16. SELECTIE

 

In de natuur vindt een geweldige overproductie van nakomelingen plaats. Toch blijft het aantal individuen per diersoort gewoonlijk gelijk, zolang de uitwendige omstandigheden niet veranderen. In de meedogenloze strijd om het bestaan komt verreweg het grootste gedeelte van de nakomelingen vroegtijdig om het leven, voor ze zelf tot voortplanting komen. Het komt er praktisch op neer dat van ieder paar alle nakomelingen verloren gaan behalve de twee die het ouderpaar vervangen. Slechts op deze wijze is het mogelijk dat het aantal individuen per soort vrijwel constant blijft.

Het is duidelijk dat zwakke en in erfelijk opzicht zichtbaar afwijkende exemplaren in de natuurlijke vernietigingsstrijd nauwelijks overlevingskansen hebben, terwijl sterke individuen, die zich door hun erfelijke aanleg het best aan de gegeven omstandigheden hebben aangepast, de meeste kans op overleven hebben en zich voortplanten. Het bovenstaande verklaart vanzelfsprekend ook het feit dat in de vrije natuur niet veel opvallende mutaties zoals kleurveranderingen voorkomen. Immers, opvallende verschijningsvormen vallen onmiddellijk onder de natuurlijke selectie en zijn vrijwel altijd tot ondergang gedoemd. Hoewel er dus in de natuur een betrekkelijke uniformiteit heerst, bestaat er wel degelijk een groot aantal kleine verschillen in erfelijke aanleg tussen de individuen van een soort. Wat dergelijke kleine, onopvallende mutaties betreft, zijn alle natuurlijke diersoorten uitermate gevarieerde mengsels van erfelijke aanleg en verschijningsvormen.

Door ons fokkers wordt van deze geringe erfelijke verschillen dankbaar gebruik gemaakt. In onze broedkooien en volières kunnen we deze verschillen vastleggen omdat ze niet door de natuur worden bijgestuurd. Hiervoor in de plaats treedt de schiftende hand van de fokker, waardoor het mogelijk wordt mutatierassen te fokken die zich in de natuur niet zouden kunnen handhaven.

De huidige cultuurrassen stammen alle van in het wild levende soorten af, waarvan ze zich door een uitermate sterke ontwikkeling van bepaalde, door de fokker gewenste eigenschappen onderscheiden. De tegenwoordige kanarierassen bijvoorbeeld zijn in de loop van honderden jaren door selectief fokken ontstaan. Zij stammen allemaal af van de wilde kanarie, waarvan ze zich echter in uiterlijk en gewoonten vaak zeer ver verwijderd hebben, bijvoorbeeld door een afwijkende bevedering (frisérassen), door een bijzonder stemgeluid (zangrassen) of door een afwijkende vorm (postuurrassen).

In vergelijking met de kanarie en vele andere tot huisdier getransformeerde diersoorten staat het domesticatieproces van de agapornidensoorten nog in de kinderschoenen. Dat neemt niet weg dat met het vastleggen van een aantal kleur- en bevederingmutaties de eerste stappen gezet zijn op weg naar de volledige domesticatie van deze soorten.

Momenteel is de selectieve fok van agaporniden nog vrijwel uitsluitend gericht op de kleur en daarnaast op formaat en type verbetering en bij enkele soorten op een wat langer bevederingtype. We kunnen echter op veel meer eigenschappen selecteren. De vraag is nu: hoever kunnen we langs selectieve weg de oorspronkelijke wildvorm naar eigen smaak veranderen?

Theoretisch wordt de uiterste grens van de selectie bepaald door het aantal samenwerkende factoren die voor een gewenste eigenschap in de soort in zijn geheel aanwezig zijn. Het aantal individuen dat aan het domesticatieproces deelneemt, is echter slechts een fractie van het aantal in de natuur levende individuen. Aan het domesticatieproces van een soort nemen dus relatief weinig erffactoren deel. In tegenstelling tot de natuurlijke soorten echter, waar ten gevolge van een vrije partnerkeuze en natuurlijke selectie een naar middelmaat nivellerende trend overheerst, neemt de variabiliteit van de erfelijke kenmerken bij cultuurrassen toe naarmate de soort langer gedomesticeerd is. Onder de bescherming van de mens immers blijven ook mutaties behouden die voor het organisme min of meer schadelijk zijn.

Het behoud van een groot aantal mutaties en hun voortdurende kruising met de wildvormrassen, veroorzaakt op den duur een enorme verscheidenheid aan kenmerkencombinaties die zuiver voortgefokt kunnen worden en waaruit de fokker de gewenste combinatie van eigenschappen kan kiezen.

Om het gestelde doel te bereiken, zoekt de fokker dus de dieren uit die de door hem gewenste kenmerken in de hoogste mate ontwikkeld hebben, waarbij hij vaak tekortkomingen van de lichaamstoestand die in de natuur onmogelijk zijn op de koop toe neemt. Vaak genoeg is het de fokker juist om dergelijke afwijkingen te doen. De vorm van sommige postuurrassen bijvoorbeeld is beslist een misvorming van de wilde vorm; het strookt echter met een bepaalde smaak die in de vorm van standaardeisen is neergelegd en de fokker maakt dus gebruik van de erfelijke afwijkingen bij zijn dieren om dergelijke rassen te fokken.

Hoe gevarieerd de selectieve mogelijkheden wel kunnen zijn, toont ons al de kanarie, waarvan we naast de al genoemde zang-, frisé- en postuurrassen nog honderden kleurvariëteiten kennen.

Het is duidelijk dat waar de natuurlijke selectie grotendeels is uitgeschakeld en de differentiatie van de gefokte rassen een steeds grotere rol gaat spelen, alleen een zeer strenge kunstmatige selectie tot dergelijke resultaten kan leiden. Pas daarom een uiterst strenge selectie toe en bedenk dat een halfslachtige selectie nimmer tot goede fok- en tentoonstellingsvogels kan leiden.

Eigenlijk zouden we verschil moeten maken tussen de vogels die we voor de tentoonstelling selecteren en die welke we voor de fok aanhouden. In de praktijk gaat een en ander meestal hand in hand. Immers, vogels die op de tentoonstelling hoge ogen gooien, gebruiken we in de meeste gevallen ook voor de fok. Toch mag een concreet voorbeeld duidelijk maken dat er soms verschil kan zijn tussen fokvogels en showvogels. Stel, u bezit een goede vogel die een nagel mist. Op een tentoonstelling hoort een dergelijke vogel niet thuis, maar voor de fok kan hij prima zijn. Met wat gezond verstand kunt u echter zelf best uitmaken wanneer er onderscheid moet worden gemaakt tussen tentoonstellingsvogels en fokvogels.

Het selecteren van de vogels is niet gemakkelijk. Hiervoor moet men als fokker een goede kennis van de vogels en een degelijke kennis van de standaardeisen hebben, daarnaast het vermogen de aanwezige fouten bij zijn vogels te herkennen. Vooral het laatste is een moeilijk punt, te meer daar de standaard een geschreven tekst is waarbinnen een zekere interpretatie mogelijk is. Zoals ik al opmerkte, ligt de nadruk bij de agapornidenfok op het bereiken van een in de standaard omschreven kleur. Voor het selecteren op kleur is een zekere kennis van kleuren in het algemeen en hoe deze in de bevedering tot stand komen in het bijzonder onontbeerlijk. Verder is het voor een fokker van grote waarde als hij de werking van de erfelijke factoren, hun onderlinge werking en elkaars beïnvloeding ten aanzien van de kleur begrijpt.

Het type van de vogel wordt bepaald door de grootte en de vorm. De voorkeur gaat uit naar een kort en gedrongen type met een in verhouding tot de lengte van het lichaam vrij brede borst. Bij de beschrijving van de verschillende agapornidensoorten heb ik de natuurlijke lengtes vermeld. De ervaring met andere gedomesticeerde vogelsoorten leert dat na zo'n veertig generaties domesticatie, de gedomesticeerde soorten gemiddeld iets groter worden. Door streng te selecteren op het formaat komt de erfelijke factorencombinatie voor deze eigenschap op den duur gunstiger te liggen met als gevolg grotere vogels. Dat er op dit gebied heel wat te bereiken is, zien we bijv. bij de standaardgrasparkiet, waarvan de lengte in vergelijking met hun in het wild levende soortgenoten met ruim 30% is toegenomen.

Het spreekt vanzelf dat alle lichaamsproporties moeten harmoniëren met de grootte en het is dus zaak hierop streng te selecteren. Vogels met een smalle borst, lange of smalle nek, smalle of kleine kop, verstoren de harmonie van het geheel en moeten voor de fok worden uitgesloten. Fokken we met dergelijke vogels toch verder, dan is de kans zeer groot dat we de genoemde vormfouten in de nafok versterkt terugvinden. Bezitten we echter een vogel met een kleine tekortkoming, bijvoorbeeld een iets te smalle borst, die voor het overige over zeer goede eigenschappen beschikt, tracht dit dan te compenseren door een dergelijke vogel te paren aan een vogel met een uitgesproken brede borst.

Kleine gebreken en tekortkomingen zijn in de regel vrij snel weg te fokken. Probeer steeds voor een vogel die een klein foutje bezit een partner te vinden die op deze onderdelen uitblinkt. Stel echter nooit een fokpaar samen uit vogels die dezelfde fouten bezitten, ook al zijn de overige eigenschappen ideaal.

Het selecteren van vogels op hun psychische kwaliteiten wordt nogal eens als overbodig aangemerkt. Niets is echter minder waar. De houding van een vogel wordt bepaald door zijn fysieke en psychische eigenschappen. Een op zich goede vogel kan door zijn nerveuze aard een slechte houding bezitten. In de tentoonstellingskooi klauteren ze voortdurend langs de tralies of fladderen zenuwachtig heen en weer, waardoor ze nauwelijks beoordeeld kunnen worden. Het hoeft wel geen betoog dat met dergelijke vogels weinig eer te behalen valt. Ook in de broedkooi zijn uitgesproken zenuwachtige exemplaren een bron van ergernis. Bij het minste of geringste komen ze van het nest, waarbij ze vaak de eieren beschadigen, met alle nare gevolgen van dien.

Het selecteren van de oudervogels op hun fokeigenschappen is een vrij eenvoudige zaak. De benodigde gegevens kunt u immers in uw fokadministratie vinden. Vogels die slecht voeren, de jongen plukken, veel onbevruchte eieren leggen, het nest in de steek laten of op andere wijze niet aan de fokverwachtingen voldoen, ruimen we meteen op. Het selecteren van jonge vogels op hun fokeigenschappen ligt wat moeilijker. Als regel kunnen we ervan uitgaan dat jongen van goede fokparen, mits ze verder goed verzorgd en niet ziek worden, zelf ook goede ouders zullen worden.

Bij het selecteren van de vogels moeten we ons niet laten beïnvloeden door het denkbeeld dat we geen vogels kunnen missen. Er zijn fokkers die wel selectie toepassen maar van tevoren al bepaald hebben hoeveel vogels ze willen behouden. Men gaat dan als volgt te werk. Van de gefokte vogels, stel het zijn er vijftig, wil men er twintig aanhouden. De twintig beste vogels worden dan uitgezocht, de overige dertig opgeruimd. Dat een dergelijke selectie weinig nut heeft, is duidelijk. Stellig zullen de twintig vogels die men wenste aan te houden beter zijn dan degene die afvielen, maar het is geen garantie, dat de overgebleven vogels ook werkelijk goede vogels zijn.

De goede methode is, slechts die vogels aan te houden die de gewenste eigenschappen in hoge mate bezitten en de overige zonder pardon voor verdere fok uit te sluiten. Vooral in de eerste jaren kan het voorkomen dat men slechts enkele goede vogels overhoudt. Vast staat echter dat men van een klein aantal vogels van goede kwaliteit meer plezier heeft dan van een groot aantal van minder goede of slechte kwaliteit.