14. De VOEDING
Een van de kenmerken
van levende wezens is dat ze zich voeden. Hierbij nemen ze stoffen op die ze
nodig hebben om in leven te blijven, zich voort te planten en te groeien. Elk
organisme is vrij sterk gespecialiseerd in zijn behoefte wat betreft de
voedselvoorziening. Sommige micro-organismen leven volledig zonder organisch
voedsel. Naarmate de levensvormen ingewikkelder worden, blijken ze steeds
afhankelijker te worden van hun voeding ten einde de organische bouwstenen te
leveren benodigd voor de opbouw van levend weefsel.
Een plant produceert
uit louter kooldioxide, water en bepaalde anorganische zouten uit de bodem zijn
eigen bouw- en bedrijfsstoffen. De vogels en verreweg de meeste dieren zijn
hiertoe niet in staat; ze missen eenvoudig de enzymen die nodig zijn om de
benodigde eiwitten, vetten en koolhydraten uit anorganisch materiaal te maken
en zijn voor hun bouw- en bedrijfsstoffen direct of indirect afhankelijk van
het groene plantenrijk.
Vrijwel alle dieren
hebben behalve bouw- en bedrijfsstoffen nog bepaalde aanvullende
voedingsstoffen nodig voor het juiste verloop van de verschillende
fysiologische en psychologische processen in het organisme. Men noemt deze
stoffen vitaminen. Het zijn organische verbindingen die eveneens door het plantenrijk
worden opgebouwd. Vitaminen zijn in kleine hoeveelheden een werkzaam middel bij
de diverse levensprocessen en komen daarom niet voor energielevering of als
bouwstof in aanmerking. Gebrek of een tekort aan vitaminen uit zich in een
ziektebeeld dat karakteristiek is voor de ontbrekende vitamine.
Voorts, zo heeft men
proefondervindelijk vastgesteld, vervullen een groot aantal anorganische
elementen een functie in het dierlijk lichaam. Ze worden onder de verzamelnaam
mineralen samengevat. Mineralen zijn onmisbare bouwstoffen voor het skelet,
voor groei en opbouw van nieuw te vormen en te vervangen cellen, en bouwstenen
van ingewikkelde verbindingen als rode bloedkleurstof, enzymen en hormonen. Ook
een chronisch tekort aan mineralen komt tot uiting in bijzondere, voor de
afzonderlijke mineralen karakteristieke gebreksziekten en een algemene remming
van de ontwikkeling en een vermindering van de weerstand.
Wanneer we bedenken
dat ongeveer 60% van het vogellichaam uit water bestaat, dat de
gewichtshoeveelheid van spieren en sommige organen voor 70 tot 80% water is en
dat een verlies van 10% water tot ernstige stoornissen leidt en een verlies van
ongeveer 20% tot de dood, dan is het duidelijk dat water essentieel is voor een
normaal celmetabolisme en tot een wezenlijk bestanddeel van het voedselpakket
behoort.
Vatten we nu de
grondstoffen waaruit het voedsel moet bestaan nog eens samen: eiwitten, vetten,
koolhydraten, vitaminen, mineralen en water. In een doodgewone boterham zijn al
deze componenten in beperkte mate vertegenwoordigd.
De voedingsleer
maakt onderscheid tussen voedingsstof en essentiële voedingsstof. Een
voedingsstof is een chemisch definieerbaar bestanddeel van een voedingsmiddel,
dat voor de instandhouding, de levensverrichtingen en de opbouw van het
organisme kan worden gebruikt, onverschillig of het bestanddeel al dan niet in
voldoende hoeveelheid in het metabolisme kan worden gemaakt. Een essentiële
voedingsstof kan niet of in onvoldoende hoeveelheden in het lichaam worden
gemaakt. Essentiële voedingsstoffen moeten dus in de vorm van voedsel aan de
vogels worden verstrekt. Of een voedingsstof essentieel is, is vrij eenvoudig
na te gaan. Veel gecompliceerder is het vaststellen van de voedingsbehoefte,
d.w.z. hoeveel het organisme van iedere essentiële voedingsstof nodig heeft.
Niet alleen is de voedingsbehoefte voor elk individu verschillend, ook de
manier waarop de vogels gehuisvest zijn speelt hierbij een voorname rol. Zo
heeft een vogel in een grote vlucht een hoger energieverbruik en dus een andere
voedingsbehoefte dan een vogel die in een broedkooi gehouden wordt. Ook de
broed-, rui- en rustperiode evenals het klimaat zijn van invloed bij de
bepaling van de voedingsbehoefte. Sommige stoffen kunnen in het organisme
opgeslagen worden, andere stoffen beïnvloeden elkaar op chemische wijze zodat
ook hier de behoefte veranderlijk is. Als we ons het vorenstaande realiseren,
is het begrijpelijk dat we ons bij het samenstellen van een verantwoorde
voeding moeten richten naar de gemiddelde behoefte.
Om te beginnen
dienen we onze vogels een kwalitatief goed zaadmengsel voor te zetten. Om
zoveel mogelijk van een constante samenstelling van het zaadmengsel verzekerd
te zijn, meng ik de zaden zelf. De ervaring heeft geleerd dat de meeste zaadleveranciers
bepaalde zaden in de mengsels reduceren of zelfs geheel weglaten als de prijzen
op de wereldmarkt daar aanleiding toe geven. Dit zou nog niet zo erg zijn als
daar een vervangende zaadsoort met een gelijkwaardige samenstelling tegenover
stond. In de regel wordt hier echter niet naar gekeken.
Als zaadmengsel
tijdens de rustperiode meng ik de volgende zaden in de aangegeven percentages
door elkaar:
24% La Plata millet
5% Senegalgierst
5% Japans millet
5% rode dari
5% grove witte dari
15% witzaad
8% boekweit
5% padi (ongepelde rijst)
8% haver (gepeld)
3% tarwe (gebroken)
2% zonnebloempitten
5% saffloerpitten
5% lijnzaad
3% hennep
2% negerzaad
Van dit mengsel zijn
de eerste tien zaden, dus ruim 90%, zeer koolhydraatrijk, de overige zaden, te
weten zonnebloempitten, saffloerpitten, lijnzaad, hennep en negerzaad,
bijzonder vetrijk. In dit zaadmengsel zijn met uitzondering van het aminozuur
lysine, alle overige essentiële aminozuren in voldoende mate aanwezig.
Liefhebbers die hun vogels uitsluitend in kooien houden, raad ik aan het
percentage vetrijke zaden iets te verlagen en de hoeveelheid La Plate millet
met hetzelfde percentage te verhogen, daar anders de kans bestaat dat de vogels
op den duur te vet worden.
Zaadmengsel
gedurende de fok- en ruiperiode:
12% La Plata millet
3% Senegalgierst
3% Japans millet
2% rode dari
2% grove witte dari
30% witzaad
12% boekweit
5% padi (ongepelde rijst)
10% haver(gepeld)
2% tarwe (gebroken)
2% zonnebloempitten
5% saffloerpitten
7% lijnzaad
3% hennep
2% negerzaad
Zaadmengsel in de
aanloop naar de broedperiode:
15% La Plata millet
5% Senegalgierst
5% Japans millet
4% rode dari
4% grove witte dari
20% witzaad
10% boekweit
5% padi (ongepelde rijst)
10% haver(gepeld)
3% tarwe (gebroken)
2% zonnebloempitten
5% saffloerpitten
5% lijnzaad
5% hennep
2% negerzaad
Zaadmengsel voor
opgroeiende jongen:
15% La Plata millet
5% Senegalgierst
12% Japans millet
2% rode dari
2% grove witte dari
40% witzaad
2% boekweit
2% padi (ongepelde rijst)
6% haver(gepeld)
1% tarwe (gebroken)
2% zonnebloempitten
2% saffloerpitten
5% lijnzaad
1% hennep
3% negerzaad
Het zal u niet zijn
ontgaan dat in de opgegeven zaadmengsels steeds dezelfde zaadsoorten voorkomen.
Dit is gedaan om ontwenning van bepaalde zaadsoorten te voorkomen. Als men
namelijk een bepaalde zaadsoort gedurende een bepaalde periode in het
zaadmengsel weglaat, loopt men het risico dat de vogels het niet meer willen
opnemen als men het in een volgende periode weer aan de samenstelling toevoegt.
Zoals ik hierboven
al schreef, is de voedingsbehoefte van onze vogels van veel factoren
afhankelijk. Het zal - naar ik hoop - dan ook duidelijk zijn dat u de door mij
opgegeven zaadmengsels niet klakkeloos kunt overnemen, zeker niet wat betreft
de procentuele verhoudingen van de zaden in de mengsels. De door mij opgegeven
percentages moet u zien als richtlijn. U dient ze dus zonodig aan de
voedingsbehoefte van uw vogels aan te passen. Raadpleeg daarbij de tabellen 7
en 8.
Afsluiten wil ik dit
gedeelte met de verschillende zaadsoorten in het kort aan u voor te stellen.
Fig.7
_______________________________________________________________
Gemiddelde waarde in
procenten_______
Zaadsoort re
rvet rc
ok as vocht
Ca P
_______________________________________________________________
Witzaad 15,1
6,1 5,3 56,0
4,7 12,8 0,05 0,55
Senegalgierst 11,1
3,7 8,9 59,8
3,8 12,7 0,03 0,32
Plata millet 11,1
3,7 8,9
59,8 3,8 12,7
0,03 0,32
Japanse millet 11,1 3,7
8,9 59,8 3,8
12,7 0,03 0,32
Dari 10,2 3,2
2,0 69,6 1,9
13,1 0,03 0,32
Boekweit 11,5
2,4 10,8 57,8
2,4 15,1 0,04 0,30
Haver (gepeld) 13,9 8,0 1,5
64,2 1,8 10,6
0,09 0,41
Padie 7,1
2,1 10,0 64,1
5,1 11,6 0,06 0,21
Hennep 19,5
32,1 16,9 18,0
4,8 8,7 0,81 0,76
Sesamzaad 20,9
50,0 4,5 13,6
5,4 5,6 1,30 0,72
Zonnepitten 14,9
29,8 26,9 17,5
3,1 7,8 0,18 0,45
Saffloorzaad 14,3
27,8 31,2 16,5
3,0 7,2
Lijnzaad 21,5
34,2 7,3 22,3
5,3 9,4 0,23 0,66
Negerzaad 20,7
42,2 13,5 13,1
3,9 6,6 0,43 0,65
Fig.8
Aminozuurpercentage in
het eiwit
_______________________________________________________________________
3,8 7,0 5,0 2,0 1,6 3,6 3,5 3,0 6,5 3,5 1,0 4,3 5,0 2,0
_______________________________________________________________________
Zaadsoort iso leu lys met cys m+c fen tyr f+t thr try
val arg his
_______________________________________________________________________
Witzaad 4,0
6,6 2,0 1,3 5,4 2,3 7,7
2,3 1,9 3,4 5,1
2,1
Senegalgierst 4,0 11,5
1,8 2,7 1,8 4,5 5,3 3,7 9,0 3,1 1,2 5,4 3,7 2,1
Plata millet 4,0 11,5 1,8 2,7 1,8 4,5 5,3 3,7 9,0 3,1 1,2 5,4 3,7 2,1
Dari 4,2 13,2 2,3 1,7 1,8 3,5 4,9 4,2 9,1
3,4 1,2 5,2 4,1
2,1
Japanse mil. 4,6 11,6 1,7 1,8 2,8 4,6 5,8 2,4 8,2 3,7 1,0 6,2 3,7 1,9
Boekweit 4,0
6,3 5,4 1,9 2,4 4,3 4,6 3,0 7,6 3,9 1,7 5,4 9,4 2,4
Haver 3,9
7,0 3,6 1,5 2,5 4,0 4,8 3,6 8,4 3,4 1,3 5,4 6,5 2,1
Tarwe 3,8
6,8 2,9 1,7 2,3 4,0 4,5 3,1 7,6 3,1 1,1 4,7 4,8 2,2
Padie 3,8
7,0 4,7 2,0 2,0 4,0 4,5 3,8 8,3 4,0 1,0 6,0 7,9 2,5
Hennepzaad 4,4
7,7 2,7 2,2 5,8 3,8 1,5 6,3 5,0 3,9
Saffloorzaad 4,8
7,3 3,7 1,1 1,6 2,7 4,2 2,8 7,0 3,6
5,7 10,1 2,8
Zonnepitten 4,4
6,5 3,4 2,2 1,7 3,9 4,5 2,6 7,1 3,6 1,4 5,0 8,1 2,4
Witzaad wordt ook
wel kanariezaad genoemd. Het behoort naast de verschillende milletsoorten tot
het meest gebruikte zaad in volièremengsels. Witzaad is een aan beide uiteinden
puntige zaadsoort met bruine zaadkern. Het witzaad behoort tot de familie van
de grassen. Het wordt voornamelijk verbouwd in de USA, Argentinië, Canada,
Zuid- en Oost-Europa en in Marokko.
Het beste witzaad
komt uit Marokko. Witzaad bevat een hoog eiwitpercentage. Het is rijk aan
leucine, arginine en tryptofaan, daarentegen is het arm aan lysine en ontbreekt
het aminozuur cystine geheel.
De prijzen voor
witzaad zijn sterk fluctuerend. Wanneer men over een goede opslagruimte
beschikt, is het raadzaam een voorraadje in te slaan als de prijs gunstig is.
Onder deze naam
wordt tegenwoordig het uit Argentinië afkomstige mannazaad (Argentijns geel
mohair) verkocht. Het eigenlijke Senegalgierst is al jaren niet verkrijgbaar.
Deze kleinkorrelige ronde gierstsoort wordt door agaporniden graag gegeten. De
zaden bevatten een redelijk eiwitpercentage en zijn rijk aan de aminozuren
leucine en fenylalanine, maar arm aan lysine, arginine en threonine. De andere
aminozuren zijn redelijk goed vertegenwoordigd.
Deze milletsoort is
qua korrel iets grover dan mannazaad, doch iets kleiner dan het bekende witte
millet. Hoewel de vogelliefhebber duidelijk verschil maakt tussen giersten en
milletsoorten, behoren ze wetenschappelijk gezien alle tot de korrelgewassen (Gramineaue).
Het aminozuurpatroon
van deze milletsoort komt overeen met dat van gierst.
Hoe men aan deze
naam gekomen is, is niet duidelijk. Japans millet komt namelijk niet uit Japan,
maar uit Australië. De korrel van deze milletsoort is ietwat hoekig. De kleur
van het zaad is grijsachtig lichtbruin en doet wat smoezelig aan. Het wordt
door de vogels echter graag gegeten. Japans millet is rijk aan de aminozuren
leucine, cystine, fenylalanine en valine en arm aan lysine, arginine,
methionine, tryptofaan en histidine.
Japans millet
behoort tot de duurdere milletsoorten.
Dari, ook wel
sorghum, milo, kaffer- of negerkoren genoemd, is een graansoort die tot de
gierstsoorten wordt gerekend. Dari heeft de grootte van hennepzaad. Het zaad is
afkomstig uit de warme streken van Australië, Azië, Afrika en Zuid-Amerika.
Men onderscheidt
drie soorten: witte, gele en roodbruine dari. Opvallend is dat men meer waarde
aan de lichtgekleurde dan aan de roodbruin gekleurde dari toekent. Wat
voedingswaarde betreft is er namelijk geen enkel verschil. Bovendien wordt de
roodbruine dari door agaporniden goed opgenomen. Dari kan met zijn
zetmeelgehalte wedijveren met tarwe. Het zaad heeft een gunstig aminozuurpatroon.
Het eiwit in dari heeft een buitengewoon hoog leucinegehalte.
Boekweit is geen
zaad maar een vrucht. Het is grijsachtig bruin van kleur en min of meer
driekantig van vorm. Van oorsprong is het een Aziatisch gewas. Tegenwoordig komt
veel boekweit uit Brazilië, Canada en China, maar ook in Nederland wordt het op
kleine schaal verbouwd. Boekweit is een goede eiwitbron en bezit een laag
vetpercentage. De koolhydraten bestaan uit zetmeel en een weinig suiker.
Boekweit is rijk aan de aminozuren arginine en lysine. Het wordt door
agaporniden graag gegeten.
Haver wordt vrijwel
overal in Nederland verbouwd. Het is een algemeen bekende graansoort. Gepelde
haver wordt verkregen door de haver van het kaf te ontdoen. Het wordt in vrijwel
alle zaadmengsels voor parkietachtigen gebruikt. Als vogelvoeding heeft het dan
ook een goede naam met een uitstekend gehalte aan zetmeel, eiwitten en vet.
Haver is arm aan lysine, maar bevat veel arginine, vitamine B, vitamine E,
kalium en fosfor.
Ook tarwe is een
algemeen bekende graansoort. Het wordt in Nederland dan ook vrijwel overal
verbouwd. Tarwe heeft een zetmeelgehalte van bijna 70 procent. De kiem van
tarwe bevat veel essentiële aminozuren en is rijk aan vitamine E. Tarwe is arm
aan lysine.
Padi is niets anders
dan ongepelde rijst. Voor meer dan de helft van de wereldbevolking is het de
voornaamste voedselbron. Het wordt vooral in Azië en Amerika verbouwd. Ook in
Italië en Zuid-Frankrijk wordt het tegenwoordig op bescheiden schaal verbouwd.
Padi is arm aan vet. Het bevat veel arginine terwijl het lysinegehalte in het
eiwit redelijk is.
Hennep is een uit
Midden-Azië afkomstige eenjarige vezelplant. Zijn bastvezels worden verwerkt
tot pakgaren, scheepstouw en grove weefsels, zijn zaden dienen o.a. tot
vogelvoer.
Daar uit de hars van
de hennepbloem hasj gewonnen wordt, is het in Nederland verboden hennep uit te
zaaien. De zaadjes hebben een bruinachtige kleur. De door ons gebruikte hennep
wordt ingevoerd uit Rusland, China, Chili en Libanon. Ook in Frankrijk wordt
hennep verbouwd. Hennep is bijzonder vetrijk en eiwitrijk. Het leucine- en
valine-gehalte in het eiwit is hoog, daarentegen ontbreken de aminozuren
cystine en tyrosine geheel.
De zonnebloem
behoort tot de familie der samengesteldbloemigen en komt van oorsprong uit
Noord-Amerika. De grote bloeiwijzen van de 2-3 m hoge planten zijn omgeven door
gele randbloemen en erg gewild als sierplant. Behalve dat worden zonnebloemen
ook om de oliehoudende zaden verbouwd. Er zijn verschillende soorten pitten:
witte, zwarte, grijs gestreepte en zwart gestreepte. De witte pitten komen uit
Kenia en Egypte, de zwarte uit Amerika, de gestreepte uit o.a. Argentinië, Canada,
Hongarije en China. Wat betreft de voedingswaarde is ertussen de verschillend
gekleurde zonnebloemzaden geen verschil.
Het zaad van de
zonnebloem behoort tot de vetrijke zaden. Het eiwit is rijk aan het aminozuur
arginine.
Dit zaad wordt ook
wel kardizaad genoemd. Saffloer wordt gerekend tot de distelachtigen. De
driekantige vorm van de pitten laten dit ook wel zien. Het wordt voornamelijk
verbouwd in de USA. Saffloerpitten behoren tot de vetrijke zaden. Het
aminozuurpatroon van het zaad is vrij gunstig, vooral het argininegehalte is
hoog. Het zaad is echter arm aan lysine en methionine + cystine, terwijl het
aminozuur tryptofaan geheel ontbreekt.
Lijnzaad is
afkomstig van de vlasplant en behoort tot de oliehoudende zaden. Het zaad heeft
een gunstig aminozuurpatroon, vooral het argininegehalte is hoog. Lijnzaad is
arm aan lysine.
De juiste benaming
voor deze zaadsoort is eigenlijk nigerzaad. Het is een wat onkruidachtig
aandoende plant met een distelachtige bloeiwijze en zaadvorming. De zaadjes
zijn grijszwart gekleurd. Negerzaad wordt voornamelijk in Ethiopië verbouwd,
daarnaast ook in India. Het zaad is bijzonder vetrijk en eiwitrijk en heeft een
gunstig aminozuurpatroon. Daarnaast bevat negerzaad behoorlijke hoeveelheden
calcium, fosfor en mangaan.
Zoals bekend, is een
zaadmengsel alléén onvoldoende. Zelf verstrek ik het gehele jaar door een in de
handel verkrijgbaar eivoer waaraan een extra dosis methionine en lysine is
toegevoegd. In de broed-, opfok- en ruiperiode geef ik dit ongelimiteerd,
d.w.z. zoveel de vogels willen opnemen. In de broedtijd is de hoeveelheid
natuurlijk sterk afhankelijk van het aantal jongen, maar komt in de praktijk
neer op ongeveer 25% van het dagrantsoen. In de zgn. rustperiode geef ik
hetzelfde eivoer, doch sterk gerantsoeneerd. Daarnaast verstrek ik dagelijks
een weinig groen of een kleine gift licht gekiemde granen als tarwe, haver,
gerst, dari alsook mungobonen. De vogels in de broedkooien en de pas
uitgevlogen jongen krijgen steeds in melk geweekt oud brood. Ook buiten het
broedseizoen geef ik het wel eens voor de afwisseling. Mijn vogels nemen dit
met graagte op en dit geeft mij tevens de mogelijkheid, indien nodig, hierbij
medicijnen e.d. te geven.
De meeste agaporniden
nemen af en toe graag een paar meelwormen. Zo niet, tracht uw vogels er dan aan
te wennen. Vooral in de broedperiode, als er jongen zijn, vormt dit dierlijke
eiwit een welkome aanvulling van het eivoer.
Eivoer dient als
aanvulling van groeistoffen, zoals aminozuren, vitaminen, mineralen en
sporenelementen, die in het zaadmengsel ontbreken. Het is dus zaak dat het
eivoer dat we gebruiken, de noodzakelijke aanvullingen op het zaadmengsel ook
daadwerkelijk bevat. De in de dierenspeciaalzaken verkrijgbare eivoeders zijn
vaak nogal verschillend van samenstelling, waarbij ook de eiwitgehaltes sterk
uiteenlopen. Ofschoon het eiwitgehalte in eivoer een niet te verwaarlozen
factor is, is vooral het aminozuurpatroon van belang. Nog te veel fokkers gaan
uitsluitend af op een hoog eiwitgehalte als bepalende factor voor een juiste
voeding. Deze zienswijze is onjuist. Een teveel aan voedingseiwitten kan
verteringsstoornissen waaronder darmstoornissen veroorzaken. De verteerbaarheid
wordt dan ongunstig beïnvloed. Een gunstig aminozuurpatroon is zonder meer
noodzakelijk. Aminozuren zijn immers de bouwstenen om eiwitten te vormen. Een
tekort aan een bepaald aminozuur kan de vorming van lichaamseigen eiwitten in
de weg staan. Fabrikanten, die van de kwaliteit van hun product overtuigd zijn,
geven op de verpakking niet alleen een beschrijving van de inhoud, maar ook een
duidelijke analyse. Daarnaast vermelden ze op de verpakking ook de
productiedatum of de datum tot wanneer het product wordt gegarandeerd. Een groot
nadeel van onverpakte eivoeders is, dat een analyse van het product veelal
ontbreekt en de productiedatum niet te achterhalen is.
De meeste
vogelhouders hechten buitengewoon veel waarde aan gekiemd zaad. Tot op zekere
hoogte is dat terecht. Gekiemd zaad is een waardevol groenvoer, licht
verteerbaar en rijk aan vitaminen, maar ook niet meer dan dat. Elke hogere
waardering is een overwaardering. Als we het nuchter bekijken, is dat ook wel
in te zien.
Gewoon zaad bevat
ongeveer 12% vocht. Wanneer we nu dat zaad een paar dagen in het water leggen
om te kiemen loopt het vochtgehalte op tot ongeveer 90%. Water, en zeker
leidingwater, bevat nauwelijks voedingsstoffen. Het is daarom niet logisch om
aan met water verzadigd zaad een hogere voedingswaarde toe te kennen dan aan
gewoon droog zaad. Integendeel, hoe hoger het vochtpercentage in het voer is,
des te lager de voedingswaarde van het voer wordt. Door het kiemproces wordt
bovendien energie verbruikt waarbij voedingsstofverliezen tot 25% kunnen ontstaan.
Geen sprake dus van kwaliteitsverhoging ten aanzien van de voedingsstoffen.
Een waarschuwing is
nodig tegen het verstrekken van ongelimiteerde hoeveelheden gekiemd zaad en de
onjuiste behandeling van te kiemen zaad. Verkeerd kiemen kan soms tot vergiftigingsverschijnselen
(nitrietvergiftiging) leiden. Dit laatste behoeft nadere uitleg.
Tijdens het normale
kiemproces, dus wanneer zaad op de akker wordt uitgezaaid, neemt de plant in
wording behalve water ook voedingstoffen uit de bodem op. De belangrijkste
voedingsstof voor planten is nitraat. Meststof uit de bodem wordt door
nitrietbacteriën omgezet in nitriet, vervolgens zetten nitraatbacteriën dit
nitriet om in nitraat. Een laag nitraatgehalte in de bodem resulteert in een
laag, een hoog nitraatgehalte in de bodem resulteert in een hoog nitraatgehalte
in het daarop groeiende product. Planten en dus ook hun zaden hebben steeds een
bepaald nitraatgehalte. Nitraten zijn echter niet giftig. Dat verandert als
nitraat omgezet wordt in nitriet. De omzetting van nitraat in nitriet is een
onderdeel van de stikstofkringloop bij planten. Onder bepaalde voorwaarden kan
in planten en zaden nitraat - uit nitriet verkregen - weer in nitriet omgezet
worden. Het nitriet komt terug in de bodem en wordt daar door nitraatbacteriën
opnieuw omgezet in nitraat en door dezelfde plant weer als voedsel opgenomen.
Er is dus sprake van een kringloop. Kiemen we nu zaad in water, dan kan nitriet
in het water komen zonder door nitraatbacteriën weer omgezet te worden in
nitraat. Het kringloopproces eindigt letterlijk in het water. De mogelijkheid
is dan aanwezig dat er een giftig mengsel ontstaat. Het onder ongunstige
omstandigheden laten kiemen van zaad, zoals bijvoorbeeld het kiemen in warm
water, kiemen op een verwarmde ondergrond en onvoldoende spoelen van het te
kiemen zaad, verhoogt de kans op nitrietvergiftiging. Wanneer u echter met deze
zaken rekening houdt en er naar handelt en daarnaast uw vogels slechts kleine
hoeveelheden gekiemd zaad verstrekt, hoeft u voor ongewenste verschijnselen
niet bang te zijn.
Over de waarde van
groenvoer en de verstrekking ervan aan onze vogels wordt in het wereldje van
vogelfokkers verschillend gedacht. Persoonlijk vind ik het een goede zaak,
naast een weinig gekiemd zaad ook regelmatig wat groenvoer te geven en dat niet
alleen omdat de vogels het graag opnemen, maar vooral om de vitaminen,
mineralen en sporenelementen die het bevat.
Naast sla, andijvie,
peterselie, wortel en allerhande soorten fruit als appel, peer, pruim en druif,
komen nog een hele reeks wilde planten in aanmerking. Groenvoeders en
onkruidzaden, die door agaporniden graag gegeten worden zijn: vogelmuur, paardebloem,
duizendblad, grote weegbree, smalle weegbree, perzikkruid, uitstaande melde,
veldzuring, ridderzuring, herderstasje, kruiskruid, bijvoet en allerlei
grassen. Naast genoemde onkruiden zijn halfrijpe haver en tarwe in de aar en
verse maïskolven uitstekende groenvoeders. Ook rozenbottels en lijsterbessen
worden veelal graag genomen. Wist u overigens dat u halfrijpe kolfmaïs,
rozenbottels en lijsterbessen in de diepvrieskist uitstekend kunt bewaren?
Verse takken en
twijgen o.a. van wilgen en fruitbomen dienen eigenlijk het gehele jaar door
aanwezig te zijn. Dus ook als de vogels deze niet per se nodig hebben voor de
nestbouw. Behalve de bladknoppen, die de vogels helemaal opeten, knabbelen ze
graag aan de verse schors. De schors bevat naast cellulose een rijke
verscheidenheid aan mineralen en sporenelementen.
Het is noodzakelijk
dat de vogels steeds over grit, sepia en scherpe maagkiezel kunnen beschikken.
De eerste twee zorgen voor de aanvoer van calcium, dat o.a. benodigd is voor de
opbouw en instandhouding van het beenderengestel en de vorming van de eischaal.
Omdat calcium alleen door het vogellichaam benut kan worden in combinatie met
vitamine D3 en zaden geen vitamine D3 bevatten, dient vitamine D3 in het eivoer
aanwezig te zijn.
Het zelf verstrekken
van vitamine D druppels moet worden ontraden omdat de vogelhouder niet kan
bepalen hoeveel de vogel aan vitamine D nodig heeft. Een overdosis gedurende
langere tijd zal leiden tot ontkalking van het skelet. In de bekende
merkeivoeders is het vitamine D3 exact gedoseerd.
Sepia bevat behalve
veel kalk en zouten en een geringe hoeveelheid eiwit, een grote verscheidenheid
aan mineralen en essentiële sporenelementen: ruim 1% magnesium, 0,1% mangaan,
minder dan 0,01% silicium, ijzer, koper, nikkel, chroom, vanadium, zink en molybdeen.
Scherpe maagkiezel
bezit geen voedingswaarde, maar moet meer gezien worden als een hulpstof. De
scherpe steentjes kunnen als de kiezen van de vogel worden beschouwd. Ze
kneuzen de gepelde zaden in de spiermaag, vergroten daardoor het oppervlak van
de zaden en geven de verteringssappen de kans om optimaal hun werk te doen, wat
de algehele vertering van het voedsel ten goede komt.
Agaporniden drinken
vrij veel. Fris water dient dus altijd ter beschikking te staan. Het aangeboden
water moet van drinkwaterkwaliteit zijn, d.w.z. uit de kraan en elke dag vers.
Omdat verontreinigd drinkwater als een potentiële ziekte-overbrenger kan worden
beschouwd, moet bijzondere aandacht worden besteed aan de waterhygiëne. Open
drinkbakken zijn snel verontreinigd, vooral door ontlasting. De bekende
drinkwaterfonteintjes kunnen eveneens gemakkelijk verontreinigd worden.
Watermonsters uit drinkfonteintjes blijken al na 24 uur ongelooflijke
hoeveelheden ziekte verwekkende micro-organismen te bevatten. Na 48 uur is het
aantal micro-organismen in het water dermate toegenomen dat het de gezondheid
van de vogels in zeer ernstige mate bedreigt. Het gezondheidsrisico dat vogels
lopen door van twee dagen oud water uit open drinkbakken te drinken, is
eenvoudig af te leiden uit het voorafgaande en absoluut onaanvaardbaar te
noemen.
Hoe goed we het ook
bedoelen, hoe nauwgezet we de zaadmengsels ook samenstellen of laten
samenstellen, elk zaadmengsel blijft zeer onevenwichtig qua samenstelling:
onvoldoende essentiële aminozuren, te weinig vitaminen, te weinig mineralen en
sporenelementen. Voor een deel vangen we dit op door eivoer, groenten e.d. te
verstrekken. Feit blijft dat de vogels een keuze kunnen maken uit het
aangeboden voedsel en niet alles willen eten wat ze voorgezet krijgen. De
gevolgen hiervan zijn binnen de vogelliefhebberij algemeen bekend, worden
echter - jammer genoeg - zelden toegegeven.
De voornaamste
gevolgen van onvolwaardige voeding zijn:
- veel
gezondheidsproblemen als gevolg van een onevenwichtige voeding;
- de
levensverwachting van de vogels ligt gemiddeld erg laag;
- de fokresultaten
zijn vaak zeer onvoldoende;
- vaak is de
kwaliteit van de nakomelingen eveneens onder de maat.
In navolging van de vogelvoedselindustrie
in de USA, waar men op het gebied van vogelvoeding ongeveer 15 jaar op Europa
vooruit loopt, is men bij Versele-Laga in België een aantal jaren geleden
eveneens begonnen met de productie van volledige vogelvoeders. Het gaat hierbij
om een evenwichtige, volledig samengestelde korrelvoeding waarin alle
voedingselementen in optimale hoeveelheden aanwezig zijn.
Er zijn twee
samenstellingen: een onderhoudsvoeder en een voeder bestemd tijdens de fokperiode. Het product
wordt onder de naam Prestige Nutribird op de markt gebracht en is via de
dierenspeciaalzaken verkrijgbaar.
Via een modern
fabricatieprocédé - de zogeheten extrusietechnologie - worden de zaden tot meel
vermaald en vervolgens door toevoeging van water en damp kortstondig gekookt.
Hierbij worden de voedingsstoffen 'ontsloten' waardoor de verschillende
voedingselementen voor de vogels beter benutbaar worden: zetmeel wordt omgezet
in suikers en vetten worden beter opneembaar. Door toevoeging van de
noodzakelijke aminozuren, vitaminen, mineralen en sporenelementen ontstaat
uiteindelijk een wetenschappelijk uitgebalanceerde korrelvoeding, die alle
voedingsbehoeften van de vogels dekt.
Een jaar of vijf
geleden heb ik, bij wijze van experiment, de helft van mijn vogelbestand
overgezet op deze complete, korrelvoeding. Na een gewenningsperiode van ca.
vijf weken zijn de vogels volledig op het nieuwe voer overgegaan. Hierbij ging
ik als volgt te werk:
Een grote
afsluitbare ton werd gevuld met de gebruikelijke zaadmengeling en de
geëxtrudeerde korrel in de verhouding zaadmengsel:korrelvoer = 3:1. Vervolgens
heb ik deze mengeling gedurende een drietal dagen aan de vogels verstrekt in
porties die ongeveer het rantsoen voor drie dagen bevatte. Telkens als de
vogels gevoerd waren, werd de voederton aangevuld met zuiver korrelvoer en
vervolgens weer vermengd met het hierin nog aanwezige voer. Op deze wijze
kregen de vogels elke keer dat het voer ververst werd iets meer korrelvoer en
wat minder van de zaadmengeling. Zoals gezegd waren de vogels na ruim een maand
volledig aan het geëxtrudeerde korrelvoer gewend. Tijdens de overgangsperiode
werden de voerbakjes pas weer gevuld als het voer nagenoeg op was. De korrels
kunnen als volledige voeding verstrekt worden, maar de volledigheid van de
korrelvoeding wordt niet aangetast wanneer tot maximaal 25% zaden, fruit of
groenten worden bijgevoerd.
Zelf voer ik ca.
10-15% van de hun vertrouwde zaadmengeling bij; dit laatste vooral om te
voorkomen - dat bijvoorbeeld bij verkoop van vogels - de koper in de problemen
komt. Op deze manier blijven de vogels het klassieke zaadmengsel dus kennen.
Naast deze geringe hoeveelheid zaden -
die ik dus met een vooropgesteld doel (veilige overdracht aan eventuele
kopers) maar ook als versnapering geef, krijgen mijn agaporniden dagelijks nog
wat groenvoer, gekiemd zaad en/of wat fruit zoals hierboven vermeld, verder af
en toe een meelworm of een stukje in melk geweekt oud brood.
Na ruim twee jaar
ervaring met dit voer kwam ik tot de volgende conclusies:
-in vergelijking met de andere helft van mijn
vogelbestand, die nog op de
klassieke wijze
gevoerd werden, lag het percentage jongen dat op stok
kwam ca. 30 procent
hoger;
-de met het korrelvoer gevoerde vogels aten
minder;
-de met het korrelvoer gevoerde vogels dronken
meer;
-er was nauwelijks voederafval; er bleef alleen
wat gruis in de voerbakjes
over.
-weinig voederverspilling;
-de kostprijs van het geëxtrudeerde voer viel
wel wat hoger uit dan de
klassieke
voederwijze, maar voorzover ik dat in
die tijd kon bekijken,
was de iets hogere
kostprijs wel een uitstekende
investering.
Na twee jaar experimenteren heb ik al mijn
vogels overgezet op deze
korrelvoeding en voer
ik slechts 10-15% zaden bij. Thans ben ik zover dat
ik deze voederwijze
iedereen kan aanbevelen.