ARATINGA’S (3)
SPITSSTAART- OF
BLAUWKOPPARKIET
Aratinga acuticaudata (Vieillot, 1818)
Ook: Blauwkopparkiet
Soortbeschrijving
Formaat: 38 cm.
Man en pop: voorhoofd, boven en achterschedel tot aan de groene kleurscheiding, teugels, kopzijden en kin zijn matblauw, de afzonderlijke blauwe veertjes tonen een ragfijne zwarte omzoming wat het gehele blauwe veerveld een licht geschubd aanzien geeft. Algemene lichaamskleur groen; nek, mantel, vleugeldek, stuit en bovenstaartdekveren donkergrasgroen; bef, borst, buik, flanken, dijen en anaalstreek helder grasgroen. De borst is ietwat blauw bewaasd. Slagpennen groen met een vage blauwachtig bruine buitenvlag. Bovenzijde van de verlengde primaire staartpennen donkergrasgroen; bovenzijde secundaire staartpennen vaal koperrood overgaand in helder olijfgeel; onderzijde van de grote staartveren vaal koperrood en grauwolijfgeel d.w.z. de binnenvlaggen zijn vaal koperrood de buitenvlaggen grauwolijfgeel. Bovensnavel hoornkleurig ietwat vaalrood getint met donkere snavelpunt; ondersnavel grijszwart. Ogen donkerbruin met oranjerode irisring omgeven door een roomkleurige naakte oogring. Poten vleeskleurig; nagels grijszwart.
Ondersoorten
A. a. acuticaudata (Vieillot 1818)
Verspreidingsgebied: Het uiterste zuidwesten van Brazilië, Oost-Bolivia zuidwaarts tot Noord-Argentinië en Uruguay
Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm.
A. a. haemorrhous Spix 1824
Blauwvoorhoofdparkiet
Verspreidingsgebied: Oost-Brazilië
Kenmerken: Formaat 37 cm.
Het blauw van de kop is valer en beperkt tot het voorhoofd en het voorste gedeelte van de kruin. Het blauwe waas op de borst ontbreekt. Bovensnavel hoornkleurig ietwat vaalrood getint met grijsachtige snavelpunt; ondersnavel hoornkleurig.
Voor het overige als A. a. acuticaudata.
A. a. koenigi spp. nov
Venezuela blauwvoorhoofdparkiet
Verspreidingsgebied: Noord-Venezuela Oost-Colombia
Kenmerken: Formaat: 34 cm.
Lijkt sterk op A. a. haemorrhous, maar toont aan de onderkant van de grote staartveren op de binnenvlaggen een zwakker koperrood, minder intensief. Bovensnavel hoornkleurig ietwat vaalrood getint met donkergrijze snavelpunt; ondersnavel hoornkleurig, aan het uiteinde eveneens donkergrijs getint.
A. a. neoxena (Cory 1909)
Margarita
blauwvoorhoofdparkiet
Verspreidingsgebied: Eiland Margarita voor de kust van Venezuela.
Kenmerken: Formaat: 34 cm.
Sterk gelijkend op A. a. haemorrhous, maar borst en buik zijn duidelijk blauwgroen van kleur (groene ondergrondkleur met een zwaar blauw waas). Bovensnavel hoornkleurig ietwat vaalrood getint met donkergrijze snavelpunt; ondersnavel hoornkleurig, aan het uiteinde eveneens wat donkerder.
A. a. neumanni Blake & Traylor 1947
Boliviaanse blauwvoorhoofdparkiet
Verspreidingsgebied: Centraal-Bolivia.
Kenmerken: Formaat: 37 cm.
Gelijkend op A. a. acuticaudata, maar het blauw van de kop is beperkt tot voorhoofd, het voorste gedeelte van de kruin en de teugels en is ook donkerder blauw. Keel en bovenborst tonen een donker blauwachtig grijze waas.
Bovensnavel hoornkleurig ietwat vaalrood getint met donkere snavelpunt; ondersnavel grijszwart.
A. a. nigrirostris spp. nov.
Orinoco blauwvoorhoofdparkiet
Verspreidingsgebied: Zuid-Venezuela langs de oevers van de Orinocorivier.
Kenmerken: Formaat: 34 cm.
Gelijkend op A. a. neumanni, maar kleiner; lichaamskleur iets bleker. Bovensnavel hoornkleurig, ietwat vaalrood getint met donkere snavelpunt; ondersnavel iets grijs getint.
Biotoop
Open landschappen, spaarzaam met bomen en struiken begroeide graslandsavannen, bosranden; duiken bij gelegenheid ook op in landbouwgebieden.
Status wildpopulatie
Veelvuldig voorkomend.
Leefwijze
In kleine groepen bij elkaar, dikwijls ook in grote zwermen van honderden vogels, menigmaal in gezelschap van A. m. mitrata of A. l. leucopthalma. Tijdens de broedtijd leven ze paarsgewijs. Ze broeden in boomholten. Het voedsel bestaat uit zaden, bessen, vruchten, noten en bloesems. In de oogsttijd bezoeken ze de graanvelden, waar ze vaak grote schade aanrichten.
Algemene informatie
De ondersoort A. a. haemorrhous is al bijna 140 jaar in gevangenschap bekend de nominaatvorm A. a. acuticaudata ongeveer 125 jaar. Ook de ondersoort A. a. neumanni komt men af en toe in gevangenschap tegen. Over de A. a koenigi, A. a. neoxena en A. a. nigrirostris zijn geen gegevens in gevangenschap bekend.
Beide eerstgenoemde soorten worden door de speciaalfokker van aratingasoorten vrij algemeen gehouden, bij de meer algemene parkietenhouder slechts hier en daar voorkomend. Met A. a. acuticaudata en A. a. haemorrhous wordt regelmatig in gevangenschap gefokt, maar ook van de A. a. neumanni zijn broedresultaten bekend.
Eerste broedresultaat met A. a. acuticaudata in 1971, Engeland; met A. a. haemorrhous in 1950, USA; met A. a. neumanni in 1976, Duitsland.
De spitsstaartparkiet is zeer geschikt voor liefhebbers die pas begonnen zijn met het houden en fokken van aratingasoorten. Leent zich om solitair in een ruime kamervolière te houden.
Wet budep
Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep Lijst II, echter geen administratieplicht.
Gedrag
Sterke vogel kan goed tegen een korte periode van matige kou. In het begin nogal schuw, mettertijd vertrouwelijk tegenover de verzorger; intelligent. Ruziezoeker, niet erg geschikt voor gezelschapsvolière en al helemaal niet in de broedtijd. Brengen een hard stemgeluid voort, mogelijk hinderlijk voor de buren; sterke knager hiermede rekening houden bij de bouw van de volière. Gevoelig voor verandering van volière, maar ook aan hun verblijf, ze raken dan snel van streek. Koppels hebben een sterke onderlinge binding; nemen graag een bad; slapen in broedblok.
Huisvesting en
verzorging
De ideale huisvesting is paarsgewijs in een van metaal vervaardigde buitenvolière met aansluitend een vorstvrij nachtverblijf waarin tevens het broedblok een plaats krijgt; minimale volièregrootte (lxbxh) 3 x 1 x 2 m; minimale afmetingen nachtverblijf 1,5 x 1 x 2 m; het broedblok ca. 60 cm diep bij een diameter van 25 à 30 cm en een minimale wanddikte van 3 cm, doorsnede invlieggat 7-8 cm; het broedblok het gehele jaar door laten hangen aangezien de vogels hierin gewoonlijk ook slapen. Bouw de volière bij voorkeur op een wat rustige en ietwat beschaduwde plek; laat eventueel een klimplant over de vlucht groeien. Wanneer verschillende soorten naast elkaar gehouden worden kan men - om teenbeschadigingen te voorkomen - het best de tussenwanden met dubbel gaas bespannen; de binnenruimte echter zo inrichten dat de vogels elkaar niet kunnen zien. Tijdens de wintermaanden moeten de vogels minimaal 12 uur licht hebben. Zo weinig mogelijk veranderingen in en aan het verblijf aanbrengen als de vogels eenmaal gewend zijn.
Regelmatig verse takken van berk, knotwilg of fruitbomen (onbespoten) geven om hun knaaglust te bevredigen. Dagelijks vers badwater verstrekken.
Voeding
Als basis kan men een grof zaadmengsel voor grote parkieten geven waarin de volgende zaden voorkomen: tarwe, gerst, haver, padie, rode en witte dari, negerzaad, hennep, saffloer- en zonnebloempitten evenals maïs, de drie laatstgenoemde best in licht gekiemde toestand aanbieden; witzaad en gierst worden gewoonlijk niet of nauwelijks aangeroerd, trosgierst echter soms wel, vooral als er jongen zijn. Halfrijpe kolfmaïs wordt graag opgenomen, evenals halfrijpe haver en tarwe in de aar, ook allerhande halfrijpe gras- en onkruidzaden. Verder fruit zoals appel en peer daarnaast bessensoorten van vuurdoorn, rozenbottel en lijsterbes, ook aardbeien, frambozen; van de groentesoorten vooral rode wortel, komkommer en tomaat. Dagelijks eivoer (gerantsoeneerd) verstrekken, eventueel aangevuld met een kleine gift weekvoer voor insecteneters (insectenpaté of universeelvoer). Vers drinkwater, maagkiezel, grit en een mineralenblok dienen altijd ter beschikking te staan.
In de broedtijd in principe hetzelfde voedsel verstrekken, maar ongelimiteerd eivoer geven, d.w.z. zoveel de vogels willen opnemen. Als er jongen zijn wat verse mierenpoppen onder het eivoer bijmengen.
Fok
Broedresultaten worden regelmatig behaald, vooral door liefhebbers die zich speciaal op het houden en fokken van aratingasoorten hebben toegelegd. Om er zeker van te zijn dat men over een paar beschikt, moet men de vogels endoscopisch laten seksen, ook kan men door middel van een DNA-onderzoek het geslacht van de vogels laten vaststellen. Deze vogels zijn pas in het derde levensjaar geslachtsrijp, soms pas als ze vier jaar oud zijn. Als het klikt tussen beide vogels kan men er dan broedresultaten van verwachten; broedbegin vanaf april. Aratinga's hebben een duidelijke voorkeur voor natuurbroedstammen, maar er zijn er ook wel die met een zelfgemaakte nestkast genoegen nemen. Op de bodem van het broedblok moet een flinke laag vermolmd hout aangebracht worden. Het legsel bestaat gewoonlijk uit 2 tot 3 eieren, soms 4. Deze worden om de andere dag gelegd, soms met tussenpozen van twee dagen en uitsluitend door de pop uitgebroed. Als regel houdt de man de pop gedurende de nacht op het nest gezelschap, maar ook wel gedurende korte perioden overdag.
Wat betreft de broedduur, deze is voor alle aratingasoorten voor elk ei 23 dagen. Het legsel wordt vanaf het eerste, het tweede of het derde ei bebroed. Wanneer de pop met broeden begint, is van paar tot paar en zelfs van keer tot keer verschillend. Voor de berekening van het tijdstip waarop men de jongen mag verwachten, is het dus belangrijk dat men precies vaststelt wanneer de pop met broeden begint. Houd ook rekening met het feit, dat menige pop vanaf het eerste ei in het broedblok blijft, zonder daadwerkelijk te broeden.
Wanneer de jongen ongeveer 14 dagen oud zijn kunnen ze geringd worden; ringmaat 7 mm. De nestduur is ruim zeven weken, drie weken na het uitvliegen zijn ze zelfstandig. Er is maar een broedsel per jaar, maar als het legsel onbevrucht is en de eieren worden in een vroeg stadium weggenomen, kan het nog wel eens tot een nieuw legsel komen.
Mutaties: geen.
Tekst: HW.J. van der Linden