een teken dat de oudervogels aan een volgend legsel willen beginnen.

De jongen lijken veel op de ouders, maar de kleur is iets matter. Ogen lichtbruin. Op de bovensnavel bevindt zich een zwarte vlek.

 

Mutaties

Bij de nigrigenis zijn een tweetal mutaties opgetreden. In beide gevallen gaat het om verschijningsvormen waarbij de kleur van het masker en de algemene lichaamskleur is opgebleekt. De mutant die de minste opbleking van masker- en lichaamskleur laat zien, noemt men misty; deze mutatie vererft autosomaal en is onvolledig dominant ten opzichte van de wildvorm.

Genetisch symbool: Mt; wildvorm Mt+

Bij de andere verschijningsvorm gaat het om een melaninereductie van ongeveer 80 à 90 procent, deze noemt men overgoten. De vererving van deze mutatie is autosomaal recessief.

Genetisch symbool: su; wildvorm su+

 

Andere kleurslagen

De zogenaamde donkergroene, olijfgroene, hemelsblauwe, kobaltblauwe en mauvekleurige nigrigenis is door bastaardering met de personata ontstaan. Of we met deze gang van zaken blij moeten zijn is nog maar de vraag. Nu al zijn veel nigrigenissen al niet meer raszuiver. Te vrezen is dat er op den duur geen raszuivere nigrigenissen meer te krijgen zullen zijn.