15. AANWIJZINGEN VOOR DE FOK
Voor menig beginnend
agapornidenfokker werd het eerste broedseizoen een teleurstelling, doordat het
vermeende paar achteraf geen écht kweekpaar bleek te zijn.
Zoals u weet,
bezitten alleen de A. pullarius, de A. canus en de A. taranta dimorfismische verschillen. Deze soorten zijn echter
niet zo gemakkelijk tot broeden te brengen en dus voor de beginnende liefhebber
minder geschikt. Voor het seksen van de overige soorten zijn we aangewezen op
de bekkentest. De bekkentest bestaat hieruit dat de afstand tussen de
legbeentjes wordt gemeten en ook de afstand van de legbeentjes naar de punt van
het borstbeen. De afstand tussen de legbeentjes kan, als we de vogel in de hand
nemen, eenvoudig met de vinger afgetast en gevoeld worden. Bij de pop is deze
afstand groter dan bij de man. Dit geldt ook voor de afstand tussen de
legbeentjes en de punt van het borstbeen. Ik moet er echter onmiddellijk aan
toevoegen dat deze wijze van geslachtsbepaling alleen dan enigszins betrouwbaar
is, als de test vlak vóór of tijdens het broedseizoen plaatsvindt en uitgevoerd
wordt door een ervaren fokker. Buiten het broedseizoen en bij jonge vogels is
deze test beslist onbetrouwbaar.
Het is niet om u te
ontmoedigen, maar alleen het feit dat u over een man en een pop beschikt, is
nog geen garantie voor het welslagen van de fok. Lang niet alle vogels
accepteren de partners die wij voor hen hebben uitgezocht. In het algemeen
veroorzaken de in gevangenschap gefokte vogels op dit punt geen problemen.
Geïmporteerde wildvang (geldt alleen nog voor de A. canus, die via omwegen nog wel eens binnenkomt) kunnen we het
beste hun partner zelf uit laten zoeken. Daartoe voorzien we een aantal mannen
en poppen van een verschillend gekleurde knijpring en wachten af wie met wie optrekt.
Een paartje dat voortdurend in elkaars gezelschap vertoeft, kunnen we uitvangen
en in een apart verblijf onderbrengen. De natuur zorgt dan wel voor de rest.
Een ander belangrijk
punt is de leeftijd van de fokvogels. Vogels waarmee we willen fokken moeten
minstens 10 maanden oud zijn, maar liever nog wat ouder. Nog belangrijker is
dat de vogels in de juiste broedconditie zijn. Als gedurende de rustperiode
alleen met een zaadmengsel gevoerd is, kunnen we niet verwachten dat de vogels
in de broedperiode in topconditie zijn. Alle zaden zijn ontoereikend om aan de
aminozurenbehoefte te voldoen. Gaan we met dergelijke eenzijdig gevoede vogels
fokken, dan zal dit menigmaal op een mislukt broedseizoen uitlopen.
Als we in
broedkooien fokken, moeten we er voor zorgen dat de temperatuur in de
broedruimte ongeveer 15 graden Celsius is. Iets hoger mag natuurlijk gerust,
maar veel lager niet. De luchtvochtigheidsgraad moet rond de 65% liggen. Dit is
een zeer belangrijk punt en dient goed in de gaten gehouden te worden, omdat
bij een te lage vochtigheidsgraad de eieren slecht of in het geheel niet
uitkomen. Het niet uitkomen van de eieren kan overigens geheel andere oorzaken
hebben. Veel vaker dan men denkt is een gebrek aan de vitaminen van het B-complex
de reden dat het jong zich niet uit het ei kan bevrijden.
Degenen die in
buitenvolières fokken, zijn afhankelijk van de buitentemperatuur. Doorgaans kan
met de sterkere soorten A. roseicollis,
A. fischeri en A. taranta omstreeks half april al wel begonnen worden. Met de
overige soorten moeten we wachten tot half mei. Wat de vochtigheidsgraad
betreft, behoeven we buiten geen speciale maatregelen te nemen mits we er voor
zorgen dat de broedblokken niet in de zon hangen. Bij langdurige droogte of
warm weer verdient het aanbeveling de broedblokken dagelijks met wat water te
besprenkelen.
Als nestmateriaal verstrekken we verse wilgentakken. Verder komen in aanmerking twijgen en takken van berk, lijsterbes, linde, populier en alle soorten fruitbomen. Om te voorkomen dat de takken te snel uitdrogen, kunnen we ze in het water zetten.

Broedrijpe poppen
hebben het nest met een dag of vier, vijf klaar. Het kan echter ook weken duren
voordat met de bouw begonnen wordt. We hoeven de moed dus niet te vlug te
verliezen. Na de paring volgt binnen 10 dagen het eerste ei. Vervolgens wordt
er om de andere dag een ei gelegd. Meestal begint de pop na het tweede ei te
broeden. Reeds na een dag of vijf, zes is al te zien of de eerste eieren
bevrucht zijn. Wanneer we het ei tegen het licht houden, kunnen we duidelijk
een donkere plek met daaromheen een aantal adertjes zien. Na een week wordt de
eischaal enigszins donkerder; er ligt als het ware een blauwachtig waas over.
Onbevruchte eieren echter lijken doorschijnend en krijgen een geelachtige kleur.
Denk, als de eieren onbevrucht zijn, niet te vlug dat de man of de pop niet
vruchtbaar is. Erfelijke onvruchtbaarheid kan wel, maar komt niet zo vaak voor.
In de meeste gevallen is het falen terug te voeren op de lichamelijke conditie
van de oudervogels. Mocht onverhoopt de tweede ronde opnieuw onbevrucht zijn,
dan kunt u proberen via overleggen van overtollige eieren uit andere nesten de
pop in het juiste ritme van het broedproces te brengen.
Een legsel bestaat
als regel uit 4 tot 6 eieren. Zijn het er meer en zijn de eieren onbevrucht,
dan heeft u waarschijnlijk twee poppen. Als de eieren wel bevrucht zijn, kunnen
de eieren overgelegd worden bij andere poppen die er minder hebben of waarvan
de eieren onbevrucht zijn. Op de overgelegde eieren zetten we met zwart potlood
een kruisje, zodat we de eieren later nog herkennen.
Het is om het even
bij wat voor soort we de eieren onderschuiven. Agaporniden zijn prima
pleegouders en brengen zonder mankeren ook jongen van andere soorten groot. De A. roseicollis bijvoorbeeld brengt naast
de eigen jongen tevens jongen groot van de personata en de fischeri. Zo kunnen
we omgekeerd ook eieren van de roseicollis bij de personata of bij een andere
willekeurige agapornidensoort onderleggen. Wel moeten we er bij het overleggen
aan denken dat de eieren ongeveer even oud zijn als die van de pop waar we de
eieren onderschuiven.
Tijdens het broeden
worden namelijk de maagsappen gevormd waarmee de pop de eerste dagen haar
jongen voert en als een pop die pas is gaan broeden, eieren zou krijgen die al
na enkele dagen na het overleggen uit moeten komen, wordt het natuurlijke
proces verstoord. De jongen zullen ofwel na enkele dagen sterven ofwel zoveel
te kort komen aan noodzakelijke voedingsstoffen dat het nimmer volwaardige
vogels zullen worden.
De broedduur
varieert afhankelijk van de soort van 22 tot 25 dagen. Wanneer de jongen 7 tot
12 dagen oud zijn, moeten ze geringd worden met een zgn. vaste voetring. Het
juiste tijdstip van het ringen is afhankelijk van de grootte en de ontwikkeling
van de jonge vogels en kan van nest tot nest, maar ook van jong tot jong
verschillen. Het juiste tijdstip is, wanneer de ring er nog vlot aangaat, maar
er niet neer af; dit vast te stellen is een zaak van ervaring of anders gezegd:
van een geoefend oog. Bij de behandeling van de verschillende soorten heb ik
aangegeven welke ringmaat voor de betreffende soort geldt. De ringen kunnen
besteld worden bij de organisatie waar men lid van is.
Het ringen zelf is een kwestie van wat oefening. De eerste keer is het een hele bedoening, maar achteraf blijkt het meestal nogal meegevallen te zijn.

We nemen het jong in
de ene hand, de ring tussen duim en wijsvinger van de andere hand en schuiven
deze over de drie langste tenen (fig.5a en b). Vervolgens trekken we de drie
tenen geheel door de ring tot over het gewricht. Daarna haalt men de kleine
achterteen met een aangepunt houtje, bijvoorbeeld een cocktailprikker, door de
ring (fig.5c). Deze laatste handeling is de moeilijkste omdat de nagel van de
kleine achterteen nog meer gebogen is dan de andere; gewoonlijk schreeuwen de
jongen er ontzettend bij, maar de angst is groter dan de pijn. Bij fig.5d
tenslotte is het leed al weer geleden. Ofschoon agaporniden twee voor- en twee
achtertenen hebben, worden ze precies zo geringd als de vinkachtigen. Mocht men
iets te laat zijn met ringen, dan het pootje even insmeren met wat zeep.
Tegen het einde van
de derde levensweek beginnen de veren door te komen. Sommige poppen hebben dan
de eigenaardige gewoonte de jongen te plukken. Gewoonlijk houdt het plukken op
als de jongen uitvliegen, maar in ernstige gevallen kunnen we niet zolang
wachten. Tot op een leeftijd van 3 weken kunnen we de jongen wel bij
pleegouders onderbrengen. Hebt u die mogelijkheid niet, dan moet u de jongen gedurende
een week dagelijks inwrijven met Byte-x. Daarna is het plukken gegarandeerd
afgelopen. Byte-x is een volkomen onschuldig middel tegen duimzuigen van
kinderen en heeft een bittere smaak. Het middel is bij elke apotheker en
drogist verkrijgbaar. Zijn de jongen al wat ouder, dan kunnen we volstaan met
het deksel van het broedblok te halen. In de meeste gevallen worden de jongen
dan met rust gelaten.
Over de oorzaken van
het verenplukken zijn de meningen verdeeld. Opvallend is dat het plukken in de
buitenvolière praktisch niet voorkomt. Proeven die ik met grasparkieten heb
genomen, toonden aan dat een eiwitrijk dieet, waarin het aminozuur arginine in
voldoende mate aanwezig is, het verenpikken doet beëindigen.
Op een leeftijd van
6 weken vliegen de meeste soorten uit. De pop is dan dikwijls al weer aan een
tweede legsel begonnen. De man blijft de jongen nog geruime tijd voeren totdat
ze geheel zelfstandig zijn.
Zet de zelfstandig
geworden jongen indien mogelijk in een aparte vlucht of ruime kooi en verstrek,
behalve het zaadmengsel voor opgroeiende jongen, grit en water, hetzelfde
opfokvoer als waarmee ze door de ouders gevoerd werden.
De jeugdrui begint,
afhankelijk van de soort, op een leeftijd van 3 à 4 maanden en neemt ongeveer
3, 4 maanden in beslag. Tijdens de jeugdrui zijn de jongen erg gevoelig voor
kou en vocht. Houd ze daarom bij voorkeur in een binnenvlucht.
Nu iets heel anders.
Omdat we van elke vogel niet alles kunnen onthouden, is het noodzakelijk dat we
een fokboek bijhouden waarin we behalve de normale gegevens zoals data van
koppeling, eierafzet en geboorten, ook alle bijzonderheden vermelden.
Maak er een gewoonte
van regelmatig nestcontrole te houden en schrijf al uw bevindingen op. Bedenk
wel dat een goede administratie de grondslag is voor succesvol fokken.