20. ZIEKTEN
Jaarlijks gaan veel
vogels dood aan ziekten die voorkomen hadden kunnen worden als de eigenaar wat
meer aan ziektepreventie had gedaan. Meer dan de helft van het aantal
doodsoorzaken is terug te voeren op huisvestingsfouten, onvolledige voeding,
gebrekkige hygiëne en het achterwege blijven van doelmatige
voorzorgsmaatregelen. Wie zijn vogels in een tochtig en vochtig onderkomen
huisvest of te veel vogels in een te kleine ruimte houdt, vraagt om narigheid.
Hetzelfde geldt voor de liefhebber die zijn vogels uitsluitend zaad voorzet of
de algemene hygiëne aan zijn laars lapt. Ook het instellen van een
quarantaineperiode voor nieuw aangekochte vogels, behoort tot de normale
voorzorgsmaatregelen ter voorkoming van ziekten. De aankoop van vogels van onbekende
herkomst op vogelmarkten en vogelbeurzen is in menig opzicht een groot risico
en moet om die reden worden afgeraden. Laten we toch vooral bedenken dat de
goedkoopste en meest effectieve bestrijding van ziekten nog altijd het
voorkómen ervan is.
Helaas kan ook de
beste verzorging niet voorkomen dat er wel eens vogels ziek worden. Ook
optimaal verzorgde vogels kunnen een longontsteking of een virusziekte oplopen
of besmet worden met parasieten of bacteriën. Kortom ook de liefhebber die zijn
dieren optimaal verzorgt, zal van tijd tot tijd met ziekten te maken krijgen.
Ongeacht de aard van
de ziekte ziet de ene zieke vogel er bijna precies zo uit als de andere.
Sommige vogels kunnen diarree of ademhalingsmoeilijkheden hebben, wat een
aanwijzing kan zijn voor een bepaalde ziekte. Vaker worden we echter
geconfronteerd met het volgende algemene beeld: een afkeer van beweging,
opgezette veren, suffen, apathisch gedrag, veel slapen met twee poten op een
stok in plaats van met één poot opgetrokken in de bevedering zoals normaal bij
het slapen, half toegeknepen dof staande ogen, een verminderd vliegvermogen.
Zodra een vogel een of verschillende van bovenstaande symptomen vertoont,
moeten we ingrijpen.
Neem geen
afwachtende houding aan, want een dag uitstel betekent meestal het einde voor
de vogel; bovendien riskeert u bij een besmettelijke ziekte ook het leven van
de andere vogels. Vang de vogel dus direct uit en probeer de aard van de ziekte
te ontdekken.
Soms
zijn de symptomen zo duidelijk dat de oorzaak van de ziekte gemakkelijk is vast
te stellen en men gericht te werk kan gaan. In de meeste gevallen echter zal
het stellen van een diagnose voor ons kwekers niet mogelijk zijn. Wanneer u er
zelf niet uitkomt, aarzel dan niet een dierenarts te raadplegen. Uiteindelijk
is hij de eerst aangewezen persoon om bij ziekten van dieren hulp te bieden.
Het is stellig waar, dat één zieke vogel vaak minder waard is dan een bezoek
aan de dierenarts, maar als de mogelijkheid van een besmettelijke ziekte niet
uitgesloten is, is het een welbestede uitgave. Een catastrofe zoals een totale
ontvolking van uw fokkerij, kost u behalve veel geld ook een aantal slapeloze
nachten. Bovendien ben ik van mening dat iemand die dieren wil houden ook de consequenties
ervan dient te aanvaarden.
Wat de oorzaak van
het kwaad ook mag zijn, zet een zieke vogel altijd apart, het liefst in een
zgn. ziekenkooi die voorzien is van een regelbare warmtebron. Vogels hebben een
hoge stofwisselingsgraad, hun lichaamstemperatuur ligt enkele graden Celsius boven
die van de mens, zodat iedere storing of ziekte gemakkelijk de normale
regulatiesystemen in het lichaam in de war brengt. Een zieke vogel zal dan ook
spoedig moeite hebben zijn lichaamstemperatuur op peil te houden. Ook de
bloedcirculatie is verminderd, waardoor het ziekteproces versneld wordt en de
weerstand tegen andere ziekten snel afneemt. Essentieel is te trachten hierin
wat verbetering te brengen door de patiënt extra warmte te verschaffen. Begin
met de temperatuur in de ziekenkooi op ongeveer 30o Celsius af te
stellen. Blijft de vogel bij deze temperatuur 'dik' zitten, voer dan de
temperatuur tot 35o op. Als de vogel met open snavel begint te
hijgen, is het te warm en moet de temperatuur omlaag. In lichte ziektegevallen
heeft het verblijf in een verwarmde omgeving vaak een verrassend resultaat. De
warmte, benodigd voor het op peil houden van de lichaamstemperatuur, stelt de
vogel in staat met zijn eigen afweermiddelen de ziekte te overwinnen. Wanneer
de vogel opgeknapt is, kan de temperatuur over een periode van een paar dagen
geleidelijk weer worden teruggebracht tot de normale. Enkele dagen daarna kan
de vogel weer in zijn eigen omgeving worden losgelaten.
Als
kort na elkaar verschillende vogels ziek worden, zijn er twee manieren om het
kwaad te bestrijden. De eerste en helaas meest gebruikelijke is, zelf te
klungelen met producten die men bij de hand heeft. De kans dat men er op deze
manier in slaagt de ziekte onder controle te krijgen, is bijzonder klein. De
tweede en verreweg de beste manier van werken is, alle vogels met verdachte
symptomen apart te zetten, niets toe te dienen en zich onmiddellijk tot een
dierenarts te wenden met het verzoek onderzoek te verrichten. Men kan zich ook
richten tot de Faculteit Diergeneeskunde, Kliniek voor Gezelschapsdieren,
afdeling kleine gezelschapsdieren, vogels en bijzondere dieren te Utrecht,
telefoon (afspraken) 030-2539411. De kosten die deze instelling voor het
onderzoek in rekening brengt, vallen over het algemeen wel mee.
Voor het onderzoek
kan men het beste een zieke vogel aanbieden die naar alle waarschijnlijkheid
toch niet meer te redden is. De dierenarts kan het dier dan pijnloos uit zijn
lijden verlossen en het onderzoek onmiddellijk daarna verrichten. Het pijnloos
doden van een stervende vogel kan nauwelijks bezwaarlijk zijn, te meer omdat de
ziekteverwekkers veel beter te achterhalen zijn bij een post-mortem onderzoek
waardoor andere vogels mogelijk gered kunnen worden.
Men heeft gewoonlijk
ongeveer 48 uur nodig om één of verschillende bacteriën te determineren en te
identificeren - iets meer tijd als het om paratyfus of om chlamydiose (papegaaienziekte)
gaat - maar na het eerste onderzoek is meestal al een min of meer gerichte
behandeling mogelijk. Zieke vogels die binnen drie etmalen na het optreden van ziekteverschijnselen
met de juiste medicijnen worden behandeld, hebben een reële kans op herstel.
Daarna verminderen de kansen op welslagen naar gelang men het onderzoek
uitstelt.
Gebreksziekten zijn
eigenlijk geen echte ziekten; ze ontstaan als de vogels een noodzakelijk
voedingselement tekort komen of er te veel van krijgen en ze verdwijnen
gewoonlijk zodra de oorzaak is opgeheven. De gevolgen van een verkeerde voeding
ziet men het best en het snelst op momenten, dat aan de vogels hoge eisen
gesteld worden, ruiperiode, eieren leggen, maar ook bij infectieziekten en
'stress'. In extreme gevallen, vooral bij nestjongen, kunnen er als gevolg van
gebreksziekten misvormingen optreden met onherstelbare gevolgen.
Een
groot aantal gebreksziekten is het gevolg van een gebrek aan een bepaalde
vitamine of aan verschillende vitaminen. Iedere vitamine grijpt op een zeer
specifieke wijze in het proces van de stofwisseling in. Gebrek of een tekort
aan een bepaalde vitamine uit zich in een ziektebeeld dat karakteristiek is
voor de ontbrekende vitamine. Men spreekt bij het totaal ontbreken van een
vitamine van avitaminose en bij een tekort van hypovitaminose. Een teveel aan
vitamine, wat zich vooral voor kan doen bij de vitaminen A en D, wordt hypervitaminose
genoemd. Beschouwen we nu de ziektebeelden die het gevolg zijn van
vitaminedeficiënties.
Vitamine A is de
meest belangrijke vitamine. Zij is onontbeerlijk voor het bestaan van het
leven, de groei en de voortplanting. Avitaminose A uit zich in een algemene
achteruitgang van de gezondheid, onbevruchte eieren, zwellingen aan poten en
kop, ruwe bevedering en plotselinge sterfte.
Hypervitaminose
A veroorzaakt leverproblemen, ontkleuren en los zitten van de veren.
Vitamine D3 speelt
een belangrijke rol bij de beenvorming en is vooral onmisbaar bij de calcium- en fosforstofwisseling. Daarnaast speelt deze
vitamine ook een rol in de bescherming tegen infecties en de vruchtbaarheid.
Avitaminose D3 veroorzaakt veelal rachitis, gekenmerkt dooreen week
beendergestel, zachte pijnlijke gewrichten en een in S-vorm vergroeid
borstbeen. De aandoening komt alleen voor bij jonge opgroeiende dieren. Men kan
de diagnose stellen door aftasting van het skelet. Met enige anatomische kennis
is dit zeer wel mogelijk. In twijfelgevallen kunnen door de dierenarts foto's
gemaakt worden. De maatregelen ter voorkoming en behandeling van rachitis zijn
identiek. Voldoende vitamine D3 verstrekken en zorgen voor voldoende zon.
Voorts zorgen dat de vogels de beschikking hebben over een goed
mineralenmengsel waarin in voldoende mate fosfor en calcium aanwezig zijn,
bijv. voederkalk. In ernstige mate aangetaste dieren blijven misvormd, doordat
de verbogen beenderen door de opname van genoemde mineralen hard worden en in
de onnatuurlijke vorm blijven staan.
Andere
deficiëntieverschijnselen als gevolg van avitaminose D3 zijn: slechte groei,
verlammingsverschijnselen, ruwe bevedering, schaalloze eieren en legnood. Een
overdosering vitamine D gedurende langere tijd resulteert in ontkalking van het
beendergestel.
Het feit dat men de
vitamine E in sterke concentratie aantreft in de hypofyse, de bijnieren en de
testes doet vermoeden dat het een belangrijk biochemische rol speelt in de
klieren met inwendige secretie. Verder is vitamine E als antioxidant van
vitamine A indirect van invloed op de vruchtbaarheid. Een tekort aan vitamine E
resulteert in slechte broeduitkomsten. Ook verlammingsverschijnselen en het
onvermogen tot vliegen kunnen een gevolg zijn van een vitamine E-deficiëntie.
Een avitaminose B1
veroorzaakt een vergiftiging van het zenuwstelsel door de afbraakproducten van
de suikerverbranding in de spieren. Vandaar dat bij een tekort aan vitamine B1
o.a. verlammingsverschijnselen optreden. Andere deficiëntieverschijnselen zijn:
ruwe bevedering, bol zitten en een slijmerige ontlasting.
Ook het vitamine B2
is betrokken bij de stofwisseling van de suikers. Een vitamine B2 deficiëntie
uit zich in een verminderde groei, afsterven van het embryo in het ei en
teenverkrommingen.
Een tekort aan
vitamine B6 leidt onherroepelijk tot storingen in de eiwitstofwisseling en een
hiermee gepaard gaande slechte groei en kramptoestanden.
Een
vitamine B12-gebrek zal ongetwijfeld leiden tot slechte broedresultaten, zoals
slecht uit het ei komen en een hoge sterfte gedurende de eerste levensdagen.
Choline-deficiëntie
leidt tot leververvetting en een hiermede gepaard gaande lichamelijke
achteruitgang.
Een
tekort aan nicotinezuur, ook wel vitamine P genoemd, veroorzaakt diarree, gemis
aan eetlust, vertraagde groei, een gebrekkige bevedering en ontstekingen aan de
huid.
Een
tekort aan pantotheenzuur ten slotte veroorzaakt een groeistilstand.
Ook
lage broeduitkomsten en een slechte bevedering met kale plekken in de
nek
en hals kunnen op een gebrek aan pantotheenzuur duiden.
Behalve
de zojuist opgesomde gebreksziekten als gevolg van een gebrek aan één of
verschillende vitaminen, zijn er nog een aantal bekend waaraan een tekort aan
eiwitten of een eiwitovervoeding ten grondslag ligt. De belangrijkste wil ik
niet onvermeld laten.
Komt
het meest voor bij solitair gehouden agaporniden, maar ook vogels die lang in
broedkooien zitten hebben er wel eens last van. De oorzaken zijn
voedingsfouten, gemis aan beweging, maar kunnen ook van hormonale aard zijn.
Onderhuids op rug en
buikwand worden aanzienlijke vetvoorraden aangetroffen. Soms doet zich een
donkergele pigmentatie voor met tumoraal aspect. Vetzucht gaat veelal gepaard
met kortademigheid, slaperigheid, onvruchtbaarheid, enz. In extreme gevallen
kan de vogel bezwijken aan een hartverlamming.
De
behandeling tegen vervetting is simpel. Meer beweging geven,
vogel op rantsoen zetten, groenvoer en fruit geven.
Men onderscheidt
twee vormen van jicht, namelijk gewrichtsjicht en ingewandsjicht. Bij
gewrichtsjicht zijn de gewrichten gezwollen vooral de voetwortel en de
teengewrichten. Deze zijn dik, voelen warm aan, zijn pijnlijk en bevatten
uraten in de vorm van kleine knobbels met een crèmekleurige pasta-achtige
inhoud, vergelijkbaar met etterhaarden. Bij ingewandsjicht kunnen nieren,
lever, milt, darmen, longen en luchtzakken aangetast zijn. In tegenstelling tot
gewrichtsjicht is ingewandsjicht bij levende dieren niet vast te stellen.
Vogels die sterk vermageren en een krijtachtige ontlasting hebben zijn
verdacht.
De oorzaak van jicht
staat niet vast. Mogelijke oorzaken zijn: een tekort aan vitamine A,
eiwitovervoeding, nierbeschadiging, watertekort. Ook erfelijke factoren spelen
mogelijk een rol. Jicht komt in elke leeftijdscategorie voor. De aandoening is
bij oudere agaporniden slepend. De vogels vermageren sterk en kwijnen langzaam
weg. Beide vormen van jicht zijn ongeneeslijk.
Jicht kan preventief
bestreden worden door voldoende fris drinkwater ter beschikking te stellen,
waken voor eiwitovervoeding en tekort aan vitamine A.
Hieronder een
overzicht van de meest voorkomende infectieziekten.
Uitwendige parasieten
(ectoparasieten)
Vogels worden
regelmatig geplaagd door uitwendige parasieten. De voornaamste uitwendige
parasieten die we bij agaporniden aan kunnen treffen, zijn: bloedmijt
(bloedluis), vedermijt, vederluis en schurftmijt. Ze alle in detail bespreken
zou te ver voeren en ik zal mij hier dan ook beperken tot enkele algemene
beschouwingen en richtlijnen.
Als regel maken alle
huidparasieten de vogels onrustig en doen hun eetlust verminderen waardoor ze
vermageren en hun conditie achteruit gaat. Vooral jonge vogels zijn er zeer
gevoelig voor. Behalve deze algemene verschijnselen veroorzaken sommige
parasieten ook nog specifieke letsels.
De bloedmijt zuigt
's nachts bloed en veroorzaakt zo bloedarmoede. Vooral broedende en jonge
vogels die in het nestblok zitten, ondervinden veel hinder van de bloedmijt,
waardoor de kweek nadelig wordt beïnvloed en soms geheel mislukt.
De vedermijten
tasten de bevedering aan en zetten er hun eieren (neten) op af. Sommige
mijtsoorten dringen de schacht van de zich ontwikkelende veer binnen en leven
van de voedingsstoffen waarvan de veer moet groeien. Het is duidelijk dat op
die manier van een goede bevedering niets terechtkomt. Ook de al aanwezige
bevedering wordt ernstig aangetast.
Ook
de kleine vederluis tast de bevedering aan en zet haar neten erop af.
De
voedselmijt leeft niet zozeer op de vogel zelf, maar in de zaadbakken of tussen
bedorven zaad. Het is duidelijk dat ze de vogels schade berokkenen als ze samen
met het aangetaste zaad opgenomen worden. Preventief kunnen we bovenstaande
parasieten bestrijden door de mijten zo min mogelijk schuilgelegenheid te
bieden en te zorgen voor een droog hok en goede hygiënische voorzieningen.
Wanneer we ondanks alles toch met deze parasieten geconfronteerd worden, zullen
we gebruik moeten maken van insecticiden. De voorkeur gaat uit naar een
insecticide op basis van pyrethrine en piperonylbutoxyde. Het wordt door
verschillende fabrikanten in de handel gebracht en is voor de vogels het minst
schadelijk; chloorhoudende insecticiden echter kan men beter niet gebruiken.
Het spreekt vanzelf dat we ons bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen
nauwgezet houden aan de toepassingsvoorschriften die op de verpakking staan
aangegeven.
Als
ontsmettingsmiddel van kooien en binnenverblijven kan malathion (4-5%), een
organofosfaat, wél veilig gebruikt worden. Uiteraard dienen de vogels voor de
behandeling uit de verblijven verwijderd te worden en dient er een ruime tijd
gewacht te worden alvorens ze weer toe te laten.
Het
zogeheten 'Scaly face' bij grasparkieten werd in de laatste jaren ook enkele
keren vastgesteld bij agaporniden. De aandoening, ook wel schurftmijtziekte
genoemd, wordt veroorzaakt door de mijt Cnemidocoptes
pilae, die de vogel rond de snavel, de ogen, de anus en aan de poten aantast.
De schurftmijt zet
zich af op veerfollikels en in huidplooien en dringt direct de opperhuid
binnen. De daarbij ontstane huidveranderingen veroorzaken op en rondom genoemde
lichaamsdelen kraterachtige woekeringen. Als we er niets aan doen gaan de
vogels op den duur te gronde.
Over
de wijze waarop de aandoening van de ene op de andere vogel wordt overgebracht
lopen de meningen uiteen. Sommigen zijn van mening dat sommige vogels latente
dragers van de mijt zijn en veronderstellen dat de parasiet al bij het voeren
in het nest op de jongen wordt overgedragen. De aandoening komt echter
incidenteel ook voor bij oudere agaporniden in samenhang met andere
gezondheidsstoringen, die resulteren in een verminderd weersstandsvermogen.
Onderzoekingen hebben aangetoond dat de aandoening zich niet door het
volièrebestand verspreidt.
Een behandeling met
Ivermectine (Ivermectin) geeft goede resultaten. De behandeling geschiedt door
1 - 2 druppels van dit middel in de halsstreek van de vogel aan te brengen. De
behandeling wordt zonodig enkele keren herhaald. In het beginstadium van de
aandoening is ook paraffinum liquidum (vloeibare paraffine) zeer effectief. De
aangetaste plekken gedurende 5 dagen insmeren.
Inwendige parasieten
(endoparasieten)
Van de inwendige parasieten
kunnen de wormen een ware plaag vormen. De belangrijkste wormsoorten die
agaporniden parasiteren, zijn de ascariden of spoelwormen en de capillaria of
haarwormen.
Spoelwormen zijn
ronde wormen die aan beide einden spits uitlopen, met een lengte van ongeveer 4
cm; de kleur is lichtroze. Ze leven in de ingewanden van het halfverteerde
voedsel dat voor de vogel is bestemd. Behalve dat irriteren ze ook de darmwand,
wat op zichzelf de spijsvertering ongunstig kan beïnvloeden. De wormen
produceren een overvloed aan eieren, waarvan de schaal dik en donker van kleur
is en die tegelijk met de uitwerpselen van de vogel afgevoerd worden. Ongeveer
twee weken hierna zijn de eieren besmet voor de vogels. De besmetting wordt
veroorzaakt doordat de vogels de eieren opnemen. De niet opgepikte eieren
vormen nog maandenlang een besmettingsgevaar.
De verschijnselen
van een ascaridia-besmetting treden enkele weken na de opname van de eieren op,
bijgevolg nooit bij nestjongen. In het begin is een verhoogde eetlust waar te
nemen, doch desondanks vermageren de vogels sterk. Het borstbeen voelt scherp
aan. Zelden treedt diarree op. Vaak raakt de dunne darm geheel verstopt. Dit
veroorzaakt dan een opgezwollen buik, gebrek aan eetlust en braken. Daar deze
wormen tevens irritatie van de darmen veroorzaken, wordt de opname van
vitaminen belemmerd en kunnen verlammingsverschijnselen optreden, dit zowel bij
lichte als bij zware besmettingen. Onnodig erop te wijzen dat de conditie van
de vogels snel achteruit loopt, met dikwijls fatale gevolgen.
De capillaria zijn,
zoals de naam al zegt, zo dun als een haar. De lengte is ongeveer 1 cm en de
doorsnede 0,3 mm. Ze zijn met het blote oog nauwelijks te onderscheiden. De
eieren die ze produceren rijpen in ongeveer een week, dus vlugger dan die van
de ascariden. De haarwormen veroorzaken, doordat ze zich aan het darmslijmvlies
vasthechten, veel ernstiger en meer plotseling optredende verschijnselen dan
spoelwormen. Hier zien we in het algemeen een ernstige
darmontsteking met dikwijls bloed in de dunne ontlasting waardoor de vogels
ernstig ziek worden, snel vermageren en vaak niet meer in staat zijn te
vliegen. Besmetting vindt plaats door opname van eieren die in de uitwerpselen
van besmette dieren worden aangetroffen. De niet opgenomen eieren blijven, net
als met de eieren van spoelwormen het geval is, nog lang hun
besmettingsvermogen behouden, maar is toch kortstondiger van aard dan die van
de spoelwormen.
Een
uitstekend wormmiddel is Fenbendazole in een orale dosering van 10-50 mg/kg
lichaamsgewicht. Het middel wordt uitstekend verdragen. Wordt toegediend met
druppelpipet of knopnaald. Wie de toediening met druppelpipet of knopnaald niet
aandurft, kan een paar druppels van het middel op een stukje fruit doen. Wel
opletten dat de vogels het eten. Als de vogels gewend zijn af en toe een stukje
fruit te krijgen, lukt deze manier van medicijntoediening wel. Zo niet, dan is
men aangewezen op de drinkwaterkuur. Zeer geschikt voor deze methode is het
wormmiddel Levamisole. Dosering 400-600ml/l water gedurende 24 uur. Tijdens de
kuur geen ander drinkwater en groenvoer verstrekken.
De orale ontworming,
d.w.z. het wormmiddel rechtstreeks in de snavel of krop geniet echter de
voorkeur, terwijl de drinkwaterkuur vanwege het onregelmatige drinkgedrag van
de vogels niet altijd tot het gewenste resultaat leidt. Een herhaling van de
kuur na 3 weken is aan te bevelen.
Het is wenselijk de
vogels na een wormkuur een extra vitaminestoot te geven. Vooral een gebrek aan
vitamine A schijnt het besmettingsgevaar aanmerkelijk te verhogen.
Ter voorkoming van
herbesmetting dienen de hokken te worden gedesinfecteerd met een
natronloogoplossing (diverse fabrikaten). Dit moet na een week nog eens worden
herhaald. De buitenvolière moet 25 cm worden afgegraven en voorzien van schoon
rivierzand of ballast (mengsel van geel zand en grind).
Ideaal is een
betonnen vloer met rooster onder de zitstokken.
Giardia-infecties
komen bij agaporniden regelmatig voor. De veroorzaker behoort tot de
flagellaten (zweepdiertjes). De grootste klacht is verenpikken; dit kan zo
hevig zijn, dat de andere symptomen, zoals diarree, vermagering, het schilferen
van de huid en de meer algemene ziektesymptomen, over het hoofd worden gezien.
Het verenpikken begint meestal
op flanken en dijbenen. Gewoonlijk wordt aangenomen dat het verenpikken
veroorzaakt wordt door jeuk als gevolg van een allergische reactie op Giardia.
Microscopisch onderzoek van verse ontlasting kan de diagnose bevestigen.
Als therapeutica komen
o.a. dimentridazole (Emtryl) en ronidazole in aanmerking. De kansen op genezing
zijn wisselend. Behandelde vogels 2-4 weken in de gaten houden omdat de
infectie vaak opnieuw tevoorschijn treedt.
Bacteriële
infecties nemen behoudens een enkele uitzondering zoals salmonellose-infectie
vooral een secundaire plaats in. In principe komen Emterobacteriaceae (grote groep ingewandsziekten veroorzakende
bacteriën die normaal gesproken niet in de darmen voor mogen komen) niet voor
als darmflora. Gezonde vogels hebben normaal gesproken helemaal geen darmflora.
Wanneer een
bacteriesoort kans ziet zich in de vogeldarm te vestigen, dan is er sprake van
een verstoorde verhouding tussen afweer en infectiedruk. Dit kan het begin zijn
van een ingewikkeld en niet-specifiek ziektebeeld waarbij voeding, verzorging
en hygiëne een voorname rol spelen.
Salmonellose
of paratyfus wordt veroorzaakt door kiemen van het salmonella type; bij vogels
vrijwel uitsluitend door Salmonella
typhimurium, een beweeglijke staafjesvormige bacterie met een zeer lange
overlevingsduur. In uitwerpselen van besmette dieren kan men na zes weken en
dikwijls veellanger de bacterie nog aantonen. Vogels die salmonella hebben
gehad en ervan genezen zijn, kunnen smetstofdragers blijven en bacillen
uitscheiden. Dit samen met de lange overlevingsduur in de uitwerpselen
verklaart waarom de ziekte zo besmettelijk is en vrijwel over de gehele wereld
wordt aangetroffen.
De besmetting vindt
plaats door het opnemen van met bacillen besmet voer of drinkwater of via het
snavelen. Oorzaak is vaak ratten, muizen en buitenvogels (open buitenvolières)
waarvan de uitwerpselen in het voer of drinkwater zijn terechtgekomen.
Salmonellabacteriën kunnen ook via de eierstok op het broedei worden
overgebracht. Deze eieren komen meestal niet uit doordat het embryo in het ei
afsterft; komen ze wel uit, dan sterft het jong gewoonlijk kort na de geboorte.
De incubatietijd bedraagt 4 à 5 dagen.
Het ziektebeeld kan
bij oude en jonge vogels sterk verschillen. Bij nestjongen treedt plotseling
een hevige darmontsteking op, die in enkele uren meestal dodelijk afloopt.
Volwassen vogels vertonen aanvankelijk het algemene ziektebeeld: rillen, suffen
apathisch gedrag. In een later stadium treedt diarree op. Niet zelden wordt
ademnood geconstateerd. Meestal vertonen meerdere vogels van het bestand een
overeenkomend ziektebeeld, waardoor het epidemische karakter duidelijk wordt.
Een bacteriologisch onderzoek van de ontlasting kan de diagnose bevestigen.
Salmonellose is niet
gemakkelijk te genezen, ook al vanwege de korte incubatietijd. Zieke vogels
worden behandeld met een antibioticum geschikt voor het bestrijden van
salmonella-infectie zoals Enrofloxacin (Baytril), in samenhang met omvangrijke desinfectiemaatregelen.
Ernstig
zieke vogels zijn ondanks intensieve behandeling zelden te redden.
Colibacillose
wordt veroorzaakt door verschillende stammen van de bacterie Escherichia coli. De besmetting vindt
veelal plaats door opname van met ontlasting bevuild drinkwater of voer. De
ziekteverschijnselen zijn niet specifiek, maar meer van algemene aard. Bijna
altijd treedt diarree op. De ziekte komt vooral voor bij nestjongen en eist
veel slachtoffers. Oudere dieren hebben een zekere weerstand tegen colibacteriën,
ofschoon vogels die in een slechte lichamelijke conditie verkeren er ook
vatbaar voor zijn. E-colibacteriën kunnen ook in de ademhalingsorganen toeslaan
en een chronische ontsteking veroorzaken.
Colibacillose is
slechts door een bacteriologisch onderzoek van de ontlasting of van de
inwendige organen vast te stellen. Aangezien er verschillende stammen E. coli bestaan, met een duidelijk
verschil in antibioticumgevoeligheid, is zonder gevoeligheidstest geen gerichte
behandeling mogelijk. Trimethoprim in combinatie met een sulfapreparaat blijkt
vaak goed te werken.
Goede
hygiënische voorzieningen, vooral het voorkomen dat uw vogels van met
ontlasting bevuild water drinken, draagt bij de ziekte te voorkomen.
Tuberculose
veroorzaakt door de bacterie Mycobacterium
avium komt bij papegaaiachtigen nauwelijks voor. De reden dat ik er hier
toch even op inga houdt verband met de overdaagbaarheid van de ziekte op de
mens. De besmetting geschiedt veelal met de voeding, maar is ook mogelijk via inademing
van met deze bacteriën verontreinigde lucht.
Vogeltuberculose
is een slepende, vaak maandenlangdurende ziekte, waarbij de vogel in het begin
sterk vermagert. Tot kort voor het einde vertonen ze nauwelijks
ziekteverschijnselen. Later treedt dikwijls diarree op, soms ook krijgt de
vogel ademhalingsstoornissen.
Het
met zekerheid vaststellen van de ziekte is bij levende vogels niet eenvoudig.
De tuberculinatietest is bij vogels niet erg betrouwbaar terwijl ook het
bloedonderzoek niet altijd bruikbaar blijkt te zijn. Bij sectie daarentegen
blijken lever en milt vaak groter dan normaal en groenachtig van kleur. De
aangetaste organen vertonen bleekgele knobbels, die soms door de huid heen
voelbaar zijn.
Behandeling
van de ziekte is niet mogelijk.
Papegaaienziekte
of chlamydiose zoals de ziekte tegenwoordig algemeen genoemd wordt, is een veel
voorkomende ziekte bij vogels die ook de mens kan aantasten. De ziekte wordt
veroorzaakt door Chlamydia psittaci,
een smetstof die - vanuit de systematiek gezien - tussen de virussen en
bacteriën staat.
De
besmetting met chlamydia geschiedt in eerste instantie direct via de ademhaling
door inhalatie van rondzwevende besmette stofdeeltjes of via het voeren van de
jongen en van de broedparen onderling. Indirect via voer- en drinkbak,
transportkisten, tentoonstellingskooien of door uitwendige parasieten. Papegaaienziekte
kan zich zeer verschillend manifesteren. Men onderscheidt een acuut en een
chronisch ziektebeeld. De acute vorm van papegaaienziekte uit zich in
verkoudheidachtige verschijnselen: suffen, rillen, moeilijk ademhalen, neus- en
ooguitvloeiingen, uitputting en sterfte. Bij chronische infecties zien we
slechts algemene vage ziekteverschijnselen, slechte veerconditie, dikwijls
treedt gewichtsverlies op.
Agaporniden kunnen
drager zijn van de smetstof zonder zelf ziekteverschijnselen te vertonen. Ook
kunnen deze ogenschijnlijk volkomen gezonde dieren de smetstof met de
ontlasting uitscheiden en een voortdurende besmettingsbron zijn voor mens en
vogel.
Indien papegaaienziekte
als zodanig wordt erkend is de ziekte met de daarvoor geschikte medicijnen
werkzaam te bestrijden. Agaporniden worden gedurende 42 dagen behandeld met een
met chloortetracycline (CTC) of doxycycline (DC) geïmpregneerd zaadmengsel dat
gewoonlijk bestaat uit 85% gepelde milletzaad, 10% gepelde en gebroken haver en
5% gepelde zonnebloempitten.
Tijdens de kuur
dient men bijzondere aandacht te schenken aan de verzorging, omdat de vogels
dan extra bevattelijk zijn voor infecties met bacteriën en schimmels. Het
verdient aanbeveling tijdens de behandelingsperiode dagelijks een
multivitamine- en aminozuurpreparaat aan het drinkwater toe te voegen teneinde
de negatieve bijwerkingen van de
tetracycline af te
zwakken en de natuurlijke weerstand van de vogels te ondersteunen. Tijdens de
behandeling geen grit of kalk verstrekken.
Het
regelmatig reinigen en desinfecteren van het vogelverblijf met een quarternair
ammoniumproduct, als Halaquat Forte (Veip), draagt bij de smetstof uit te schakelen
en herbesmetting te voorkomen.
Bij papegaaiachtigen
zijn de laatste jaren verschillende virussen aangetoond en de verwachting is
dat het aantal virusinfecties in de toekomst nog zal toenemen. In hoeverre dit
problemen gaat vormen, is moeilijk in te schatten. Feit is wel dat er tot op
heden geen medicijnen zijn om virussen effectief te bestrijden. Het voorkomen
van virusziekten kan alleen door vaccinatie, maar het ontwikkelen van een
vaccin is niet zo eenvoudig en bovendien een zeer kostbare zaak. De enige
wapens die overblijven zijn optimale hygiënische omstandigheden en quarantaine
maatregelen voor nieuwe aankopen.
Hoewel het
polyomavirus het meest voorkomt bij jonge grasparkieten, zijn alle soorten van
papegaaiachtigen er gevoelig voor.
Men onderscheidt
verschillende vormen van polyoma, ook is er een dramatisch verschil in het
ziektepatroon bij de verschillende papegaaiachtigen. Bij grasparkieten
bijvoorbeeld, kennen we een extreme vorm en een milde vorm van polyoma. Bij de
extreme vorm van polyoma ziet men tot 10 à 15 dagen een normale ontwikkeling,
dan plotselinge sterfte zonder verdere symptomen. Andere nestjongen van
hetzelfde ouderpaar tonen een opgezwollen buik en uitdrogingsverschijnselen wat
vooral goed zichtbaar is aan loopbenen en tenen, die enigszins verschrompeld
aandoen, soms ziet men zenuwafwijkingen. De dons- en contourveren veren van
zulke nestjongen zijn sterk onderontwikkeld en er is veel sterfte in de eerste
drie levensweken, soms oplopend tot 100%. Jongen die overleven tonen
bevederingstoornissen in de dekbevedering terwijl de grote vleugel- en
staartpennen nauwelijks zijn ontwikkeld waardoor de vogels niet kunnen vliegen.
Het zijn in alle gevallen onderontwikkelde vogels die niet meer herstellen.
Bij de milde vorm
van polyoma - deze treedt op als de jonge vogels na de 15de dag met het virus
worden geïnfecteerd - laten de jonge grasparkieten vlak voordat ze het nestblok
verlaten, alle slag- en staartpennen vallen. Hierbij dient te worden opgemerkt
dat ook de milde vorm van polyoma verschillende gradaties kent variërend van
het verlies van enkele vleugelpennen tot de zwaardere gevallen, waarbij ook de
lichaamsbevedering is aangetast.
In de spoel van de
afgeworpen vleugelpennen zien we een roodbruine bloederige massa, zodat wel van
bloedpennen gesproken wordt. De veerschachten zijn bros en tonen enigszins
gekrulde baarden. Aan het einde van de schacht zijn de pennen iets geknikt.
Behalve
het feit dat de jonge vogels niet of nauwelijks kunnen vliegen en zich over de
grond of langs het gaas kruipend voortbewegen, vandaar de benaming kruiper,
zijn ze verder vitaal en lijken volkomen gezond. Deze vogels herstellen
gewoonlijk na enige tijd weer normaal, waarbij de meer ernstige gevallen soms
wat in groei achterblijven in vergelijking met hun niet aangetaste
soortgenoten.
Bij agaporniden
onderscheidt men eveneens de peracute sterfte zonder voorafgaande symptomen.
Een ander ziekteverloop bij agaporniden wordt gekenmerkt door verschijnselen
van lusteloosheid, geen eetlust, gewichtsverlies, vertraagde kroplediging,
braken, diarree, uitdrogingsverschijnselen, ademhalingsproblemen en verhoogde
urinevloei en vervolgens sterfte binnen een tijdsbestek van twee dagen. Bij
agaporniden blijkt bij sectie de buikholte gevuld met helder vocht en ziet men
een smalle bleke milt en een bleke gezwollen lever.
Bij agaporniden
treden de problemen gewoonlijk aan het licht op een leeftijd van 4 tot 16
weken. Agaporniden welke na vijf maanden met het polyomavirus in aanraking
komen zullen doorgaans antistoffen opbouwen zonder ziekteverschijnselen te
vertonen.
Naar de oorzaak van
polyoma is vooral de laatste jaren door talrijke wetenschappers intensief
onderzoek gedaan. Uit de onderzoeken is gebleken, dat de ziekte wordt
veroorzaakt door het zogeheten avipolyoma-virus, een virus dat taxonomisch tot
de grote familie van de papovavirussen wordt gerekend. De naam papovavirus
geldt als familieaanduiding voor het Papilloma (PA), Polyoma (PO) en Vacuola
(VA) virus.
Volwassen vogels
verspreiden het virus door huidschilfers, veerstof en uitwerpselen. Verder zijn
er aanwijzingen dat het virus ook via het broedei kan worden overgebracht. Een
besmettingsroute via de ademhaling wordt niet uitgesloten omdat bij onderzoeken
virusdeeltjes in het longweefsel zijn aangetroffen.
Door polyoma
aangetaste jonge dieren verspreiden het virus door afgeworpen veren of
veerdeeltjes, huidschilfers, veerstof, de ontlasting en mogelijk ook via de
ademhaling.
Vogels die de ziekte
te boven komen, kunnen 'dragers' worden en op bepaalde momenten van stress een
infectiebron vormen fokbestanden. Een aantal vragen ten aanzien van de
progressie van de ziekte zijn nog onbeantwoord gebleven. Een open vraag is nog
steeds, waarom sommige kweekparen voortdurend geïnfecteerde jongen
voortbrengen, terwijl andere het ene jaar gezonde nakomelingen voortbrengen en
het andere jaar zieke.
Zoals
bij alle virusziekten zijn er geen specifieke medicijnen om de aandoening te
behandelen. In Amerika wordt momenteel nog onderzoek verricht naar een vaccin
als voorbehoedmiddel tegen de ziekte. Ook wordt momenteel een vaccin met
geïnactiveerd polyoma-virus door verscheidene universiteiten getest, dit is
echter nog niet relevant voor de praktijk. Maar ook als er in de nabije
toekomst een doeltreffend voorbehoedend vaccin in productie komt, zie ik - het
vogelwereldje kennende - nog geen wereldwijd vaccinatieprogramma van de grond
komen waaraan elke parkiet- en papegaaienhouder deelneemt. De verwachting is
dan ook dat er altijd vogels zullen blijven die de besmetting kunnen
verspreiden. Daarom is het zaak dat we leren omgaan met het fenomeen polyoma.
Fokkers die nog
nooit met polyoma te maken hebben gehad, dienen zich te realiseren dat juist
hun bestand het meest kwetsbaar is omdat hun vogels onvoldoende of zelfs
helemaal geen antistoffen tegen de ziekte hebben opgebouwd.
Wanneer de ziekte
onverhoopt optreedt, moeten een aantal maatregelen genomen worden om
verspreiding van het virus binnen het bestand zoveel mogelijk te beperken.
Tot
die maatregelen behoren:
-
broedkooien, broedblokken, enz. regelmatig desinfecteren met een
virusdodend middel, bijv. Vircon-S;
-
het gebruik van een lucht-ionisator, zodat zwevende stofdeeltjes die door
de virussen als
transportmiddel gebruikt worden, snel neerslaan;
-
zorgen voor een goede ventilatie en afzuiging gedurende de tijd dat de
vogels actief zijn;
- als u de
kweekruimte met een stofzuiger reinigt een tweede slang aan de
uitlaat van het
apparaat koppelen en deze naar buiten leiden zodat de
eventueel opgezogen
virussen niet door het hele verblijf verspreid
worden;
-
geen eieren of jongen overleggen in bestanden waarin polyoma voorkomt;
-
afgeworpen veren van aangetaste dieren direct verwijderen en afvoeren.
- ernstig aangetaste
jongen die - naar het zich laat aanzien - toch niet
meer herstellen in
laten slapen. Deze zware gevallen vormen een ernstige
infectiebron en
daardoor een bedreiging voor de andere fokvogels.
-
ouders van dergelijke vogels tenminste een half jaar
uitsluiten voor de
fok.
Als na die periode opnieuw polyoma in het
nest optreedt, het betreffende
fokspan eveneens in
laten slapen, hoe hard dat ook klinkt.
Het
is duidelijk dat u geen vogels verkoopt en er ook niet mee showt als polyoma in
actieve vorm in uw bestand aanwezig is. Doet u dat toch dan werkt u, met de
kennis die u thans over dit onderwerp heeft, bewust mee aan de verdere
verspreiding van deze besmettelijke ziekte en kunt u zich afvragen of u zich
nog wel vogelliefhebber mag noemen.
Snavel- en
veerrotziekte bij papegaaiachtigen of Psittacine Beak and Feather Disease
(PBFD) zoals de Engelse benaming van deze ziekte luidt, is een besmettelijke
virusziekte die bij een groot aantal papegaaiachtigen, waaronder agaporniden
voorkomt.
De meest opvallende
verschijnselen zijn bevederingstoornissen en snavelafwijkingen. Voorts blijkt
dat het virus het natuurlijke afweermechanisme van de vogels aantast waardoor
ze gevoeliger zijn voor andere ziekteverwekkers. Vooral jonge, in de groei
zijnde vogels zijn gevoelig voor PBFD.
Vaak treden de
eerste verschijnselen al op tijdens de eerst ontwikkeling van het verenpakje.
Niet zelden echter treden de verschijnselen pas op tijdens de eerste jeugdrui.
Maar ook bij volwassen vogels komt de ziekte voor.
In veel gevallen
blijven de veerafwijkingen beperkt tot de vleugel- en staartpennen. Meestal
worden stolsels in de veerschacht en verdikkingen en insnoeringen aan de basis
van de veer vastgesteld. Soms is ook de lichaamsbevedering aangetast en wijkt
de veerstructuur en de pigmentatie van de bevedering duidelijk af van die van
gezonde dieren.
Menigmaal worden ook
snavelmisvormingen aangetroffen met ernstige ontstekingen van het hoorn van de
snavel.
Als gevolg van de
aantasting van het natuurlijke afweersysteem gaan de vogels uiteindelijk te
gronde aan diverse bacteriële infecties en/of schimmelinfecties.
Verspreiding van het
virus geschiedt door huidschilfers, veerstof en uitwerpselen. Ouders kunnen het
virus op de jongen overbrengen tijdens het voeren. Mogelijk is er ook een
besmettingsroute via het broedei.
Een bijzonder groot
gevaar gaat uit van de zogenaamde 'PBFD-dragers', dit zijn met PBFD besmette
dieren die zelf geen ziekteverschijnselen vertonen, maar de ziekte wel kunnen
verspreiden.
In Nederland kan men
vogels met afwijkingen laten onderzoeken door de Vakgroep Pathologie, Afdeling
Bijzondere Dieren van de Faculteit voor Diergeneeskunde in Utrecht teneinde
vast te stellen of het PBFD-virus al of niet aanwezig is. Verdachte dieren
echter niet.
In de USA is een
test ontwikkeld waarbij door middel van bloedonderzoek de besmetting kan worden
aangetoond. Ook vogels die verdacht worden, kunnen worden getest. Inmiddels is
deze test ook in Europa beschikbaar.
Voor deze ziekte
bestaat geen remedie. Euthanasie is, gezien het besmettingsgevaar vooralsnog de
enige juiste beslissing.
In de USA zijn
proeven uitgevoerd met een voorbehoedend vaccin. De resultaten lijken, naar
verluid, hoopvol. Niettemin zal het nog wel enige jaren duren voordat hier een
entstof verkrijgbaar zal zijn, waarmee PBFD kan worden voorkomen.
Preventieve
maatregelen:
-
langdurige quarantaine periode;
-
zorg dragen voor optimale hygiënische omstandigheden (zie de maatregelen
opgesomd bij
polyoma);
-
geen vogels aankopen waarvan de achtergrond onbekend is.
Pseudo-vogelpest of
NCD (New Castle Disease) is een gevreesde pluimveeziekte, maar ook andere
vogelsoorten waaronder verschillende papegaaiachtigen zijn er gevoelig voor.
Hoewel de ziekte bij in gevangenschap gehouden papegaaiachtigen slechts zelden
wordt vastgesteld, blijken deze vogels zeer gevoelig voor experimentele
infecties.
Pseudo-vogelpest
wordt veroorzaakt door een virus van de zogeheten paramyxo virusgroep. De
incubatietijd bedraagt minimaal drie dagen. De ziekteverschijnselen zijn zeer
verschillend. In veel gevallen worden ademhalingsstoornissen en diarree
waargenomen. Soms treden neusvloeiingen op of worden verlammingsverschijnselen
opgemerkt. Een andere keer de algemene ziekteverschijnselen zoals bolzitten,
veel slapen, weinig eetlust en een bevuilde cloaca als gevolg van de diarree.
De aangetaste dieren sterven vrijwel altijd tussen de zesde en negende dag na
het optreden van de eerste ziekteverschijnselen.
Uitsluitsel over
pseudo-vogelpest kan alleen met behulp van laboratoriummethoden worden gegeven.
Voor deze ziekte bestaat zoals bij alle virusziekten geen remedie.
Beschermende
maatregelen:
Wanneer op
Nederlands grondgebied NCD wordt vastgesteld, stelt de overheid rond de
besmettingshaard een beschermings- en toezichtgebied in. Binnen het
beschermings- en toezichtgebied kunnen allerlei maatregelen verplicht
gesteld worden,
zoals aanvullende vaccinaties voor alle categorieën bedrijfspluimvee,
vervoersverbod voor pluimvee en vogels, verbod op het houden van
tentoonstellingen, enz. Indien men in zo'n beschermings- en toezichtgebied
woont, is het raadzaam in overleg met de dierenarts een voorbehoedende enting
(sprayenting) te doen. De resultaten van dergelijke entingen bij groepen vogels
zijn goed maar bieden slechts voor korte tijd (enkele maanden) bescherming.
Infecties met
schimmels en gisten worden gevonden in het voorste gedeelte van het
spijsverteringskanaal, bek, krop en kliermaag en in de luchtwegen en als
huidinfectie. Ze kunnen een ware verwoesting in een kweekbestand aanrichten. In
bijna alle gevallen is er sprake van een verminderde weerstand,
voedingsdeficiënties, slechte hygiënische omstandigheden en overbevolking.
Deze
aandoening wordt veroorzaakt door een schimmel, meestal Aspergillus fumigatus, maar ook Aspergillus
niger. Aspergillus-schimmels komen overal in de natuur voor. Ze gedijen op
bedorven voedsel of op vochtige kooibodems in een warme omgeving.
De besmetting
geschiedt doordat de vogels de sporen van de schimmels inademen. Onderlinge
besmetting in een bestand is niet mogelijk. In de regel wordt de ziekte pas
ontdekt als de ademhalingswegen al zijn aangetast en de vogel hoorbaar ademt.
Vogels die ernstig door de schimmel zijn aangetast, krijgen op den duur
ademnood en stikken tenslotte. Soms vallen er slachtoffers zonder voorafgaande
ziekteverschijnselen.
Aspergillose
is praktisch ongeneeslijk.
Candidiase
wordt veroorzaakt door verschillende gistcellen, voornamelijk Candida albicans. Candida-cellen worden
ook op de slijmvliezen van gezonde dieren aangetroffen. Ze veroorzaken pas
ziekte als de algemene gezondheidstoestand te wensen laat en er sprake is van
een verminderde weerstand tegen schimmelinfecties. Slechte hygiënische toestanden,
overbevolking, deficiënties en langdurige antibioticatoediening in water of
voer werken de ziekte in de hand. Candidiase tast vooral het slijmvlies van de
krop, de snavelholte en de slokdarm aan, in mindere mate dat van de spiermaag
en de dunne darm.
Microscopisch
onderzoek en cultuurproeven kunnen de diagnose bevestigen.
De
infectie kan bestreden worden met een langdurige behandeling met nystatine.
Tumoren zijn
groei-explosies van bepaalde cellen. Ze komen bij alle papegaaiachtigen voor,
maar veruit het meest bij grasparkieten vooral in de leeftijdsgroep van 4 - 6
jaar. Opvallend is dat de aandoening veel voorkomt bij solitair en in kooien
gehouden vogels en in veel mindere mate bij in volières gehouden dieren. De
oorzaak van tumoren is niet bekend.
Bij tumoren vlak
onder de huid, de zogenaamde subcutane tumoren, gaat het meestal om goedaardige
vetgezwellen die in sommige gevallen wel tot walnootgrootte kunnen uitgroeien.
Ze bloeden gemakkelijk en kunnen bij beschadiging tot ernstig bloedverlies
leiden. Onderhuidse tumoren komen voor op vleugels en romp, vooral op de
onderbuik. De algemene gezondheidstoestand van de vogel lijkt bij dergelijke
tumoren niet aangetast. Behandeling kan alleen door operatief ingrijpen. Het is
duidelijk dat dit alleen een zaak voor de dierenarts is.
Bij inwendige
tumoren tonen de vogels zich vaak erg lusteloos. Ondanks het feit dat ze wel
eten, vermageren ze sterk. Bij grote tumoren in de buikholte treden vaak
ademhalingsstoornissen op, omdat de tumor op de luchtzakken en longen drukt en
ademnood veroorzaakt. Bij vrouwelijke vogels treden vaak eierstoktumoren op,
bij mannelijke vogels tumoren aan de testes. Bij nierentumoren vertoont de
vogel veelal aan een van beide poten verlammingsverschijnselen.
Bij verdenken van
inwendige tumoren kunnen röntgenfoto's uitsluitsel geven. In het bevestigende
geval is euthanasie de beste oplossing.
EMA-syndroom
(eczeem-syndroom)
Een
ziekteverschijnsel dat tot op heden alleen is waargenomen bij grasparkieten en
agaporniden en waarover nog maar weinig bekend is. Ogenschijnlijk gaat het om
een simpele huidaandoening die zich tot de vleugeloksels beperkt, meestal
slechts eenzijdig. De aandoening begint met een klein wondje in de vleugeloksel
dat aan een scheurtje in de huid doet denken. In een later stadium is de wond
bedekt met geronnen bloed doordat de vogel er voortdurend aan pikt. De
buitenste rand wordt geelachtig en is enigszins gezwollen. In dit stadium wordt
de vogel minder actief en zien we de algemene ziekteverschijnselen optreden. Na
enkele weken sterft de vogel.
Over de oorzaken van
de ziekte bestaat geen duidelijkheid. Als infectiebron worden verschillende
bacteriën en schimmels genoemd, mogelijk spelen ook virussen een rol. De tot nu
toe gevolgde therapieën leiden niet tot volledig herstel. Onderlinge
overdraagbaarheid van de aandoening is niet vastgesteld.
Het zogenaamde
'zelfplukken' zien we vooral bij de grote papegaaien, kaketoes, agaporniden en
lori's, in mindere mate bij grasparkieten. Daarbij gaat het voornamelijk om
solitair gehouden dieren.
Ook kweekparen maken
zich vaak schuldig aan verenplukken, het zij dan dat
ze zich meestal niet zelf plukken, maar zich aan hun jongen vergrijpen. Het
plukken van de jongen door de ouders kwam in hoofdstuk 15 blz. 69 al ter
sprake, zie aldaar.
Solitair gehouden
agaporniden beginnen soms zonder aanwijsbare reden zichzelf de veren uit te
trekken. Begonnen wordt meestal met de veertjes van de borst en de
schouderdekveertjes. Later komen ook de grotere veren aan de beurt, alleen de
kopveertjes blijven om voor de hand liggende reden gespaard. In zeer ernstige
gevallen verwondt de vogel zich tot bloedens toe door ook de huid onder handen
te nemen.
De oorzaak is veelal
van psychische aard. Een enkele keer kan een te eenzijdige voeding de oorzaak
zijn, waardoor de veren niet goed doorkomen en de vogel er aan gaat pikken.
Verenplukken
kan ook het gevolg zijn - en waarschijnlijk veel vaker
dan we denken - van huidaandoeningen als gevolg van infecties die irritaties
veroorzaken, inwendige aandoeningen die pijn veroorzaken (tumoren) of
Giardia-infectie.
In de eerste plaats
dient men zich serieus af te vragen wat de oorzaak van het plukken kan zijn.
Bij met de hand groot gebrachte agaporniden komt het verlies van de pleegouder
stellig als mogelijke oorzaak van de psychische gestoordheid in aanmerking. Bij
het bereiken van de geslachtsrijpe leeftijd kan het ontbreken van een partner
als mogelijke oorzaak overwogen worden. Voorts verveling, wanneer de vogel de
gehele dag alleen is. Een mogelijke oplossing in voornoemde gevallen is, voor
een passende partner te zorgen. Een nadeel is dat handtamme vogels zich in
mindere mate met hun verzorger zullen inlaten. Het welbevinden van uw huisdier
zal die keuze echter stellig vergemakkelijken. Het gebruik van sprays of andere
preparaten is in deze gevallen weggegooid geld.
Wanneer
het verenplukken het gevolg is van een huidziekte of giardia-infectie, zal het
'zelf-plukken' gewoonlijk achterwege blijven als de ziekte verholpen is.
Het verenplukken kan
in extreme gevallen tot kannibalisme leiden. Vogels met bloedige huidplekken
moeten apart gezet worden totdat de verwondingen genezen zijn. Veren die
afgebeten zijn of waarvan een deel afgebroken is, kunnen het best uitgetrokken
worden, zodat de vogel er niet meer aan kan knabbelen. Het duurt zes tot acht
weken tot de nieuwe veer volgroeid is.
Een andere vorm van
kannibalisme is wanneer de jongen in de nestkast of direct na het uitvliegen door
één van de oudervogels, meestal de pop, gedood worden. Vaak wordt het opnieuw
in broedstemming komen van de oudervogels als oorzaak genoemd. Het komt
inderdaad voor dat de jongen kort na het uitvliegen door de oudervogels worden
verdreven. Daar de jongen in de broedkooi onvoldoende kunnen uitwijken, komt
het daarbij soms tot ernstige verwondingen waarbij ook wel eens dodelijke
slachtoffers vallen. Men kan dit probleem voorkomen door, zodra de oudervogels
enige agressie vertonen, de jongen in een klein inzetkooitje te zetten waarvan
de maaswijdte zo groot is dat ze wel door de ouders gevoerd, maar niet meer
belaagd kunnen worden.
Wanneer
de jonge vogels in de nestkast gedood worden is dat meestal te wijten aan de
onervarenheid van veelal te jonge poppen die met hun jongen 'niets weten aan te
vangen' of er zelfs bang voor zijn.
Het
pijnloos doden van een vogel is soms noodzakelijk. Bijvoorbeeld als een
behandeling uitzichtloos is of indien er sprake is van een ongeneeslijke ziekte
die het gehele bestand bedreigt.
De
beste methode is een overdosering met ether. Dit gaat als volgt:
-
10 tot 20 druppels ether in een plastic zakje doen;
-
vogel er in stoppen en zakje afsluiten;
-
vogel raakt vrijwel direct onder narcose waarna binnen enkele minuten de
dood intreedt.
- na het uitdoven
van alle levenstekenen, het zakje nog enkele minuten
gesloten houden, om er zeker van te zijn dat
de vogel is gestorven.
Met
nadruk wil ik er nog eens op wijzen dat dit hoofdstuk dient ter informatie en
niet geschreven werd om het zelf dokteren te bevorderen. Integendeel, ik doe
een dringend beroep op u bij ziekteproblemen zo spoedig mogelijk contact met
een dierenarts op te nemen. Wanneer het om meerdere zieke vogels gaat, kunt u
het best de dierenarts laten komen zodat hij zich een beeld kan vormen van de
situatie in uw fokkerij. Overleg over preventieve maatregelen, het gebruik en
de keuze van medicijnen kan dan ter plekke plaatsvinden.