ARATINGA’S (6)

 

Aratinga nana  (Vigors 1830)

 

Soortbeschrijving

Formaat: 26 cm.

Man en pop: algemene lichaamskleur groen; voorhoofd, schedeldek, nek, halszijden, mantel, vleugeldek en bovenstaartdekveren donkergrasgroen; wangen, oorstreek en stuit helder grasgroen; kin en keel zijn groen en met bruin bewaasd, bef en bovenborst meer olijfbruin vervolgens overgaand in olijfgroen op onderborst, buik, flanken, dijen en anaalstreek, de kleurafscheiding welke ongeveer over het midden van de borst loopt is vrij scherp; onderstaartdekveren grasgroen. Hand- en armpennen donkergrasgroen naar de uiteinden toe overgaand in diepblauw. Bovenzijde grote staartveren donkergrasgroen; onderzijde olijfgeel. Donkere ogen met oranjekleurige irisring omgeven door een onbevederde witte oogring. Snavel overwegend hoornkleurig met iets grijs aan de basis van de bovensnavel en aan weerszijden van de ondersnavel, uiterste snavelpunt donkergrijs; neusdop grijsachtig met rondom de neusgaten veelal enkele zeer kleine oranjekleurige veertjes. Poten grijs; nagels grijszwart.

 

Ondersoorten

A. n. astec (Souanc 1857)

Azteken parkiet

Verspreidingsgebied: vanaf Veracruz Mexico langs de Caribische kust zuidwaarts tot in West-Panama.

Kenmerken: Formaat 24 cm. Lijkt op Jamaica parkiet, maar borst licht olijfbruin tot bruin; buikkleur geelachtig olijfbruin, anaalstreek en dijen donkergrasgroen. Snavel iets kleiner, aan de snavelbasis en aan weerszijden van de ondersnavel duidelijk grijzer van kleur .

 

A. n. nana  (Vigors 1830)

Verspreidingsgebied: Jamaica

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm.

 

A. n. vicinalis (Bangs Penard 1919)

Oostelijke Azteken parkiet

Verspreidingsgebied: Noordoost-Mexico

Kenmerken: Formaat 24 cm. Rugdek helder-grasgroen; bef en borst helder olijfgroen; buik geelachtig groen. Voor het overige als astec.

 

Biotoop

Vochtig, tropisch vlakland met open bosbestand; langs de randen van het regenwoud; vochtige bossen tegen de hellingen van de kalksteenbergen tot 800 m hoogte, ook cultuurgebieden met boombestand.

 

Status wildpopulatie

Veelvuldig voorkomend.

 

Leefwijze

Buiten de broedtijd in groepen tot dertig vogels, af en toe worden zwermen waargenomen van vele honderden stuks. Tijdens de broedperiode, rond april-mei, zonderen de paren zich af. Gebroed wordt in de nesten van boomtermieten. De vogels graven hierin zelf een lange gang met aan het einde een zogeheten broedkamer. Het voedsel bestaat uit allerhande zaden, vruchten, bessen, noten en groene plantendelen zoals bladknoppen. Als het koren en de maïs rijpen, doen ze zich tegoed aan de te velde staande gewassen, waarbij ze vaak aanzienlijke schade aanrichten.

 

Algemene informatie

De Jamaica parkiet geldt als vrij zeldzaam in liefhebbershanden, de ondersoort A. n. astec komt men nog minder tegen, A. n. vicinalis is waarschijnlijk niet meer in Europese volières aanwezig. Zowel van A. n. nana als van A. n. astec  zijn incidentele broedresultaten bekend.

Eerste broedresultaat met A. n. nana in 1986 in Duitsland; met A. n. astec in 1903 op Jamaica

 

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep Lijst II.

 

Gedrag

Aangename vrij sterke volièrevogel met een rustig karakter. Wanneer ze aan hun verblijf gewend zijn, verdwijnt hun aanvankelijke schuwheid. Hun stemgeluid is niet storend, bij onraad of opwinding laten ze slechts een knarrend geluid horen. Beperkte knager. Buiten de broedperiode vredelievend tegenover soortgenoten en andere parkietensoorten van gelijke grootte. Sterke paarbinding, deze vogels doen bijna alles samen. Baden niet of zelden.

 

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs huisvesten in buitenvolière van minimaal (lxbxh) 2,5 x 1 x 2 m met aangebouwd nachtverblijf van (lxbxh)1 x 1 x 2 m, waarin het tijdens de wintermaanden minimaal vorstvrij blijft en een daglengte van ongeveer 12 uur gewaarborgd is. Aangezien Jamaica parkieten geen sterke knagers zijn, is het niet per se nodig de volière van metaal te maken. Bij geschakelde binnenverblijven ondoorzichtige tussenschotten plaatsen, tussen de buitenvolières dubbel gaas gebruiken.

Hoewel ze in de natuur een holte graven in de wand van een termietennest, wordt een zelf vervaardigde horizontaal uitgevoerde nestkast gewoonlijk wel als slaap- en broedgelegenheid geaccepteerd; afmetingen nestkast ca 25 cm hoog, bodemoppervlakte ongeveer 25 x 35 cm, doorsnede invlieggat ca. 7 cm. Op de bodem van de nestkast een laagje houtmolm of houtsnippers aanbrengen, geen turfmolm. Om wat de nestgelegenheid betreft de natuur wat meer na te bootsen, kan een halfvergane wilgenboom met holten mogelijk uitkomst bieden, hierin kunnen de vogels dan zelf hun nestholte maken. Ook nestkasten ingekapseld in leem zodat ze wat meer op een termietennest lijken, zouden eens uitgeprobeerd kunnen worden. De nestgelegenheid in het nachtverblijf en zo mogelijk wat aan het zicht onttrokken plaatsen, zodat de vogels zich er veilig in voelen. Het eerste teken dat men met de aangeboden nestgelegenheid goed zit, is als de vogels deze accepteren om er te slapen.

Regelmatig verse takken aanbieden om aan te knagen, bijv. wilgentakken of takken van onbespoten fruitbomen. Hoewel deze vogels niet of nauwelijks schijnen te baden bepleit ik, zeker tijdens de zomermaanden, de vogels toch de gelegenheid hiertoe te geven.

 

Voeding

Als basis geven we een zaadmengsel voor grote parkieten waarin de volgende zaden voorkomen: tarwe, haver, padie, rode en witte dari, negerzaad, diverse gierstsoorten, witzaad, hennep, saffloer- en wat zonnebloempitten, maar vooral niet te veel; de grovere zaden ook geweekt of gekiemd aanbieden. Halfrijpe kolfmaïs wordt graag opgenomen, evenals halfrijpe haver en tarwe in de aar, ook allerhande halfrijpe gras- en onkruidzaden. Verder fruit zoals appel, rozenbottels, daarnaast bessen van vuurdoorn en lijsterbes; van de groentesoorten vooral rode wortel en bladgroente. Dagelijks eivoer (gerantsoeneerd) verstrekken, eventueel aangevuld met een kleine gift weekvoer voor insecteneters (insectenpaté of universeelvoer), ook enkele gedroogde garnalen ter afwisseling.

Vers drinkwater, maagkiezel, grit en een mineralenblok dienen altijd ter beschikking te staan.

In de broedtijd in principe hetzelfde voedsel verstrekken, maar ongelimiteerd eivoer geven, ook in melk geweekt oud brood wordt in deze periode graag opgenomen.

 

Fok

De fok met deze soort is slechts sporadisch gelukt. Stellig heeft dat ook te maken met het beperkte aantal van deze vogels dat in gevangenschap gehouden wordt. Zekerheid over het geslacht is alleen verkrijgbaar als men de vogels endoscopisch laat onderzoeken of een DNA-onderzoek laat doen. Voor de fok dient het koppel minimaal twee jaar oud te zijn, maar vaak duurt het jaren voordat ze aanstalten maken om te broeden. Vanaf april beginnen de vogels in broedstemming te komen, soms nog wat later. Legselgrootte variërend van 3 tot 5 eieren. De pop broedt alleen; broedduur 23 dagen. Bij het uitkomen hebben de jongen witachtig nestdons, wat naarmate ze ouder worden in grijs verandert. Wanneer de jongen ongeveer 14 dagen oud zijn komen de eerste donkere veerstoppels door en moeten ze geringd worden; ringmaat 6 mm. Ongeveer 6 weken na het uitkomen zijn de jongen volledig bevederd, alleen de vleugel- en staartpennen zijn nog niet volledig uitgegroeid. Een week later vliegen ze uit. Na het uitvliegen worden ze nog geruime tijd door de man gevoerd. Drie weken na het verlaten van de nestkast zijn ze zelfstandig.

Jonge vogels zijn geheel groen, ook de ondervleugeldekveren; de irisring is donker. Na drie maanden beginnen de jongen te kleuren.

Twee legsels per jaar zijn mogelijk.

 

Mutaties: geen

 

Tekst: H.W.J. van der Linden