19. HET KEURSYSTEEM EN DE TAAK VAN DE
KEURMEESTER
Bij het keuren van
agaporniden wordt uitgegaan van bepaalde in de standaard omschreven
kwaliteitsnormen. In
Nederland en België
wordt, bij de grote vogelbonden de Algemene Bond van Vogelhouders, de Nederlandse
Bond van Vogelliefhebbers, de Algemene Ornithologische Bond van België en de
Belgische Ornithologische Federatie de waardetoekenning uitgedrukt in punten,
waarbij de keurmeester een keurrapport, het zgn. keurbriefje, opmaakt. Enkele
kleinere organisaties werken nog volgens het in de pluimveewereld
gebruikelijke predikatenstelsel, waarbij eveneens een keurrapport wordt
opgemaakt. Bij de Belgische Vereniging voor Agaporniden (BVA) werkt men volgens
een systeem waarbij twee keurmeesters gezamenlijk en in goed onderling overleg
de kwalificatie onvoldoende, matig, goed, zeer goed of uitmuntend op een
lijstje dat op de kooi is geplakt aankruisen. Voor vogels die onvoldoende of
matig scoren wordt vervolgens een aanvullend keurrapport opgemaakt waarop de tekortkomingen
van de vogel staan vermeld.
Laten we beginnen
met vast te stellen dat het keuren van agaporniden met als maatstaf een in
woorden omschreven ideaalbeeld, geen mathematische bezigheid is zoals het
opmeten van een luciferdoosje of het wegen van een brok steen. Type en kleur
van een vogel zijn nimmer exact te bepalen. Omstandigheden zoals omgeving en
lichtinval en het feit dat geen enkele keurmeester hetzelfde karakter bezit,
maken dat elke keuring in belangrijke mate subjectief is. Niet voor niets zijn
de verschillende vogelbonden, gebruik makend van deze wetenschap, er toe
overgegaan standaardkooien in te voeren, zodat althans in dat opzicht gelijke
omstandigheden geschapen zijn. Om dezelfde reden is ook het keuren bij
kunstlicht aan strenge voorwaarden gebonden, zodat ook op dit punt gelijke
omstandigheden heersen.
Onwillekeurig speelt
tijdens de keuring ook de individuele voorkeur van de keurmeester voor een
bepaalde eigenschap een rol. De één zal subjectief een groep agaporniden
onbewust op de kwaliteit van de lichaamsproporties beoordelen, de ander doet
dat onbewust op de kwaliteit van de lichaamskleur, het masker of op de
kwaliteit van de lichaamsbevedering. Agaporniden moeten echter niet slechts op
één onderdeel, maar op een aantal volkomen van elkaar verschillende
eigenschappen beoordeeld worden. Om dit te bewerkstelligen werd het keurrapport
ingevoerd. Door de inrichting van het keurrapport wordt de keurmeester als het
ware gedwongen alle onderdelen van de vogel in de beoordeling te betrekken.
Andere voordelen van het keurrapport zijn, dat de keurmeester verantwoording
aflegt voor zijn beoordeling en dat de kweker uit de gedane op- en aanmerkingen
lering kan trekken.
In de 'Standaard
voor agaporniden' wordt de volmaakte vogel, het zogeheten ideaalbeeld,
omschreven. Er bestaat echter geen enkele agapornide die aan dat ideaalbeeld
beantwoordt. Het is de taak van de keurmeester bij elke vogel die hij voor zijn
neus krijgt te beoordelen in welke mate die vogel van het ideaalbeeld afwijkt,
de waardetoekenning in punten uit te drukken en dit gemotiveerd op het
keurrapport vast te leggen.
Op het keurrapport
legt de keurmeester niet alleen verantwoording af voor zijn visie, het is
tevens een hulpmiddel bij de beoordeling, waardoor alle onderdelen van de vogel
gezien tegen de achtergrond van de totale vogel als een onverbrekelijk geheel,
de noodzakelijke aandacht krijgen.
Maar het keursysteem
waarbij voor elke vogel een keurrapport wordt opgemaakt, kent ook zwakke
punten. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het keuren met behulp van het keurrapport ontaardt in keuren aan de hand van het keurrapport. De man
met feeling keurt met behulp van het
keurrapport. Hij bekijkt de vogel tegen de achtergrond van het geheel, stelt de
waarde vast en geeft vervolgens op het keurrapport een verslag van zijn visie.
Voor de keurmeester die het noodzakelijke Fingerspitzengefühl mist, is het
keurrapport niet meer dan een puntenlijst. Zonder het onderlinge verband van de
totale vogel te zien, sommeert hij stomweg de waargenomen fouten per rubriek,
telt het rijtje op en hup’sakee…volgende vogel. U begrijpt, op die manier werkt
dit systeem ook niet.
Bij het keuren
zonder keurrapport bestaat het gevaar dat de keurmeester aan bepaalde goede
eigenschappen van de vogel een overdreven waarde toekent, anderzijds bepaalde
slechte eigenschappen die er in zijn denkwereld minder op aankomen, in het
geheel niet of onvoldoende in zijn eindoordeel mee laat wegen. Dit laatste is
in belangrijke mate te voorkomen zijn als twee of drie keurmeesters gezamenlijk
en in goed overleg de vogels per groep of klasse op kwaliteit rangschikken.
Persoonlijke voorkeuren, krijgen door het overleg en de onderlinge inspraak dan
nauwelijks kans de gezamenlijk uit te voeren klassering van de vogels te
beïnvloeden.
Persoonlijk heb ik
geen bepaalde voorkeur wat betreft het keursysteem. Op wedstrijden waarop ook
de voorlichting naar de inzender toe erg belangrijk is, meestal zijn dat de
kleinere wedstrijden, prefereer ik het keuren waarbij een keurrapport wordt
opgemaakt. Op de grotere wedstrijden, waarop de voorlichting nauwelijks een rol
speelt, prefereert wat mij betreft het plaatsingssysteem, mits tenminste twee
keurmeesters gezamenlijk een groep vogels beoordelen. Bij wijze van overgang
zou men een systeem kunnen invoeren, waarbij voor elke vogel een
eindbeoordeling in punten wordt vastgesteld, die op lijsten kunnen worden
verzameld en later desgewenst in de catalogus afgedrukt.
Bepaald niet
iedereen zal deze zienswijze delen. Dat mag. Over één ding zullen we het
stellig eens zijn: welk systeem we ook hanteren, elke keuring valt of staat met
de kwaliteit van de mensen die de keuring verrichten.
Als voorbeeld dient
het keurbriefje, dat op internationale door de C.O.M. (Confederation
Ornithologique Mondial) georganiseerde wedstrijden wordt gebruikt, maar ook
door verschillende nationale bonden in binnen en buitenland in gebruik is
genomen. Dit keurbriefje bestaat uit 6 rubrieken.
In deze rubriek
beoordeelt men de lichaamskleur, inclusief de kleur van de poten, de nagels en de
snavel. Het gaat hier om de juiste standaardkleur, kleurdiepte en
kleurregelmaat. Ook wordt, voor zover aanwezig en omschreven in de standaard,
de tekening van de kop, de vleugels, de staart en het lichaam in deze rubriek
beoordeeld. Hierbij gaat het vooral om de kleurafscheidingen en waar deze
moeten lopen. Ook de kleur van de tekening wordt in deze rubriek beoordeeld.
In deze rubriek
wordt de vorm en de houding van de vleugels beoordeeld alsook de wijze waarop
de vleugels worden gedragen. Verder beoordelen we in deze rubriek het type van
de vogel. Onder 'type' verstaan we de onderlinge lichaamsverhoudingen: het
model of de vorm van de vogel. Als laatste onderdeel in deze rubriek krijgt de
houding van de vogel aandacht. De ‘houding’ draagt in belangrijke mate bij aan
het type van de vogel. Een vogel kan van nature een slechte houding hebben
(erfelijke aanleg), maar een slechte houding kan ook het gevolg zijn van een
verminderde lichamelijke conditie of een psychische oorzaak hebben. Elke vogel
moet op de zitstok een perfect uitgebalanceerde houding aannemen, zoals
omschreven in de standaard. Maar ook niet gestandaardiseerde vogels moeten
tijdens de keuring een actieve en natuurlijke houding tonen. Het doorgezakt of
in elkaar gedoken op stok zitten is fout, evenals het niet gesloten dragen van
de vleugels en gekruiste vleugels. Genoemde fouten hebben ook een negatieve
invloed op het type.
Het onderdeel
'formaat' behoeft weinig uitleg. Bedoeld wordt de totale lengte van de vogel.
Type en formaat
hangen nauw samen; m.a.w., type en formaat moeten in harmonie met elkaar zijn.
In deze rubriek
wordt uitsluitend de toestand van de poten, de tenen en de nagels beoordeeld en
niet de kleur ervan, dit laatste wordt in rubriek 1 beoordeeld.
In deze rubriek
wordt de bevederingtoestand van de vogel beoordeeld. De bevedering dient
ongeschonden te zijn, zonder slijtage en vrij van vuil. Voor agaporniden geldt
bovendien dat de bevedering strak tegen het lichaam wordt gedragen (extra
aandacht hiervoor bij lang bevederde vogels). Zeer ernstige bevederinggebreken,
worden tevens in rubriek 6 bestraft.
Onder deze rubriek
valt de beoordeling van de algemene lichamelijke gesteldheid en showtoestand
van de vogel Grove gebreken zoals het missen van nagels en tenen, of andere blijvende
lichamelijke gebreken, maken dat de betreffende vogel niet voor een
puntenwaardering in aanmerking komt. Een zwaar gehavende bevedering wordt niet
alleen bestraft in de rubriek 5, maar is ook bepalend voor de conditie als we
de betekenis hiervan wat ruimer nemen, zodat ook bij dit onderdeel puntenaftrek
plaatsvindt. In deze rubriek worden tevens kleinere tekortkomingen aan de
snavel bestraft, uitgezonderd de kleur van de snavel; deze wordt in rubriek 1
beoordeeld
Het totaal van 100
punten is theorie, alleen te bereiken voor het ideaalbeeld dat in de standaard
omschreven staat. Omdat elke bestaande vogel van dit ideaalbeeld afwijkt,
krijgt elke vogel strikt genomen strafpunten, wat er
op neerkomt dat in de praktijk maximaal 92 punten wordt gegeven (groepswinnaars
onder bepaalde voorwaarden maximaal 93 punten, in dat geval kent de keurmeester
in één van de drie bovenste rubrieken één punt extra toe). Minimaal is het
aantal te geven punten gesteld op 70.
Het maximum en
minimum aantal te behalen punten per rubriek is als volgt:
Rubriek 1. 33-28;
Rubriek 2. 18-14;
Rubriek
3: 14-10;
Rubriek 4: 9-6;
Rubriek 5: 9-6;
Rubriek 6: 9-6.
Per rubriek beschikt
de keurmeester dus over een aantal strafpunten. Afhankelijk van de mate waarin
de vogel afwijkt van het ideaal uit de standaard vindt puntenaftrek plaats.
Over de wijze waarop
agaporniden gekeurd worden en over de taak van de keurmeester heerst nog veel
onbegrip. Het lijkt me wenselijk er in dit hoofdstuk iets over te vertellen.
Het is een misverstand
te menen dat het keuren van vogels geschiedt op basis van louter theoretische
kennis. Naast een grondige kennis van de standaardeisen en een ruime ervaring als
fokker zal de keurmeester op de eerste plaats een sterk ontwikkeld gevoel voor
verhoudingen moeten bezitten, maar ook de durf zijn visie op papier te zetten
en zonodig te verdedigen. Een goede keurmeester begint zijn taak met een
rondgang langs de stellingen. Hierbij krijgt hij een eerste indruk van de
aanwezige kwaliteit. Een uitzonderlijk goede vogel, die tot een van de beste
van de show gerekend moet worden, zal hem daarbij stellig niet ontgaan, zodat
hij zich meteen een voorstelling kan maken tot welke puntenwaardering hij
ongeveer kan gaan. Hierna begint de eigenlijke keuring.
Gezeten achter de
keurtafel begint hij op het oog de vogels per klasse en kleur op kwaliteit te
selecteren. Vervolgens stelt hij voor de hoogst gekwalificeerde vogel uit die
klasse het punten aantal vast, waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met
de kwaliteit van de in de keurzaal aanwezige topvogels, maar ook met de
kwaliteit van de in het land aanwezige toppers. Een keurmeester die zich van
zijn verantwoordelijkheid tegenover de inzenders bewust is, zal zich dan ook
elk keurseizoen opnieuw van de gewijzigde topkwaliteit van de landelijke
agapornidenstand op de hoogte dienen te stellen.
Nadat de keurmeester
het puntenaantal van de beste vogel uit de klasse aldus heeft vastgesteld,
keurt hij met behulp van het keurbriefje de gehele klasse in aflopende puntenwaardering
af. Als alle klassen en kleurslagen gekeurd zijn, komen de hoogst gewaardeerde
vogels opnieuw op de keurtafel en begint het rangschikken op kwaliteit opnieuw,
dit keer met vogels van verschillende soort en kleur en met minimale
kwaliteitsverschillen. Menigmaal zijn de
kwaliteitsverschillen
tussen de beste vogels zó gering, dat de som van goede eigenschappen en kleine
foutjes tegen elkaar afgewogen de doorslag moet geven welke vogel kampioen
wordt. Een goede keurmeester zal, wanneer hij in een bepaalde rubriek
strafpunten geeft, steeds de totale vogel in het oog houden. Het gaat er ten
slotte om dat de beste allround-vogel kampioen wordt. Zo kan het voorkomen dat
een iets kleinere vogel met zeer goede onderlinge verhoudingen en een prima
houding hoger eindigt dan een forse vogel met een prima kleur maar slecht
getraind. Een dergelijke slecht getrainde vogel bederft het hele showelement.
Met het invullen en
ondertekenen van het keurbriefje legt de keurmeester verantwoording af van zijn
beoordeling. Dat de fokker het met die beoordeling niet
altijd eens is, is een vaststaand feit, maar evenzeer een feit is dat de
kritiek in vele gevallen ongegrond is, waarmee ik niet wil zeggen dat een
keurmeester nooit eens een fout maakt. We moeten niet vergeten dat het
keuren van vogels slechts een momentopname is. In slechts enkele minuten moet
de keurmeester uw vogel bekijken en zijn waardeoordeel op papier zetten. Het
kan best voorkomen dat een vogel die 's morgens gestraft is voor een te los
gedragen bevedering, 's middags met een volkomen glad gedragen verenpakje in
de kooi zit. Het omgekeerde komt echter ook voor.
Voor een stam,
zijnde vier vogels van dezelfde soort, kleur en geslacht, worden maximaal 6
stameenheidspunten toegekend. Teneinde de vereiste
eenvormigheid bij toekenning van de eenheidspunten te verzekeren zijn er regels
opgesteld.
Het maximum aantal
van 6 eenheidspunten wordt toegekend als de vier eindtotalen op het keurbriefje
gelijk zijn, bijv. 89-89-89-89. Zijn er wel verschillen dan wordt het verschil
tussen het hoogste en laagste puntentotaal in mindering gebracht op het maximum
aantal van 6.
Voorbeeld: een stam
van 88 - 88 - 92 - 89; het verschil tussen hoogste en laagste puntenaantal is
4. Deze stam krijgt dus 6-4=2 stameenheidspunten. Bij een verschil van 6 of
meer worden geen stameenheidspunten toegekend.
Bij de door de
C.O.M. georganiseerde wedstrijden worden geen stellen gevraagd. Dit geldt ook
voor een zeer groot aantal nationale bonden in Europa. Bij de A.N.B.v.V.
(Algemene Nederlandse Bond van Vogelhouders) worden wel stellen gevraagd,
vandaar dat ik de wijze van toekenning van de eenheidspunten hieronder
uiteenzet.
Voor een stel,
d.w.z. twee vogels van dezelfde soort, kleur en geslacht, worden maximaal 3
steleenheidspunten toegekend.
Bij gelijke punten
(eindtotaal) 3 steleenheidspunten.
Één punt verschil 2
steleenheidspunten.
Twee punten verschil
1 steleenheidspunt.
Bij meer dan twee
punten verschil (bijv. 92-89) worden geen eenheidspunten toegekend.