DE ARATINGA’S (4)

 

Goudvoorhoofdparkiet

Aratinga aurea (Gmelin 1788)

 

Soortbeschrijving

Formaat: 26 cm.

Man en pop: het oranje kapje op het voorhoofd beslaat vrijwel de volle breedte van de snavelbasis en loopt vandaar spits toe naar een punt midden op de kruin. Hierop aansluitend een brede enigszins dof aandoende blauwe overgangszone welke op de achterkop overgaat in de donkergrasgroene kleur van de nek.

Algemene lichaamskleur groen; mantel vleugeldek stuit en bovenstaartdekveren donkergrasgroen; wangen keel en borst bleek olijfgroen met een blauwgrijsachtig tintje; onderborst buik flanken dijen en anaalstreek groenachtig geel. De kleurafscheiding welke dwars over het midden van de borst loopt is vrij scherp. De zeven buitenste vleugelpennen zijn diep korenbloemblauw; overige grote vleugelpennen en primaire vleugeldekveren groen naar de uiteinden overgaand in donkerblauw. Bovenzijde grote staartveren donkergrasgroen met aan de uiteinden een blauwachtige glans; onderzijde van de staartveren olijfgeel met uitzondering van de verlengde primaire staartveren deze zijn aan de onderzijde donkergrijs. Ogen donkerbruin met oranjegele iris. Het oog is omgeven door een oogring bestaande uit oranjekleurige veertjes daarbinnen een uiterst smal nauwelijks opvallend randje van naakte huid direct om het oog. Snavel grijszwart. Poten grijs; nagels grijszwart.

 

Ondersoorten

A. a. aurea (Gmelin 1788)

Verspreidingsgebied: in de Braziliaanse provincies Amazonas, Mato Grosso en Sao Paulo, Zuidoost-Peru, Oost-Bolivia en Noord-Argentinië.

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm

 

A. a. major Cherrie & Reichenberger 1923

Grote goudvoorhoofdparkiet

Verspreidingsgebied: Noord-Paraguay

Kenmerken: Formaat: 30 cm. Als A. a. aurea,

maar beduidend groter.

De geldigheid van deze ondersoort is omstreden.

 

Biotoop

Open landschappen, droge en halfdroge steppen en savannen begroeid met bomen, struiken en cactussen, gebieden met kreupelhout, randgebieden van loofboomwouden, ook in bewoonde gebieden, landbouwgebieden parken en tuinen.

 

Status wildpopulatie

Veelvuldig voorkomend.

 

Leefwijze

Paarsgewijs of in kleine groepen, maar ook in zwermen van 20 tot 50 vogels. Plaatselijk leiden groepen een zwervend bestaan. Tijdens de broedtijd zonderen de paren zich af. Het voedsel bestaat uit allerlei zaden, nootjes, bessen, vruchten, insecten en hun larven; richten vaak schade aan in landbouwgebieden.

Ze broeden in holten van bomen en takken, maar ook in nesten van boomtermieten.

 

Algemene informatie

Wordt van alle aratingasoorten het meest in gevangenschap gehouden en gefokt, ook door niet-aratingaspecialisten. In gevangenschap geboren vogels worden regelmatig te koop aangeboden.

Eerste broedresultaat met A. a. aurea in 1880, Duitsland.

Bijzonder geschikt voor beginnende vogelhouders.

Kan ook solitair in een ruime kooi binnenshuis worden gehouden, worden vrij vlug tam, ook als ze al wat ouder zijn.

 

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep Lijst II.

 

Gedrag

Sterke vogel, kan ook gedurende een korte periode wel tegen lichte vorst. Aangename volièrevogel, niet bijzonder veeleisend, niet schuw en ook niet van die echte schreeuwers, zoals we dat van de meeste aratingasoorten kennen; tamelijk knaaglustig; wennen snel aan verzorger; tijdens de broedtijd agressief tegenover andere vogelsoorten; kunnen buiten de broedtijd met soortgenoten samen gehouden worden ook met grotere soorten bijv. met amazonepapegaaien en pionussoorten; levendig van aard; slapen in nestkast; baden graag. 

 

Huisvesting en verzorging

Bij voorkeur paarsgewijs in volière met aangebouwd vorstvrij te houden nachthok met een bodemoppervlakte van ca 1 m²; minimale volièrematen (lxbxh) 2 x 1 x 2 m. Het broedblok dat tevens dienst doet als slaapplaats komt in het nachtverblijf te hangen. Een dikwandig na-tuurbroedblok heeft de voorkeur, maar ook een zelf vervaardigde nestkast wordt als regel wel geaccepteerd; afmetingen blok 35 tot 60 cm hoog, diameter 22 tot 25 cm, doorsnede invlieggat 6 cm. Het binnenverblijf zo inrichten dat ze eventuele buren niet kunnen zien; tussen de buitenvolières dubbelgaas aanbrengen met een minimale tussenruimte van 3 cm.

Tijdens de wintermaanden zorgen voor voldoende daglengte, minimaal 12 uur. Regelmatig verse takken aanbieden om aan te knagen, bijv. wilgentakken of takken van onbespoten fruitbomen.

Dagelijks vers badwater verstrekken.

 

Voeding

Het hoofdvoedsel voor deze vogels bestaat uit een kwalitatief goed zaadmengsel voor grote parkieten en veel fruit, vooral appel, peer en mango, daarnaast bessen van vuurdoorn, rozenbottel en lijsterbes, ook aardbeien, frambozen. Ook rode wortel en halfrijpe maïs worden graag genomen, evenals halfrijpe haver en tarwe in de aar, ook allerhande halfrijpe gras- en onkruidzaden, evenals gekiemde zaden. Verder allerlei soorten groenten in het bijzonder rode wortel, komkommer en tomaat. Dagelijks eivoer (gerantsoeneerd) verstrekken, eventueel aangevuld met een kleine gift universeelvoer waaraan gedroogde insecten zijn toegevoegd.

Het weekvoer rul maken met wat gekiemde maïs of mungobonen (katjang idjoe). In de broedtijd hetzelfde voedsel verstrekken, maar onbeperkt eivoer geven, ook geweekt brood.

Vanzelfsprekend zorgen we ervoor dat schoon drinkwater, scherpe maagkiezel, grit en een mineralenblok steeds ter beschikking staan.

 

Fok

De goudvoorhoofdparkiet geldt als een gemakkelijk te fokken aratinga. Fokvogels moeten ongeveer 1,5 - 2 jaar oud zijn. Broedbegin eind maart begin april. Het legsel bestaat gewoonlijk uit drie tot vier eieren, die om de andere dag worden gelegd. De pop broedt alleen, maar meestal houdt de man de pop 's nachts in het blok gezelschap om er te slapen; broedduur 23 dagen. De jongen hebben bij de geboorte witachtig dons, dat naarmate de jongen ouder worden in grijs verandert. Als de jongen veertien dagen oud zijn moeten ze geringd worden; ringmaat 5,4 mm. Op een leeftijd van drie weken gaan de ogen open. De jongen blijven ruim zeven weken in het nest. Als ze uitvliegen, zijn ze volledig bevederd, maar de oranjekleurige oogring ontbreekt nog. Vrijwel direct na het uitvliegen nemen de jongen onder het toeziende oog van de oudervogels al zelfstandig voedsel op. Ze worden echter nog geruime tijd bijgevoerd. Vaak begint de pop direct aan een nieuw legsel. Als de man de jongen met rust laat, kunnen ze nog wel een tijdje in dezelfde vlucht blijven, anders moet men ze apart zetten.

Er zijn meldingen van drie broedsels per jaar!

 

Mutaties: geen

 

Tekst: H.W.J. van der Linden