17. BASTAARDEN
Kenmerkend voor
levende dieren is dat ze zich op grond van hun overeenkomsten in een zoölogisch
systeem laten rangschikken. Het belangrijkste criterium waarnaar men de dieren
indeelt, is de gelijkvormigheid. Deze berust op het gemeenschappelijke bezit
van een reeks gelijke erfelijke factoren. Voorts is van belang of de dieren
onderling nakomelingen kunnen voortbrengen.
Dieren die in
overeenkomstige stadia van hun ontwikkeling morfologisch en fysiologisch op
elkaar lijken en onder natuurlijke omstandigheden een voortplantingsgemeenschap
vormen, voor zover dit geografisch en ecologisch mogelijk is, noemt men een
soort. Binnen de soort kennen we kleinere groepen van individuen: ondersoorten,
geografische rassen, ecologische rassen, variëteiten, die zich door een aantal
erfelijke kenmerken van elkaar onderscheiden en waarbinnen individuen nog meer
gemeen hebben, ofwel genetisch nog meer overeenstemmen. De overgang van rassen
naar soorten en de afgrenzing van de soorten onderling, is in vele gevallen
onscherp en blijft grotendeels een kwestie van persoonlijke opvatting. De
ondervinding leert echter dat dieren van dezelfde soort in sterke mate voor
andere diersoorten afgesloten zijn en in natuurlijke omstandigheden niet of
slechts zeer zelden met andere diersoorten paren. Deze door de natuur zelf
ingestelde 'soortbarrière' waarborgt dat iedere soort haar kenmerken vrijwel
onveranderd aan de nakomelingen doorgeeft.
Onder kunstmatige
omstandigheden is het echter vaak gelukt soorten van een verwante groep met
elkaar te laten paren. Daarbij blijkt dat niet tussen alle soorten van een
verwante groep succesvolle kruisingen mogelijk zijn, dat dus bijv. bastaarden
tussen bepaalde soorten volledig tot ontwikkeling komen terwijl die tussen
andere soorten in een vroeg levensstadium te gronde gaan. Dit verschijnsel kan
op de onverdraagzaamheid van de chromosomengarnituren der beide soorten
berusten of op het feit dat de zaadkern van de ene soort niet past bij het
eicytoplasma van de andere soort.
In gevallen dat de
bastaarden volledig tot ontwikkeling komen, zijn ze slechts zelden vruchtbaar.
Een klassiek voorbeeld vormen de reciproke bastaarden van paard en ezel. Noch
de muilezel (paard x ezel) noch het muildier (ezel x paard) is vruchtbaar. Ook
uit de vogelwereld kennen we talrijke voorbeelden waarbij kruising tussen
vogels van twee verschillende soorten tot steriele bastaarden leidt. Voor wat
betreft het geslacht Agapornis zijn dat de volgende kruisingen:
A. taranta x A. personatus
A. taranta x A. fischeri
A. roseicollis x A.
personatus
A. roseicollis x A.
fischeri
A. roseicollis x A.
lilianae
A. roseicollis x A.
nigrigenis
Soms beperkt de
steriliteit zich uitsluitend tot de poppen en zijn de mannen in een laat
levensstadium vruchtbaar (bijv. F1- bastaarden van kapoetssijs x kanarie).
Er zijn echter ook
kruisingen tussen verschillende soorten waarbij vruchtbare bastaarden ontstaan.
In de meeste gevallen gaat het daarbij, afhankelijk van de geldende
systematische indeling, niet om soorten, maar om rassen of ondersoorten van
dezelfde soort. Zo zijn bijv. alle reciproke bastaarden tussen de leden van de
witte-oogringgroep, personatus, fischeri,
lilianae en nigrigenis vruchtbaar. De leden van deze groep worden veelal
als natuurlijke geografische rassen van een soort beschouwd die zich als gevolg
van de langdurige ruimtelijke isolatie tot zelfstandige soorten hebben
ontwikkeld. Anderen echter beschouwen fischeri,
lilianae en nigrigenis als
ondersoorten van de Agapornis personatus en
hanteren voor deze vogels de drievoudige naamgeving (trinaire nomenclatuur).
Maar, zoals ik al opmerkte, is dit een kwestie van persoonlijke opvatting.
Daar de bastaarden
uit deze groep vruchtbaar zijn, bestaat de mogelijkheid kleurmutaties die bij
bepaalde leden van de groep zijn opgetreden, door middel van bastaardering op
andere groepsleden over te brengen. Aldus slaagde een fokker in Zuid-Afrika in
1957 er als eerste in, via kruising met de blauwe personata, blauwe fischeri’s
te fokken. Op dezelfde wijze lukte het anderen de blauwe en de lichtgroenpastel
nigrigenis te kweken. Via kruising met de lutino lilianae zijn naderhand ook de
lutino en albino fischeri en de lutino en albino personata ontstaan.
Het overbrengen van
bijv. de blauwe kleur van de personata op de fischeri geschiedt langs een omweg
en neemt op zijn minst drie fokseizoenen in beslag waarbij men als volgt te
werk gaat.
Het eerste jaar
paart men een blauwe personata man aan een wildvorm fischeri pop. Alle
F1-bastaarden uit deze paring zijn split voor blauw. In hun zichtbare kenmerken
vertonen ze trekken van beide ouders; qua tekening staan ze het dichtst bij de
fischeri.
Het tweede jaar
paart men de F1-mannen terug aan fischeri poppen. De R-nakomelingen die uit de
terugkruising geboren worden, zijn voor 50% split voor blauw. In hun uiterlijke
kenmerken zijn ze door kenners van raszuivere fischeri’s te onderscheiden.
Het derde jaar
kruist men de beschikbare mannen en poppen van de R-generatie onderling. Met
een beetje geluk kunnen dan uit deze kruising de eerste blauwe op fischeri's
gelijkende vogels verwacht worden. Voorwaarde is natuurlijk dat beide
oudervogels split voor blauw zijn. Door telkens opnieuw terug te kruisen op
raszuivere fischeri's ontstaan er op den duur vogels, die uiterlijk niet van
echte fischeri's te onderscheiden zijn. Op dezelfde wijze wordt ook de blauwe
kleur van de personata overgebracht op de nigrigenis. Ook wordt op deze wijze
de pastelvorm van de personata overgebracht op de lilianae en de nigrigenis,
alsook de ino factor van de lilianae op de personata, de fischeri en de
nigrigenis. Ook het overbrengen van de donkerfactor van de personata op de
fischeri en de nigrigenis geschiedt door middel van hybridatie.
Persoonlijk ben ik
een tegenstander van deze gang van zaken. Het zijn namelijk niet alleen de
erfelijke factoren die verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling van een
bepaalde kleur die men van de ene soort overbrengt op de andere soort, maar ook
een hele reeks andere erfelijke factoren die deel gaan uitmaken van het totale
erfelijke materiaal van de F1-hybride en dus ook van hun nakomelingen. Een en
ander betekent dat het gedurende miljoenen jaren van evolutie in erfelijk
opzicht ontstane verschil tussen bijvoorbeeld een personata en een fischeri
voor altijd wordt vernietigd. Gewis, de lutino personata, de blauwe fischeri of
de blauwe nigrigenis mag dan door middel van terugkruising uiterlijk niet van
hun raszuivere soortgenoten zijn te onderscheiden, in erfelijk opzicht blijven
ze rasonzuiver en dat voor altijd.
Voor de
vogelliefhebber die zich inzet voor de raszuiverheid van de soorten vormen de
R-individuen die uit hybriden stammen en niet meer van de wildvormen zijn te
onderscheiden het grootste gevaar. Immers, van de blauwe fischeri is bekend dat
het geen raszuivere fischeri is, die worden dus ook niet aangeschaft als men
raszuiverheid der soorten nastreeft, maar aan een wildkleur fischeri die uit
een bastaardgeneratie stamt, is de rasonzuiverheid vaak niet te zien met als
gevolg dat deze rasonzuivere vogels vaak onopgemerkt in raszuivere bestanden
binnensluipen. Een groot deel van het thans in gevangenschap gehouden
agapornidenbestand van de 'witte-oogringgroep' is op deze wijze al verziekt.
Persoonlijk zou ik
het toejuichen als de gezamenlijke vogelbonden de moed zouden opbrengen om alle
kleurslagen van de 'witte-oogringgroep' die door transmutatie zijn ontstaan uit
de vraagprogramma's te halen. Zoals het nu gaat, dient men uitsluitend de
commerciële belangen, niet de ware vogelliefhebber en zeker niet de
raszuiverheid van de soorten.
Tussen de soorten
van de seksueel-dimorfismische groep, Agapornis
pullarius, Agapornis canus en Agapornis taranta zijn naar alle
waarschijnlijkheid geen kruisingen met goed gevolg mogelijk. Pogingen deze
soorten met elkaar te kruisen, hebben voor zover ik heb kunnen nagaan nog nooit
tot resultaten geleid en daar ben ik eerlijk gezegd blij om.