1. ALGEMENE INLEIDING
Aratinga’s, verzamelnaam voor leden van het
geslacht Aratinga – Spix 1824, zijn
de omvangrijkste parkietengroep van de grote familie der papegaaien (Psittacidae). Het zijn kleine tot
middelgrote parkieten, in lengte variërend van 24 tot 42 cm. Kenmerkend voor
aratinga’s is de trapsgewijs verlopende wigvormige staart, waaraan men ook de
Nederlandse verzamelnaam wigstaartparkieten heeft ontleend. Typerend zijn
voorts de in verhouding tot het lichaam grote kop, de fors geproportioneerde en
van een duidelijke inkerving voorziene snavel, de smalle neusdop – soms bezet
met enkele veertjes – maar altijd met goed zichtbare neusgaten en de naakte,
meestal witachtig getinte oogringen. Een uitzondering op dit laatste vormt de
goudvoorhoofdparkiet (Aratinga aurea),
waarvan de oogringen begroeid zijn met kleine oranjekleurige veertjes. De
vleugels van de aratinga’s zijn vrij lang, de uiteinden ervan reiken tot ver
over het bovenstaartdek.
Ook in de kleur van hun bevedering vertonen
aratinga’s grote overeenkomsten. Op enkele soorten na (A. solstitialis, A. jandaya
en A. pintoi) is het grootste gedeelte van de bevedering groen, afhankelijk
van de soort gecombineerd met rood, geel, oranje, blauw of bruin.
Geslachtsdimorfisme ontbreekt.
Het geslacht Aratinga bestaat, afhankelijk van de systematische indeling die
gevolgd wordt, uit 15 tot 22 soorten, waarvan het merendeel verder in
ondersoorten wordt onderverdeeld. In deze artikelenreeks wordt uitgegaan van 22
soorten met in totaal 49 ondersoorten, waarbij ik de kanttekening plaats dat
deze indeling steunt op de inzichten van vandaag, maar gelet op de nog steeds
voortdurende wetenschappelijke discussies rond dit thema, in de toekomst
stellig nog wel weer zal veranderen.
Het verspreidingsgebied van de aratinga’s
strekt zich uit van Mexico zuidwaarts tot diep in Argentinië, ongeveer tot aan
de monding van de Rio de la Plata, de in het woongebied gelegen eilanden
inbegrepen.
In hun natuurlijke omgeving leven ze
tijdens de broedperiode gewoonlijk paarsgewijs, daarbuiten in kleine groepen
tot in grote zwermen bij elkaar. Sommige soorten leven in open bos, andere
bewonen de dichte regenwouden, mangrovebossen, langs de oevers van rivieren of
in moerasgebieden; enkele soorten leven in droge, bergachtige gebieden, weer
andere bewonen de spaarzaam met bomen en struiken begroeide graslandsavannen,
het droge tropische laagland, het drijfnatte nevelwoud of leven in
landbouwgebieden of ontboste gebieden met overgebleven boomgroei, doch altijd
in de nabijheid van water.
Ze voeden zich met allerlei zaden, bessen,
vruchten en bladknoppen, soms ook met insecten. Ook bezoeken ze vaak
cultuurgebieden waar ze een ware plaag kunnen zijn, zodat ze dikwijls door de
inlandse bevolking bejaagd worden. Gelukkig behoren de aratinga’s, (nog) niet
tot de met uitsterven bedreigde vogelsoorten, hoewel
van enkele soorten de populatie wat terugloopt. Door strengere bepalingen is de
invoer van de Zuid-Amerikaanse parkieten de laatste jaren praktisch geheel stil
komen te liggen en de liefhebber zal er rekening mee moeten houden dat hij in
de toekomst alleen nog kan beschikken over in liefhebbershand gefokte vogels.
Bij soorten als A. acuticaudata, A. aurea, A. holochlora, A. erythrogenys, A. leucopcephalus,
A solstitialis, A. jandaya en A. auricapilla behoeven
we niet te vrezen dat ze voor de liefhebber verloren zullen gaan. Deze soorten
worden in ons land en de ons omringende landen regelmatig en in voldoende
aantallen gefokt. Voor wat betreft de overige soorten ziet de toekomst er voor
de liefhebber minder rooskleurig uit, gewoon omdat er te weinig fokvogels
beschikbaar zijn.
Aratinga’s zijn uitstekende volièrevogels
die vooral de laatste jaren bij de kromsnavelliefhebbers in de gehele wereld in
toenemende mate in de belangstelling zijn gekomen. Niet vreemd hieraan zijn de
broedresultaten die met de meeste soorten thans bereikt worden en de grote
vraag naar onder de hoede van liefhebbers gefokte vogels.
In deze artikelenreeks zijn ook de
goudparkiet (Guarouba guaroba) en de
Nandayparkiet (Nandayus nenday)
opgenomen. In het verleden maakte de goudparkiet ook deel uit van het geslacht Aratinga, maar werd vrij recent in het
afzonderlijke geslacht Guarouba
geplaatst. Op aandringen van velen deelde Bötticher in 1959 de Nandayparkiet in
bij het geslacht Aratinga, maar deze
zienswijze werd niet algemeen aanvaard. Een en ander ondersteunt echter wel de
opvatting dat beide soorten zeer nauw aan het geslacht Aratinga verwant zijn.
Met het schrijven van deze serie hoop ik
het houden en fokken van aratinga’s e.a. te stimuleren, maar vooral de fok van
de in ons land minder gehouden soorten aan te moedigen, opdat deze niet voor de
liefhebberij verloren gaan.
(wordt vervolgd)
H.W.J. van der Linden