Genus AGAPORNIS Selby, 1836

AGAPORNIDEN

 

Agapornis canus (Gmelin)

Grijskopdwergpapegaai

Ook: grijskop-agapornis of kortweg cana.

 

Soortbeschrijving

Formaat: 14 cm.

Man: Kop, nek en borst parelgrijs. De algemene lichaamskleur is groen; onderborst, buik en flanken meer geelachtig groen. Vleugeldek en mantel donkergrijsachtig groen; stuit donkergroen. De vleugeldekveertjes doen ietwat gehamerd aan. Grote vleugelpennen donkergrijs; de buitenvlaggen zijn groen getint. De grote ondervleugeldekveren zijn zwart. De grote staartveren, die voor een deel door de boven- en onder-staartdekveren worden bedekt zijn groen, de secundaire staartpennen tonen, gerekend vanaf de basis een geelgroene en zwarte dwarstekening; staarttippen donkergroen. Bovenstaartdekveren groen; onderstaartdekveren meer geelachtig groen. De bovensnavel is beige hoornkleurig; ondersnavel grijs. Ogen donkerbruin. De poten zijn lichtgrijs; nagels donkergrijs.

Pop: Kop, nek en borst grasgroen. Ondervleugeldekveren groen. De zwarte dwarsband in de staartveren is iets minder breed dan die van de man. Voor het overige geheel gelijk aan de man.

 

Ondersoorten

A. c. ablectaneus Banks, 1918

Rodriguez grijskopdwergpapegaai

Ook: blauwovergoten grijskop-agapornis

Verspreidingsgebied: Zuidwest-Madagascar

Kenmerken: Man: kop, nek en borst zijn dieper grijs en met een violetachtig tintje overgoten. Algemene lichaamskleur meer blauwachtig donkergroen met duidelijk waarneembaar minder geel.

Pop: het groen is minder geel getint, meer blauwachtig groen en een nuance donkerder

 

A. c. canus (Gmelin, 1788)

Verspreidingsgebied: binnenland en kustgebied van Madagascar, uitgezonderd het zuidwesten

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm.

 

Algemene informatie

Beide ondersoorten komen bij de liefhebbers voor, maar niet talrijk.

 

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II, echter geen administratieplicht, ook niet voor de ondersoorten.

 

Gedrag

Cana’s hebben tijd nodig om aan hun verzorger te wennen, aanvankelijk erg schuw en schrikachtig, wel actief, niet luidruchtig. In gevangenschap gefokte vogels zijn vrij sterk en geven bij een goede verzorging en huisvesting weinig problemen.

 

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs in kleine binnenvolière of ruime kooi; minimale afmetingen (lxdxh) 80 x 40 x 50 cm. ’s Winters niet onder 100 C, tevens slaapnestblokken aanbieden. Gedurende de zomermaanden ook huisvesting in buitenvolière; in kolonieverband minstens drie koppels samen plaatsen en ca. 2 m² bodemoppervlakte per koppel aanhouden. Dagelijks badwater verstrekken en regelmatig verse knaagtakken geven.

 

Voeding

Gevarieerd zaadmengsel voor agaporniden. Cana’s neigen vlug naar eenzijdige voeding., zijn kieskeurig. Verder eivoer (gerantsoeneerd), allerhande groenvoer en fruit. Dagelijks vers drinkwater, maagkiezel en grit. In de broedtijd meer eivoer geven, in melk geweekt oud bruinbrood en gekiemd zaad, vooral gekiemde trosgierst wordt graag genomen.

 

Fok

Lukt regelmatig, is niet gemakkelijk maar ook niet echt moeilijk. Is in een ruimte met kamertemperatuur en een luchtvochtigheidpercentage tussen 65 en 75 het hele jaar mogelijk, anders wachten met de fok tot voorjaar en zomer. Nestkast, bij voorkeur, langwerpig, horizontaal model zoals vaak gebruikt wordt voor grasparkieten. Op de bodem vermolmd hout of halfvergane dennennaalden aanbrengen. Wilgentakken met blad, vlier, laurier en rododendron verstrekken voor nestbouw. Legselgrootte 2 tot 3 oplopend tot 5, soms tot 7 eieren. Pop broedt alleen, broedduur 21 dagen, nestduur variërend van 5 tot 6 weken, ca. 3 weken daarna zelfstandig. Ringmaat 4 mm. Meerdere broedsels per jaar mogelijk, echter na twee ronden stoppen met de fok in verband met uitputting. Bij koloniebroed minstens 2 nestkasten per paar aanbieden. Fokvogels moeten ongeveer één jaar oud zijn.

 

Mutaties

Er is een gele verschijningsvorm bekend met donkere ogen. Het gaat om een pop die aanvankelijk groene veren had, maar tijdens de jeugdrui omkleurde in geel. Of het hier inderdaad gaat om een mutatie en hoe deze vererft, is nog niet duidelijk.

 

 

Agapornis fischeri Reichenow, 1887

Fischer’s dwergpapegaai

Ook: fischeri

 

Verspreidingsgebied: Noord-Tanzania, Zuid-Kenia. Door de mens ingevoerd in Noordoost-Tanzania rondom Dar es Salaam en Tanga; eveneens ingevoerd in Kenia rond Mombassa, Nairobi, Naivasha en Isiola.

 

Soortbeschrijving

Formaat: 15 cm.

Man en pop: voorhoofd, wangen en bef tot aan de groene kleurscheiding op de bovenborst oranjerood. Bovenschedel bruinachtig bronskleurig met een oranje tintje; verder op de achterkop en in de nek geleidelijk overgaand in warm olijfgeel; tussen de diep oranje gekleurde wangen en de warmgele kleur van de nek bevindt zich een warm bronsgroene overgangszone.

De algemene lichaamskleur is groen; op onderborst, buik, flanken en anaalstreek geelachtig groen; mantel en vleugeldek donkergrasgroen. Het vleugeldek doet enigszins gehamerd aan. In de vleugelbocht bevindt zich een smalle, gele vleugelrand. Grote vleugelpennen donkergrijs met groene buitenvlag. Stuit en bovenstaartdekveren grijsachtig violet, waarbij het violet overheerst; onderstaartdekveren geelachtig groen. Van de grote staartveren, die bijna geheel door de boven- en onderstaartdekveren bedekt worden, tonen de primaire staartveren groen, de secundaire staartveren tonen gerekend vanaf de basis een oranjerood-grijszwarte dwarstekening; de uiteinden van zowel de primaire als de secundaire staartveren zijn dof hemelsblauw. Snavel koraalrood met aan de basis een witte snavelriem. Ogen bruin, omgeven door een witte ring van washuid. Poten lichtgrijs; nagels donkergrijs.

 

Ondersoorten: geen

 

Algemene informatie

Sommige taxonomen beschouwen de fischeri als een ondersoort van Agapornis personatus.

Soort wordt in Nederland veelvuldig gehouden en gefokt.

Er zijn vrij veel rasonzuivere fischeri’s in omloop vooral als gevolg van kruisingen met de personata en lilianae. Bij aankoop goed letten op raskenmerken! Volledig uitgekleurde vogels met een ietwat donkere (zwartachtige) aanslag op de wangen zijn niet raszuiver. Vogels waarvan de bef op de bovenborst eindigt met een duidelijk gele rand zijn eveneens verdacht (zie verspreidingsgebied).

 

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II, echter geen administratieplicht.

 

Gedrag

De hier gefokte exemplaren zijn sterk en weinig gevoelig voor ziekten; erg actief; knaaglustig; laten veelvuldig hun schrille halfluide roep horen, wat niet echt storend is; baden graag.

 

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs in kleine volière of kooi; minimale afmetingen (lxdxh) 80 x 40 x 50 cm. Ook meerdere paren (minimaal 3 paar) gezamenlijk of samen met personata’s en roseicollis in grote volière is mogelijk, maar fokresultaten vallen dan vaak tegen; minimaal 1,5 m2 bodemoppervlakte per paar aanhouden.

Tegen enkele graden vorst zijn ze goed bestand, maar bij aanhoudende kou en bij matige of strenge vorst dienen ze over een vorstvrije ruimte te kunnen beschikken. Slaapkasten aanbieden.  Regelmatig knaagtakken verstrekken en dagelijks badwater.

 

Voeding

Gevarieerd zaadmengsel voor agaporniden. Dagelijks groenvoer aanbieden, ook fruit of een beetje gekiemd zaad. Regelmatig eivoer (gerantsoeneerd) geven, eventueel rul maken met gekiemd zaad. Maagkiezel en grit dienen steeds aanwezig te zijn, eveneens vers drinkwater. In de broedtijd de hoeveelheid eivoer opvoeren en als er jongen zijn dit ongelimiteerd geven. Ook in melk geweekt oud bruinbrood.

 

Fok

Fischeri’s kan men in een verwarmde binnenruimte, waar een temperatuur  van ongeveer 15 graden C en een luchtvochtigheidpercentage van rond 65 heerst, het gehele jaar tot broeden brengen. Het moeilijkste is het samenstellen van het broedpaar, er is immers geen uiterlijk geslachtsonderscheid. Men is meestal aangewezen op de bekkentest; bij broedrijpe poppen staan de legbeentjes verder uit elkaar dan bij de mannen. Fokvogels moeten minimaal 10 maanden oud zijn, maar beter is 1 jaar.

Nestkast, bij voorkeur horizontaal model, zoals gebruikelijk bij grasparkieten. Van verse wilgentakken, ook takken van fruitbomen (onbespoten) knaagt de pop ca. 10 cm lange stroken en twijgstukken af en draagt deze in de snavel naar het nest en bouwt hiervan een overdekt nest. De eieren worden om de dag gelegd, legselgrootte doorgaans 5 à 6 eieren, zelden 8. Pop broedt alleen; man voert pop op nest. De broedduur is 23 dagen, nestduur rond 38 dagen, ca.14 dagen daarna zijn jongen zelfstandig. Beide ouders voeren. Ringmaat 4,5 mm. Fokvogels twee, hooguit drie broedsels per jaar laten grootbrengen.

Bij koloniebroed twee nestkasten per paar verstrekken.

 

Mutaties

De blauwe mutatie is al geruime tijd bekend. Deze mutatie ontstond in 1964, maar of er van deze mutatie nog nazaten bestaan is niet bekend. Algemeen bekend is wel, dat de blauwe fischeri zoals we die thans kennen een transmutatie is van de personata en via bastaardering in de fischeri is gefokt.

Pastel: autosomaal recessief.

Gele zwartoog: autosomaal recessief.

Recessief bont: autosomaal recessief.

Gezoomd: autosomaal dominant

Slaty: autosomaal dominant. Deze mutatie ontstond weliswaar bij de fischeri, maar kwam tevoorschijn uit de kruising van een mauve en een donkergroen/blauwe fischeri. Beide oudervogels zijn genetisch niet raszuiver. Immers, zowel de blauwe kleur als de donkerfactoren stammen van de personata. Hieruit volgt dat ook de slaty niet als een raszuivere fischeri beschouwd mag worden.

 

 

 

Agapornis lilianae Shelley, 1894

Nyassa dwergpapegaai

Ook: lilianae

 

Verspreidingsgebied: Noordwest-Mozambique tot Oost-Zambia.

 

Soortbeschrijving

Formaat: 13,5 cm.

Man en pop: voorhoofd en wangen oranjerood; achterhoofd olijfgeel, vervolgens overgaand in het groen van nek en mantel. Bef oranje­rood overgaand in bronskleu­rig op de bovenborst. Algemene lichaamskleur groen. Onder­borst, buik, flanken, anaalstreek geelachtig groen. Man­tel en vleugeldek donkergroen. Het vleugeldek doet enigszins gehamerd aan. Stuit en bovenstaartdekveren iets lichter groen dan mantel en vleugeldek; onderstaart­dekveren geelachtig groen. Ook in de vleugelbocht is de groene kleur een nuance lichter, meer geelgroen. De grote vleugelpennen zijn donkergrijs met groene buitenvlag. De primaire staartpennen zijn groen, de secundaire staartpennen tonen gerekend vanaf de basis een oranjegeel-zwarte dwarstekening; de uiteinden van zowel de primaire als de secundaire staartpennen zijn geelachtig groen. Snavel koraalrood, naar boven toe overgaand in diep roze met aan de basis een witte snavelriem. Ogen roodbruin met een opvallend duidelijk zichtbare pupil, de ogen omgeven door een witte ring van washuid. Po­ten grijsachtig bruin; nagels donkergrijs.

 

Ondersoorten: geen

 

Algemene informatie

Sommige taxonomen beschouwen de lilianae als een ondersoort van Agapornis personatus.

De lilianae wordt in Nederland slechts mondjesmaat gehouden en gefokt.

Er zijn verhoudingsgewijs vrij veel rasonzuivere lilianae’s in omloop vooral als gevolg van kruisingen met fischeri en personata. Bij aankoop letten op raskenmerken! Exemplaren met een andere stuitkleur dan groen zijn niet raszuiver, dat geldt ook voor volledig uitgekleurde vogels die een donkere (zwartachtige) aanslag op de wangen tonen. Ook vogels met een donkergekleurd in plaats van een olijfgeel achterhoofd zijn verdacht. De lilianae behoort tot de kleinste agaporniden en heeft vrijwel dezelfde karakteristieke houding als de nigrigenis

 

 

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II, echter geen administratieplicht.

 

Gedrag

Aangename en rustige, in het begin wat schuwe volièrevogel, niet luidruchtig, zeer vredelievend van aard; knaaglustig, wat echter niet lijdt tot vernielingen aan kooi of volière. Deze vogels baden graag. Gevoeliger voor darmstoornissen en leveraandoeningen dan andere agaporniden, maar indien de nodige hygiëne wordt betracht, is een en ander goed beheersbaar te houden.

 

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs in kleine binnenvolière of ruime kooi; minimale afmetingen (lxdxh) 80 x 40 x 50 cm. ‘s Zomers ook buiten, ook in kolonieverband (minimaal 3 paar), desgewenst ook samen met de nigrigenis; minimaal 1 m2 bodemoppervlakte per paar aanhouden. ’s Winters temperatuur niet onder 10o C. Slapen graag in nestkast. Regelmatig verse knaagtakken verstrekken en dagelijks badwater.

 

Voeding

Gevarieerd zaadmengsel voor agaporniden waarin slechts beperkt zonnebloempitten, negerzaad en hennep zitten. Dagelijks groenvoer aanbieden of een beetje gekiemd zaad, ook fruit in de vorm van appel, peer en vijgen. Regelmatig eivoer (gerantsoeneerd) verstrekken, eventueel rul maken met gekiemd zaad. Maagkiezel en grit dienen steeds aanwezig te zijn, eveneens vers drinkwater. In de broedtijd de hoeveelheid eivoer opvoeren en als er jongen zijn dit ongelimiteerd geven. Ook in melk geweekt oud bruinbrood.

 

Fok

Lukt regelmatig, maar verloopt gewoonlijk toch veel minder voorspoedig dan bij de andere agapornidensoorten van de ‘witte-oogring-groep’. Veel koppels komen niet tot voortplanting of pas na verscheidene jaren. Lilianae’s die als jonge vogel zelf hun partner uit hebben kunnen kiezen, blijken doorgaans de beste fokvogels te zijn. Fokvogels moeten minimaal 10 maanden oud zijn, maar beter is 1 jaar. Broedbegin meestal vanaf eind april begin mei. In de kweekruimte dient de temperatuur minstens 15°C te zijn, de luchtvochtigheidsgraad ca. 75. Nestkast bij voorkeur horizontaal model, zoals gebruikelijk bij grasparkieten. Van verse wilgentakken, ook takken van fruitbomen (onbespoten) of beuk knaagt de pop ca. 10 cm lange stroken af en draagt deze in de snavel naar het nest draagt en bouwt hiervan een bolvormig nest. De eieren worden om de dag gelegd, legselgrootte doorgaans 3 tot 5 eieren. Pop broedt alleen; man voert pop op nest en houdt haar vaak op het nest gezelschap, vooral gedurende de nacht. De broedduur is 21 à 22 dagen, nestduur rond 35 dagen, ca.14 dagen daarna zijn jongen zelfstandig. Beide ouders voeren; na het uitvliegen voert alleen de man. Ringmaat 4 mm. Fokvogels twee, hooguit drie broedsels per jaar laten grootbrengen.

De lilianae staat bekend als ‘plukker’. Ofschoon dit gedrag ook voorkomt bij andere agapornidensoorten, komt het procentueel het meest voor bij deze soort.

Bij koloniebroed tenminste twee nestkasten per paar aanbieden.

 

Mutaties

Van de lilianae is een lutino verschijningsvorm bekend, maar het aantal is in navolging van de algemene schaarste van deze soort vrij klein gebleven. Deze ino-mutatie vererft autosomaal recessief.

 

 

Agapornis nigrigenis Sclater, 1906

Zwartwangdwergpapegaai

Ook zwartwangagapornis of kortweg nigrigenis

 

Verspreidingsgebied: Zuidwest-Zambia

 

Soortbeschrijving

Formaat: 13,5 cm.

Man en pop: miniem bruinachtig zwart voorhoofdsbandje, voorhoofd verder roestbruin overgaand in donkerbruin op kruin, achterhoofd en nek olijfgroenbronskleurig. De wangen zijn aan de voorzijde bruinachtig zwart, geleidelijk overgaand in donkerbruin richting oorstreek. De kinstreek is bruinachtig zwart; bovenborstvlek zalmkleurig, richting halszijden overgaand in bronsgroen. Algemene lichaamskleur groen. Onderborst, buik, flanken en anaalstreek geelachtig groen. Mantel en vleugeldek donkergrasgroen, het vleugeldek doet ietwat gehamerd aan. In de vleugelbocht is de kleur een nuance lichter. Stuit en bovenstaartdekveren grasgroen; onderstaartdekveren geelachtig groen. Grote vleugelpennen donkergrijs met groene buitenvlag. De primaire staartpennen zijn groen de secundaire staartpennen tonen een oranjegeel-zwarte dwarstekening en groene staarttippen. Snavel koraalrood, naar boven toe overgaand in dieproze met aan de basis een witte snavelriem. Ogen donkerbruin met een opvallend duidelijk zichtbare pupil, de ogen omgeven door een witte ring van washuid. Poten grijs; nagels donkergrijs.

 

Ondersoorten: geen

 

Algemene informatie

Sommige taxonomen beschouwen de nigrigenis als een ondersoort van Agapornis personatus.

Soort wordt in Nederland niet zo massaal gehouden als roseicollis, fischeri en personata, maar toch wel regelmatig gefokt, zodat er zeker geen schaarste bestaat.

Er zijn vrij veel rasonzuivere nigrigenissen in omloop vooral als gevolg van kruisingen met vooral de personata. Bij aankoop goed letten op raskenmerken! Vogels met een blauwachtige aanslag op de stuit zijn niet raszuiver, evenals vogels met geel in de befbevedering. Vogels met een rode gloed in het masker duiden op afstammelingen van fischeri of lilianae. De nigrigenis behoort tot de kleinste agaporniden en heeft vrijwel dezelfde karakteristieke houding als de lilianae.

 

 

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II, echter geen administratieplicht.

 

Gedrag

Aangename, vrij sterke volièrevogel, niet erg luidruchtig, wel actief, als regel vreedzamer van aard dan fischeri en personata, doch minder vredelievend dan de lilianae;  knaaglustig, hetgeen echter niet lijdt tot vernielingen aan kooi of volière. Deze vogels baden graag.

 

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs in kleine binnenvolière of ruime kooi; minimale afmetingen (lxdxh) 80 x 40 x 50 cm. ‘s Zomers ook in buitenvolière, ook in kolonieverband, desgewenst ook samen met de lilianae; minimaal 1 m2 bodemoppervlakte per paar aanhouden. ’s Winters temperatuur niet onder 10o C laten komen. Slapen graag in nestkast. Regelmatig verse knaagtakken verstrekken en dagelijks badwater

 

Voeding

Gevarieerd zaadmengsel voor agaporniden waarin slechts beperkt vetrijke zaden zoals zonnebloempitten, negerzaad en hennep zitten. Dagelijks groenvoer aanbieden of een beetje gekiemd zaad, ook fruit. Regelmatig eivoer (gerantsoeneerd) verstrekken, eventueel rul maken met gekiemd zaad. Maagkiezel en grit dienen steeds aanwezig te zijn, eveneens vers drinkwater.  In de broedtijd de hoeveelheid eivoer opvoeren en als er jongen zijn dit ongelimiteerd geven. Ook in melk geweekt oud bruinbrood.

 

Fok

De fok lukt regelmatig en is niet al te moeilijk. In een verwarmde binnenruimte, waar een temperatuur  van ongeveer 15 graden C  en een luchtvochtigheidpercentage van rond 65 heerst, in principe het gehele jaar mogelijk. Het probleem is meestal het samenstellen van het broedpaar. Er is immers geen uiterlijk geslachtsonderscheid. Men is dan veelal aangewezen op de bekkentest: bij broedrijpe poppen staan de legbeentjes verder uit elkaar dan bij de mannen. Fokvogels moeten minimaal 10 maanden oud zijn, maar beter is 1 jaar.

Nestkast, bij voorkeur horizontaal model, zoals gebruikelijk bij grasparkieten. Van verse wilgentakken, ook takken van fruitbomen (onbespoten) knaagt de pop ca. 10 cm lange stroken af en draagt deze in de snavel naar het nest en bouwt hiervan een overdekt nest. De eieren worden om de dag gelegd, legselgrootte doorgaans 3 tot 6 eieren. Pop broedt alleen; man voert pop op nest. De broedduur is 22 dagen, nestduur rond 40 dagen, ca.14 dagen daarna zijn jongen zelfstandig. Beide ouders voeren, na het uitvliegen alleen de man. Ringmaat 4,5 mm. Fokvogels twee, hooguit drie broedsels per jaar laten grootbrengen.

Bij koloniebroed twee nestkasten per paar ophangen.

 

Mutaties

Bij de nigrigenis zijn een tweetal mutaties bekend. In beide gevallen gaat het om een melaninemutatie, d.w.z. om een mutatie waarbij de kleur van masker en algemene lichaamskleur is opgebleekt. Bij de mutatie die de sterkste opbleking van masker en lichaamskleur te zien geeft is sprake van een melaninereductie van 80 à 90%; deze verschijningsvorm noemt men algemeen overgoten. De andere verschijningsvorm toont een melaninereductie van naar schatting 15 à 20%; een zwakke pastelvorm dus, die men met “misty” aanduidt. Beide mutaties vererven autosomaal, overgoten heeft een recessieve kenmerkvorming, misty is onvolledig dominant.

De zogenaamde donkergroene, olijfgroene, hemelsblauwe, kobaltblauwe en mauvekleurige nigrigenissen zijn door bastaardering met de personata ontstaan en dus geen raszuivere vogels.

 

 

Agapornis personatus Reichenow, 1887

Zwartmaskerdwergpapegaai

Ook personata

 

Verspreidingsgebied: Noordoost-Tanzania. Rondom Dar es Salaam en Tanga, Nairobi en Mombassa door de mens verspreid. Vooral in deze gebieden komen volgens meldingen van Fry, Keith en Urban (1988) bastaardvormen met de Agapornis fischeri voor.

 

Soortbeschrijving

Formaat: 14,5 cm.

Man en pop: kop, wangen en kin glanzend zwart op de achterkop overgaand in dof olijfbruin. Om de gehele hals, van voren uitlo­pend tot op de bovenborst, loopt een diepgele kraag. Bij veel vogels zien we dikwijls bij de kleurscheiding achterkop-nek en bef-borst een smalle oranje overgangszone. (In de kleurstandaard agaporniden van verschillende vogelbonden is deze oranje overgangszone niet toegestaan). Algemene lichaamskleur groen; vleugeldek en man­tel donkergrasgroen. Het vleugeldek doet enigszins gehamerd aan. In de vleugelbocht bevindt zich een smalle gele vleugelrand. Onderborst, buik, flanken en anaalstreek geelachtig groen. De grote vleugelpennen zijn donkergrijs met groene buitenvlag; ondervleugeldekveren grijsachtig blauw en groen. Stuit en bovenstaartdekveren tonen mauvekleurig op een groene ondergrond; onderstaartdekveren geelachtig groen. Van de grote staartveren, die bijna geheel door de boven- en onderstaartdekveren bedekt worden, tonen de primaire staartveren groen, de secundaire staartveren tonen gerekend vanaf de basis een oranjegeel-zwarte dwarstekening; de uiteinden van zowel de primaire als de secundaire staartveren zijn bleekgroen. Snavel rood, met aan de snavelbasis een witte snavelriem. Ogen donkerbruin, omgeven door een witte ring van washuid. Poten grijs; nagels donkergrijs.

 

Ondersoorten: geen

 

Algemene informatie

De personata wordt in Nederland veelvuldig gehouden en gefokt.

Er zijn vrij veel rasonzuivere personata’s in omloop als gevolg van kruisingen met de andere soorten van de ‘witte-oogring-groep’. Bij aankoop goed letten op raskenmerken! Vogels met veel rood in de gele halskraag die destijds uit de omgeving van Dar es Salaam en Tanga en ook uit Kenia hier werden ingevoerd zijn vermoedelijk allemaal natuurlijke bastaardvormen (zie verspreidingsgebied), maar niettemin rasonzuiver. Vogels die in gevangenschap met lilianae, fischeri of nigrigenis zijn gekruist vertonen in meer of mindere mate dezelfde oranjerode aanslag in de gele halskraag.

 

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II, echter geen administratieplicht.

 

Gedrag

De hier gefokte exemplaren zijn sterk en weinig gevoelig voor ziekten; wel stressgevoeliger dan bijv. de fischeri; erg actief; knaaglustig, zonder veel schade aan te richten; niet bijzonder luidruchtig; baden graag.

 

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs in kleine volière of kooi; minimale afmetingen (lxdxh) 80 x 40 x 50 cm. Ook meerdere paren (minimaal 3 paar) gezamenlijk of samen met fischeri’s en roseicollis in grote volière is mogelijk, maar fokresultaten vallen dan vaak tegen; minimaal 1,5 m2 bodemoppervlakte per paar aanhouden.

Tegen enkele graden vorst zijn personata’s goed bestand, maar bij aanhoudende kou en bij matige of strenge vorst dienen ze over een vorstvrije ruimte te kunnen beschikken. Slaapkasten aanbieden. Regelmatig knaagtakken verstrekken en dagelijks badwater.

 

Voeding

Gevarieerd zaadmengsel voor agaporniden. Dagelijks groenvoer aanbieden, ook fruit of een weinig gekiemd zaad. Regelmatig eivoer (gerantsoeneerd) geven, eventueel rul maken met gekiemd zaad. Maagkiezel en grit dienen steeds aanwezig te zijn, eveneens vers drinkwater. In de broedtijd de hoeveelheid eivoer opvoeren en als er jongen zijn dit ongelimiteerd geven. Ook in melk geweekt oud bruinbrood.

 

Fok

Personata’s kan men in een verwarmde binnenruimte, waar een temperatuur  van ongeveer 15 graden C en een luchtvochtigheidpercentage van rond 65 heerst, het gehele jaar tot broeden brengen. Het grootste probleem is het samenstellen van het broedpaar. Er is immers geen uiterlijk geslachtsonderscheid. Men is doorgaans aangewezen op de bekkentest; bij broedrijpe poppen staan de legbeentjes verder uit elkaar dan bij de mannen. Fokvogels moeten minimaal 10 maanden oud zijn, maar beter is 1 jaar.

Nestkast, bij voorkeur horizontaal model, zoals gebruikelijk bij grasparkieten. Van verse wilgentakken, ook takken van fruitbomen (onbespoten) knaagt de pop ca. 10 cm lange stroken en stukjes twijg af en draagt deze in de snavel naar het nest draagt en bouwt hiervan een overdekt nest. De eieren worden om de dag gelegd, legselgrootte 3 tot 6 eieren, gewoonlijk 5 à 6. Pop broedt alleen; man voert pop op nest. De broedduur is 22 dagen, nestduur rond 40 dagen, ca.14 dagen daarna zijn jongen zelfstandig. Beide ouders voeren, na het uitvliegen van de jongen alleen de man. Ringmaat 4,5 mm. Fokvogels twee, hooguit drie broedsels per jaar groot laten brengen.

Bij koloniebroed tenminste twee nestkasten per paar verstrekken.

 

Mutaties

Hemelsblauw: autosomaal recessief.

Pastel: autosomaal recessief.

Overgoten: autosomaal recessief.

Donkerfactor: autosomaal dominant.

Violet: autosomaal dominant.

Blauwe roodsnavel: autosomaal recessief

Fallow: autosomaal recessief.

 

 

 

Agapornis pullarius (Linnaeus, 1758)

Roodmaskerdwergpapegaai

 

Soortbeschrijving

Formaat: ongeveer 15 cm.

Man: Voorhoofd, schedeldek, wangen en bef oranjerood. Algemene lichaamskleur groen; borst, buik, flanken en anaalstreek meer geelachtig groen; mantel groen. Het vleugeldek is groen en geeft een ietwat gehamerde indruk. Grote vleugelpennen donkergrijs met groene buitenvlag. De vleugelranden vanaf de vleugelbocht zijn donker ultramarijnblauw met hier en daar enkele hemelsblauwe veertjes; gele duimveertjes. De ondervleugeldekveren zijn zwart. De stuit is hemelsblauw. Bovenstaartdekveren groen; onderstaartdekveren meer geelachtig groen. De grote staartveren, die bijna geheel door de boven- en onderstaartdekveren worden bedekt, zijn groen, de secundaire staartveren tonen gerekend vanaf de basis een geel-oranjerood-en-zwarte dwarstekening. De snavel is tomaatrood met aan de basis een witte snavelriem. De oogring wordt gevormd door een smalle band van kleine witte en blauwe veertjes. De ogen zijn donkerbruin. De poten zijn grijs; nagels donkergrijs.

Pop: Voorhoofd, schedeldek, wangen en bef bleek oranjerood. Het blauw in de vleugels ontbreekt. De ondervleugeldekveren zijn groen. Voor het overige geheel gelijk aan de man.

 

Ondersoorten

A. p. pullarius (Linnaeus, 1758)

Verspreidingsgebied: Centraal West-Afrika van Guinea tot Noord-Angola alsook Centraal –Afrika oostwaarts tot Zuidwest-Soedan en het Albertmeer op de grens van Kongo en Oeganda.

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm.

 

A. p. ugandae Neumann, 1908

Oeganda roodmaskerdwergpapegaai

Verspreidingsgebied: oostelijk Centraal-Afrika van Zuidoost-Soedan en Zuidwest-Ethiopië zuidwaarts tot in het zuiden van Burundi.

Kenmerken: man: stuitkleur bleek hemelsblauw, pop: stuitkleur menigmaal groen, alleen met blauw waas overgoten. Voor het overige gelijk aan de nominaatvorm.

 

Algemene informatie

De pullaria wordt in Nederland slechts zelden gehouden. In Nederland is één succesvol broedgeval bekend, in heel Europa hooguit 20 broedsuccessen.

 

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II.

 

Gedrag

Aangename en rustige, in het begin schuwe en nogal schrikachtige vogel; niet luidruchtig; zeer vredelievend van aard; weinig knaaglustig. De pullaria geldt als het zwakste lid van het genus. Kunnen als gevolg van plotselinge onrust (dichtslaan van een deur of plotseling ontsteken van een lichtbron) in een shocktoestand geraken. Pas ingevoerde vogels moeten met de grootste zorg omringd worden. De soort is berucht om het hoge sterftepercentage ongeveer drie maanden na import. Zonder enige zichtbare aanwijzing beginnen de vogels plotseling te hijgen, vallen van de stok, beginnen wild met vleugels en poten te slaan waarbij ze ruggelings op de grond liggen en sterven onder shockverschijnselen. Vermoedelijk gaat het hierbij om een nog onbekende virusziekte.

 

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs in kleine volière of royale kooi binnen bij een temperatuur van minimaal 20°C; minimale afmetingen kooi (lxdxh) 120 x 60 x 60 cm. Ideaal is meerdere paren (minimaal 3 paar) in grote binnenvolière, eventueel tesamen met enkele vinkachtigen, in geen geval samen met andere agapornidensoorten; minimaal 2 m2 bodemoppervlakte per paar aanhouden. Huisvesting in buitenvolière alleen ’s zomers, vogels echter ’s avonds in binnenhok opsluiten in verband met nachtelijke afkoeling en onrust veroorzaakt door katten e.d. Pullaria’s slapen gewoonlijk niet in nestkasten, maar hangen dikwijls net als loriculussoorten ondersteboven aan het volièregaas. Daarom verdient het aanbeveling tegen de bovenkant van het verblijf takken aan te brengen.

Regelmatig knaagtakken verstrekken en dagelijks badwater.

 

Voeding

Begonnen kan worden met millet en gierstsoorten (ook trosgierst) aangevuld met diverse graszaden. Deze zaden kennen ze ook van hun geboortestreek. Ook sorghum kennen ze meestal wel. Zo spoedig mogelijk trachten de vogels te wennen aan een meer gevarieerde zaadmengeling voor agaporniden met slechts spaarzame hoeveelheden vetrijke zaden, zoals zonnebloempitten, neger- en hennepzaad. Naast het zaadmengsel gekiemde zaden en fruit aanbieden, vooral zoet fruit zoals ananas, appel en peer. Ook honingwater drinken ze graag. Wen de vogels ook aan meelwormen en eivoer. Grit, scherpe maagkiezel en dagelijks fris drinkwater mogen natuurlijk nooit ontbreken evenals verse knaagtakken van bijvoorbeeld de wilg.

 

Fok

Lukt zelden en is dan ook erg moeilijk. Fokvogels moeten ongeveer 1 jaar oud zijn. Nestkasten van het horizontale model aanbieden, deze geheel opvullen met een groot turfblok (harde turf) of met kurkplaten, een blok piepschuim of aangestampte leem. Via het invlieggat graaft de pop hierin dan zelf de broedholte uit. Zorgen voor voldoende luchtvochtigheid.

Ideaal is, wanneer men onder de nestkast een verwarmingsplaatje bevestigt waarmee de binnentemperatuur van het nest kunstmatig op 26 à. 30°C kan worden gehouden. Het verwarmingselement overigens pas aandoen, als de jongen uitgekomen zijn, dit om uitdrogen van de eieren te voorkomen.

In tegenstelling met andere agapornidensoorten die zich bij onraad in de nestkast terugtrekken, verlaten pullaria’s bij storing juist de nestkast en keren vaak pas na een uur op het nest terug. Het is duidelijk dat het lang wegblijven van de oudervogels voor de pas uitgekomen jongen fataal kan zijn als de nestruimte niet verwarmd wordt. Toepassing van verwarmde nestkasten in de buitenvolière heeft weinig zin omdat het verschil in temperatuur tussen het kunstmatig verwarmde nest en de onverwarmde buitenlucht voor pas uitgevlogen jonge pullaria’s vrijwel zeker het einde zal betekenen.

Voor de binnenbekleding van het nest verse takken aanbieden van wilg of (onbespoten) fruitbomen. Nadat de pop de nestholte met haar snavel en poten heeft uitgegraven, sleept ze veelal kleine stukjes schors die ze van de takken knaagt in de snavel in de nestruimte. De eieren worden om de andere dag gelegd; legselgrootte 3 tot 5 stuks. De pop broedt alleen en laat zich gedurende die periode bijna niet meer zien, man voert pop op het nest. Er zijn echter ook poppen die gedurende de broedtijd dagelijks een bad nemen. De broedduur is 24 dagen, nestduur ca. 50 dagen. De jongen worden de eerste tien dagen alleen door de pop gevoerd, daarna voert ook de man; na het uitvliegen worden ze nog geruime tijd door de man bijgevoerd. Ringmaat 4 mm. Als u het geluk heeft jongen op stok te krijgen, na twee broedronden stoppen om uitputting te voorkomen.

Bij koloniebroed tenminste twee nestkasten per koppel aanbieden.

In de buitenvolière uitgevlogen jonge pullaria’s zijn gevoelig voor infectieziekten.

 

Mutaties

De Portugees A. Coelho maakt melding van een lutino, deze mutatie zou autosomaal recessief vererven.

Jim Hayward maakt melding van een blauwe mutant, ook deze mutatie zou autosomaal recessief zijn.

 

 

 

Agapornis roseicollis (Vieillot, 1818)

Perzikkopdwergpapegaai

Ook: roseicollis

 

Soortbeschrijving

Formaat: 15 cm.

Man en pop: voorhoofd tot op de kruin en vandaar verticaal tot achter de ogen rood. Wangen en masker rood, geleidelijk over­gaand in dieproze op keelstreek en bef. Tussen het dieproze gedeelte van de wangen en de groene nek bevindt zich een smalle, pastelblauwachtige overgangszone. De algemene lichaamskleur is groen; borst, buik flanken en anaalstreek meer geelachtig groen. Het vleugeldek, dat een lichte hamering toont, is grasgroen evenals de mantel. De duimveertjes in de vleugelbocht zijn geel; vleugelpen­nen grijs met groene buitenvlag; ondervleugeldekveren groen met een blauwachtig tint­je. Stuit en bovenstaartdekveren diep hemelsblauw; onderstaartdekveren geelachtig groen. Van de grote staartveren, die bijna geheel door de boven- en onderstaartdek­veren bedekt worden, tonen de primaire staartveren groen, de secundaire staartveren tonen gerekend vanaf de basis een zwart-rood-zwarte dwarstekening; de uiteinden van zowel de primaire als de secundaire staartveren zijn hemelsblauw. De snavel is hoornkleurig met langs de sna­velranden en op de ondersnavel een groenachtig tintje; donkere snavelpunt. Ogen donkerbruin. Poten grijs; nagels donkergrijs.

 

Ondersoorten

A. r. catumbella Hall, 1952

Angola perzikkopdwergpapegaai

Verspreidingsgebied: Zuid-Angola

Kenmerken: Man en pop: iets kleiner dan het nominaatras. De algemene lichaamskleur is dieper groen. Voorhoofd, wangen en masker dieper rood. De snavel is ietwat roze getint. Voor het overige gelijk aan de nominaatvorm.

 

A. r. roseicollis (Vieillot, 1818)

Verspreidingsgebied: Zuidwest-Afrika

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm.

 

Algemene informatie

Ongetwijfeld de meest gehouden en gefokte agapornidensoort. Alom verkrijgbaar. Ideale vogel voor beginners.

 

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II, echter geen administratieplicht.

 

Gedrag

De hier in gevangenschap gefokte exemplaren zijn sterk en weinig gevoelig voor ziekten; erg actief; knaaglustig; laten veelvuldig hun schrille halfluide roep horen, wat niet echt storend is; baden graag.

 

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs in kleine volière of kooi; minimale afmetingen (lxdxh) 80 x 40 x 50 cm. Ook meerdere paren (minimaal 3 paar) gezamenlijk in volière; minimaal 1 m² bodemoppervlakte per koppel aanhouden. Ook gezamenlijke huisvesting met personata’s en fischeri’s in grote volière is mogelijk, dan echter minimaal 1,5 m2 bodemoppervlakte per paar aanhouden.

Hoewel roseicollis van nature koloniebroeders zijn, blijkt dit in gevangenschap niet altijd een succes te zijn. Men doet er goed aan de vogels op jonge leeftijd bij elkaar te zetten. Ze kunnen dan aan elkaar wennen en zullen wanneer ze eenmaal geslachtsrijp zijn geworden minder problemen geven.

Tegen enkele graden vorst zijn roseicollis goed bestand, maar bij aanhoudende kou en bij matige of strenge vorst dienen ze over een vorstvrije ruimte te kunnen beschikken. Slaapkasten aanbieden.  Regelmatig knaagtakken verstrekken en dagelijks badwater.

 

Voeding

Gevarieerd zaadmengsel voor agaporniden. Dagelijks groenvoer aanbieden, ook fruit of een beetje gekiemd zaad. Regelmatig eivoer (gerantsoeneerd)  geven, eventueel rul maken met gekiemd zaad. Maagkiezel en grit dienen steeds aanwezig te zijn, eveneens vers drinkwater. In de broedtijd  de hoeveelheid eivoer opvoeren en als er jongen zijn dit ongelimiteerd geven. Ook in melk geweekt oud bruinbrood.

 

Fok

Roseicollis kan men in een verwarmde binnenruimte, waar een temperatuur  van ongeveer 15 graden C en een luchtvochtigheidpercentage van rond 65 heerst, het gehele jaar tot broeden brengen. Het moeilijkste is het samenstellen van het broedpaar. Er is immers geen uiterlijk geslachtsonderscheid. Men is meestal aangewezen op de bekkentest; bij broedrijpe poppen staan de legbeentjes verder uit elkaar dan bij de mannen. Fokvogels moeten minimaal 10 maanden oud zijn, maar beter is 1 jaar.

Nestkast, bij voorkeur horizontaal model, zoals gebruikelijk bij grasparkieten. Van verse wilgentakken, ook takken van fruitbomen (onbespoten) knaagt de pop ca. 10 cm lange stroken, stopt er een aantal tussen de stuitbevedering en vliegt ermee naar de nestkast en bouwt hiervan een komvormig nest met een soort voorportaaltje dat naar de nestingang leidt. De eieren worden om de dag gelegd, legselgrootte doorgaans 3 tot 6 eieren, zelden meer. Pop broedt alleen; man voert pop op nest. De broedduur is 23 dagen, nestduur rond 43 dagen, ca.14 dagen daarna zijn jongen zelfstandig. Beide ouders voeren. Ringmaat 4,5 mm. Fokvogels twee, hooguit drie broedsels per jaar laten grootbrengen.

Bij koloniebroed minstens twee nestkasten per paar verstrekken.

 

Mutaties

Van de roseicollis zijn de volgende mutaties bekend:

Pastel: autosomaal recessief;

Overgoten: autosomaal recessief;

Pastel gezoomd: autosomaal recessief;

Zeegroen: autosomaal recessief;

Bleekmasker: autosomaal recessief;

Donkerfactor: autosomaal dominant;

Lutino: geslachtsgebonden recessief;

Cinnamon: geslachtsgebonden;

Pallid: geslachtsgebonden recessief;

Bronze fallow (fallow type I): autosomaal recessief;

Pale fallow (fallow type II): autosomaal recessief;

Rozemasker: autosomaal dominant;

Oranjemasker: autosomaal recessief;

Violet: autosomaal dominant;

Dominant bont: autosomaal dominant;

Recessief bont: autosomaal recessief.

Opaline: geslachtsgebonden recessief.

Long feathering (lang bevederd)autosomaal recessief

 

Agapornis swindernianus (Kuhl, 1820)

Zwartkraagdwergpapegaai

Ook: swinderniana

 

Soortbeschrijving

Formaat: 13 cm.

Man en pop: voorhoofd, bovenschedel en achterkop grasgroen. Wangen en bef meer geelachtig groen. Algemene lichaamskleur groen; iets doffer en bleker op borst, buik en anaalstreek. In de nek bevindt zich een karakteristieke korte zwarte band welke overgaat in een smalle gele tot olijfgele kraag om de gehele hals. Het vleugeldek, de mantel en de ondervleugeldekveren zijn groen. Grote vleugelpennen zwart. Stuit en bovenstaartdekveren paarsblauw; onder-staartdekveren geelachtig groen. De primaire grote staartpennen zijn groen, de secundaire staartpennen tonen gerekend vanaf de basis een oranje en zwarte dwars-tekening gevolgd door groene uiteinden. De ogen zijn bruin met heldergele iris. Snavel antracietkleurig. Poten groenachtig donkergrijs; nagels donkergrijs.

 

Ondersoorten

A. s. emini Neumann, 1908

Emin’s zwartkraagdwergpapegaai

Ook: Ituri dwergpapegaai

Verspreidingsgebied: Oost-Zaïre, West-Oeganda

Kenmerken: man en pop: de algemene lichaamskleur is krachtiger groen dan die van de nominaatvorm. Onder de zwarte band in de nek bevindt zich een smalle roodachtig bruine strook welke beperkt blijf tot de nek. Snavel groter en sterker gebogen. Voor het overige als de nominaatvorm.

De geldigheid van deze ondersoort is omstreden

 

A. s. swindernianus (Kuhl, 1820)

Verspreidingsgebied: Liberia.

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm.

 

A. s. zenkeri Reichenow, 1895

Zenker’s zwartkraagdwergpapegaai

Ook: Kameroen dwergpapegaai

Verspreidingsgebied: Kameroen, Oost-Gabon tot Centraal-Zaïre.

Kenmerken: man en pop: onder de zwarte band in de nek bevindt zich een roodachtig bruine kraag die zich via de halszijden als een waas uitstrekt tot op de bovenborst. Voor het overige als de nominaatvorm.

 

Algemene informatie

Deze vogels worden zeer waarschijnlijk niet buiten hun verspreidingsgebied in gevangenschap gehouden. Brockmann en Lantermann maken melding van enkele importen in Europa rond 1985 De vogels overleefden de quarantaineperiode echter niet. Er ontstonden voornamelijk voedingsproblemen omdat de vogels alleen van een speciale vijgensoort wilden eten, ander voedsel werd geweigerd.

Pater Hutsebout, die deze vogels vele jaren in hun natuurlijke omgeving observeerde, hield ze geruime tijd in gevangenschap. Het voedsel bestond uit wilde vijgen waarvan ze alleen de zaden aten. Ander voedsel werd niet geaccepteerd. Zonder vijgen stierven ze binnen enkele dagen.

Onderzoek van de kropinhoud van gevangen exemplaren heeft aangetoond dat een belangrijk deel van hun menu bestaat uit insecten en vijgenpitten. Menigmaal werd ook halfrijpe maïs aangetroffen. Enkele keren werden kleine groepen in de nabijheid van milletvelden gesignaleerd, doch of er van de millet gegeten werd kon niet worden vastgesteld.

 

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II.

 

Gedrag

Geen gegevens bekend.

 

Huisvesting en verzorging

Op grond van het vorenstaande lijkt het niet waarschijnlijk dat deze vogels hier spoedig te zien zullen zijn. Mochten deze vogels ooit nog eens binnenkomen, dan zou mijns inziens alleen plaatsing in een verwarmde binnenvolière in aanmerking komen.

 

Voeding

Uit het vorenstaande zou men mogen concluderen dat deze vogels naast insecteneters bijzondere zaadeters zijn. Zouden er echter ooit geïmporteerd worden, dan zal naast vijgen, meelwormen en miereneieren een zeer gevarieerd zaadmengsel verstrekt dienen te worden. Aangezien in de gebieden waar deze vogels leven ook maïs, rijst en millet verbouwd worden, mogen deze zaden in een dergelijk mengsel zeker niet ontbreken. Het op de lange duur alleen maar vijgen verstrekken, lijkt me niet echt haalbaar.

 

Fok

Onbekend

 

Mutaties

Onbekend.

 

 

 

 

Agapornis taranta (Stanley, 1814)

Abessijnse agapornis

Ook: zwartvleugeldwergpapegaai of kortweg taranta

 

Soortbeschrijving

Formaat: 16,5 cm.

Man: Voorhoofd tot op de bovenschedel rood. Wangen, bef en hals donkergrasgroen, geleidelijk overgaand in iets meer geel­achtig groen op borst, buik, flanken, anaalstreek en stuit. Het vleugeldek is donkergrasgroen en doet ietwat gehamerd aan; mantel egaal donkergrasgroen.

Grote slagpennen zwart, ietwat groengeelachtig getint op de buitenvlag. De vleugelranden vanaf de vleugelbocht zijn zwart. Ondervleugeldekveren zwart. De primaire staartveren zijn groen met zwarte staarttippen, de secundaire staartpennen tonen gerekend vanaf de basis geelachtig groen vervolgens groen daarna een zwarte dwarstekening en tenslotte groene staarttippen. De bovenstaartdekveren zijn donkergrasgroen; onderstaartdekveren geelachtig groen. De ogen zijn donkerbruin; om de ogen bevindt zich een smalle ring van kleine rode veertjes. Snavel koraalrood. Poten donkergrijs; nagels grijszwart.

Pop: De pop mist het rood in de bevedering, maar rondom de ogen loopt een smalle onopvallende ring van geelgroene veertjes. De onder­vleugeldekveren zijn zwart met groen. Voor het overige geheel gelijk aan de man.

 

Ondersoorten

A. t. nana  Neumann, 1931

Kleine Abessijnse agapornis

Verspreidingsgebied: Zuidwest-Ethiopië.

Kenmerken: kleiner dan de nominaatvorm, kortere vleugels en smallere snavel.

De geldigheid van deze ondersoort is omstreden.

 

A. t. taranta (Stanley, 1814)

Verspreidingsgebied: de hooglanden van Ethiopië.

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm.

 

Algemene informatie

Soort wordt relatief vrij veel gehouden door de agapornisliefhebbers

 

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II, echter geen administratieplicht.

 

Gedrag

Sterke vogels die tegen een stootje kunnen. Weinig koudegevoelig. Onverdraagzaam tegenover andere agapornidensoorten. In het begin schuw en terughoudend, wennen echter spoedig aan hun verzorger; levendige vogels; laten zich nauwelijks horen; baden graag; knaaglustig.

 

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs in kleine volière of kooi; minimale afmetingen (lxdxh) 80 x 40 x 50 cm, maar liever wat groter bijv 100 x 40 x 50. Alleen buiten de broedtijd kan men in een grote volière meerdere taranta’s samenhouden. Tegen enkele graden vorst zijn deze vogels goed bestand, maar bij strenge vorst dient het nachtverblijf vorstvrij te zijn. Overnachten doen ze bij voorkeur in een nestkast.

Regelmatig knaagtakken aanbieden en dagelijks gelegenheid bieden tot baden.

 

Voeding

Gevarieerd zaadmengsel voor agaporniden liefst vetarm dus met geringe hoeveelheden zonnebloempitten, hennep- en negerzaad. Dagelijks groenvoer aanbieden, ook fruit zoals appel, peer, in stukjes gesneden gedroogde vijgen of een beetje gekiemd zaad. Regelmatig eivoer (gerantsoeneerd) geven, eventueel rul maken met gekiemd zaad. Maagkiezel en grit dienen steeds aanwezig te zijn, eveneens vers drinkwater. In de broedtijd de hoeveelheid eivoer opvoeren en als er jongen zijn dit ongelimiteerd geven. Ook in melk geweekt oud bruinbrood.

 

Fok

Lukt regelmatig, maar gaat minder voorspoedig dan bij de meeste andere agapornidensoorten.

Het belangrijkste is dat man en pop in goede harmonie kunnen samenleven. Taranta’s die als jonge vogel zelf hun partner uit hebben kunnen kiezen, blijken doorgaans de beste fokvogels te zijn. Fokvogels moeten minimaal 10 maanden oud zijn, maar beter is 1 jaar. Nestkast, bij voorkeur horizontaal model, zoals gebruikelijk bij grasparkieten. Op de bodem van de nestkast een laagje vochtige turfmolm of vermolmd hout aanbrengen. Voor nestbouw verse wilgentakken of takken van fruitbomen of buxus aanbieden. Sommige poppen bijten kleine stukjes schors van de aangeboden takken af, steken dat tussen de veren en vliegen ermee naar het nest om het vervolgens als bodembedekking te verwerken. Andere poppen gebruiken helemaal geen nestmateriaal en leggen hun eieren gewoon op de door ons aangebrachte bodembedekking. De eieren worden om de andere dag gelegd, legselgrootte 3 tot 5 eieren; broedduur 25 dagen; nestduur ca. 50 dagen. Tijdens het broeden wordt de pop door de man gevoerd. De pop broedt alleen en gedurende die tijd laat ze zich niet zien. Nadat de jongen uitgevlogen zijn worden ze door de man nog geruime tijd gevoerd. Twee broedsels per jaar zijn mogelijk.

 

Mutaties

Donkerfactor: autosomaal dominant.

Fallow: autosomaal recessief.

Misty: autosomaal dominant

Lutino: onbekend