ARATINGA’S (7)
Aratinga canicularis (Linnaeus 1758)
Petz’s parkiet
Soortbeschrijving
Formaat: 24 cm.
Man en pop: de kop is versierd met een tamelijk brede
voorhoofdsband die aan weerszijden doorloopt tot aan de teugels. Aansluitend
hieraan een matblauw veerveld dat doorloopt tot op de kruin en vervolgens
overgaat in de algemene lichaamskleur.
Algemene lichaamskleur groen; achterkop, nek, mantel, vleugeldek,
rug, stuit en bovenstaartdekveren donkergrasgroen; teugels, wangen, bef en
bovenborst vaal olijfbruin; onderborst, buik, flanken, dijen, anaalstreek en
onderstaartdekveren groenachtig geel. De kleurafscheiding welke dwars over het
midden van de borst loopt is vrij scherp. Buitenvlaggen handpennen groen naar
de uiteinden overgaand in blauw; buitenvlaggen armpennen diep korenbloemblauw
Bovenzijde grote staartpennen donkergrasgroen; onderzijde dof olijfgeel. Snavel
hoornkleurig. Oogiris geel; de naakte oogring is geelwit. Poten bruingrijs;
nagels donkergrijs.
Ondersoorten
A. c. canicularis
(Linnaeus 1758)
Verspreidingsgebied: van Zuidwest-Mexico tot West-Costa Rica
Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm.
A. c. clarae
West-Mexicaanse
Petz's parkiet
Ook: Sinaloa Petz's parkiet
Verspreidingsgebied: Westcentraal- en Zuid-west-Mexico
Kenmerken: Formaat 24 cm. Gelijkend op A. c. canicularis maar de voorhoofdsband is minder breed en reikt
niet tot aan de naakte oogring; het blauw op het voorste gedeelte van de kruin
loopt aan de voorzijde van het oog door tot aan de teugel. Algemene
lichaamskleur groener; bef en bovenborst vaal olijfgroen; onderborst, buik,
flanken, dijen, anaalstreek en onderstaartdekveren groener minder geel getint.
Zwartachtige vlek aan weerszijden op de ondersnavel.
A. c. eburnirostrum
(Lesson 1842)
Zuid-Mexicaanse Petz's parkiet
Verspreidingsgebied: Zuidwest-Mexico
Kenmerken: Formaat: 24 cm. Gelijkend op nominaatvorm maar
onderlichaam is groener minder geel getint. De oranje voorhoofdsband is minder
breed. Bruingrijze vlek aan weerszijden op de ondersnavel.
Biotoop
Vlakland, langs waterlopen en bosranden, struikbossen, open
en halfopen grasvlakten met verspreid voorkomende bomen en struiken, ook in
loofwoud, doch steeds in de nabijheid van water; vogels worden plaatselijk ook
in het middelgebergte aangetroffen tot 1200 m, zelden hoger.
Status wildpopulatie
Veelvuldig voorkomend.
Leefwijze
Gewoonlijk in kleine groepen tot 30 vogels, na de broedtijd
soms ook in grote zwermen van meerdere honderden vogels. In de broedtijd
zonderen de paren zich af. Deze vogels broeden vrijwel uitsluitend in nesten
van boomtermieten. Hierin graven ze een ongeveer 30 cm lange gang welke schuin
naar boven loopt, aan het einde hiervan wordt dan de broedkamer ingericht. Ze
leven van allerlei vruchten vooral vijgen en mango's, zaden, noten, bessen, bloesems,
insecten en hun larven, komen ook voor in gebieden met
akkerbouw en op plantages.
Algemene informatie
Deze vogels komt men nog maar weinig bij de liefhebbers
tegen. De A. c. canicularis is het
minst ingevoerd, de A. c. eburnirostrum
het meest, van beide ondersoorten zijn meldingen van nafok, echter niet van de
van de A. c. clarae. De reden hiervan
is waarschijnlijk dat alle ondersoorten als Petz's parkiet worden aangeboden en
men dus vaak van mening is de no-minaatvorm te bezitten.
Eerste broedresultaat met A. a. canicularis in 1932 in Duitsland;
met A. c. eburnirostrum in 1937 in de
USA.
Wat uiterlijk betreft, vertoont de Petz' parkiet veel overeenkomst
met de goudvoorhoofdparkiet (Aratinga
aurea) en wordt er ook wel mee verwisseld. Het verschil is echter meteen te
zien wanneer men naar de snavel kijkt: de Petz's parkiet heeft een
hoornkleurige snavel, de goudvoorhoofdparkiet een zwarte.
De Petz's parkiet is geschikt om solitair in een ruime
kamervolière te worden gehouden, maar moet dan wel in gevangenschap geboren
zijn.
Wet budep
Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep Lijst II.
Gedrag
Aangename sterke volièrevogel met een rustig karakter.
Wanneer ze aan hun verblijf gewend zijn, verdwijnt hun aanvankelijke schuwheid
en laten ze ook hun krijsende stem minder vaak horen en is hun stemgeluid
nauwelijks storend te noemen. Deze vogels zijn weinig knaaglus-tig. Buiten de
broedperiode vredelievend tegenover soortgenoten en andere parkietensoorten van
gelijke grootte, zijn ook met agapornidensoorten goed samen te houden. Petz's
parkieten baden zelden. Wennen niet gauw aan slaap/broedblok.
Huisvesting en
verzorging
Minimale volièrematen (lxbxh) 2,5 x 1 x 2 m met aansluitend
een klein binnenverblijf van minimaal (lxbxh) 1,5 x 1 x 2 m, waarin het koude
jaargetijde vorstvrij blijft. De tijdklok zo instellen dat de vogels minimaal 12 uur licht
krijgen. Hoewel ze in de natuur een holte graven in de wand van een
termietennest, wordt een dikwandig natuurbroedblok gewoonlijk wel geaccepteerd,
maar ook een zelf vervaardigde nestkast doet het als regel wel; afmetingen blok
35 cm hoog, diameter 20 à 22 cm, doorsnede invlieggat 6 à 7 cm. Soms kan het
echter jaren duren voordat het blok geaccepteerd wordt. Een halfvergane
wilgenboom met holten kan soms uitkomst bieden, hierin kunnen de vogels
(hoofdzakelijk de man) dan zelf hun nestholte maken. Ook nestkasten ingekapseld
in leem zodat ze wat meer op een termietennest lijken, zouden eens
uitgeprobeerd kunnen worden. Er is al veel gewonnen als de vogels de
nestgelegenheid accepteren om er te slapen. De nestgelegenheid in het
nachtverblijf zo mogelijk wat aan het zicht onttrokken
plaatsen, zodat de vogels zich er veilig in voelen.
Regelmatig verse takken aanbieden om aan te knagen, bijv. wilgentakken of takken van onbespoten fruitbomen. Dagelijks
vers badwater verstrekken, hoewel ze er niet vaak gebruik van zullen maken.
Voeding
Als basisvoedsel krijgen deze vogels een zaadmengsel voor
grote parkieten met een niet te hoog percentage zonnebloempitten (maximaal
10-15%), de grotere zaden liefst gekiemd aanbieden, daarnaast verstrekken we
een goed eivoer (gerantsoeneerd), eventueel aangevuld met wat universeelvoer
waarin gedroogde insecten of mierenpoppen zijn verwerkt, het geheel rul maken
met grove gekiemde of gekookte zaden.. Verder
dagelijks wat fruit in de vorm van een stukje appel of sinaasappel en indien
verkrijgbaar mango's en vijgen. Ook allerhande groenvoer zoals wortel, muur,
andijvie, witlof of boerenkool wordt graag genomen. Verder kan men deze vogels
dagelijks nog een halve kolf halfrijpe maïs geven, ook allerlei onkruidzaden en
halfrijpe aren van haver en tarwe wordt graag gegeten. Dagelijks
twee tot drie meelwormen per vogel aanbieden, een paar gedroogde garnalen laten
ze meestal ook niet liggen. Denk niet te gauw dat uw vogels dit niet
lusten. Vooral aratinga's staan bekend om hun conservatisme wat betreft het
aannemen van 'vreemd' voedsel. Soms moet men iets wekenlang aanbieden, voordat
er van gegeten wordt.
Elke dag zorgen voor vers drinkwater. Maagkiezel, grit en
een mineralenblok dienen steeds ter beschikking te staan.
In de broedtijd hetzelfde voedsel verstrekken, maar
ongelimiteerd eivoer geven, d.w.z. zoveel de vogels willen opnemen. Als er
jongen zijn dagelijks wat verse mierenpoppen onder het eivoer bijmengen en de
hoeveelheid meelwormen geleidelijk aan opvoeren.
Fok
Met deze parkieten worden maar incidenteel broedresultaten
behaald, dit geheel in overeenstemming met de algemene schaarste van de soort.
Petz's parkieten die voor de fok ingezet worden moeten ten
minste 2 jaar oud zijn. Zekerheid over de aard van het geslacht is enkel
te verkrijgen door de vogels te laten seksen.
Het broedseizoen voor deze vogels begint in het voorjaar, de
eieren worden om de twee dagen gelegd; legselgrootte 3 tot 4 eieren, een enkele
keer oplopend tot 6. De pop broedt alleen; broedduur 23 dagen. Als de eerste
stoppels doorkomen, moeten de jongen geringd worden; ringmaat 5,4 mm; nestduur
ongeveer 7 weken. Als de jongen uitvliegen zijn ze volledig bevederd, maar
beduidend matter van kleur dan de oudervogels, de oranjekleurige voorhoofdsband
is smaller en de oogiris is bruin gekleurd. De pas uitgevlogen Petz's parkieten
zijn erg schrikachtig, houd hiermee rekening zodat de jonge vogels niet verongelukken.
De jongen nemen een week nadat ze uitgevlogen zijn
zelfstandig voedsel op, na ca 3 weken zijn ze geheel zelfstandig.
Er zijn meldingen van twee broedsels per jaar.
Mutaties: geen
Tekst: H.W.J. van der Linden