Aratinga’s (8)
St. Thomas parkiet
Aratinga pertinax (Linnaeus 1758)
Soortbeschrijving
Formaat: 25 cm.
Man en pop: voorhoofd, teugels, kopzijden, wangen en kin tonen een mengeling van oranje en geel. Achter het oranjegeel van het voorhoofd ligt een groenachtig blauw overgangsgebied dat op de kruin overgaat in het donkergrasgroen van de achterkop. Algemene lichaamskleur groen; nek, mantel, vleugeldek, stuit en bovenstaartdekveren donkergrasgroen; buik, flanken, dijen en anaalstreek geelachtig groen. Centraal op de buik een vrij vlekkerig veerveld van variabele afmetingen in diverse oranjetinten. Keel en borst zijn olijfbruin. De kleurafscheiding tussen bovenborst en onderlichaam loopt dwars over het midden van de borst en is vrij scherp. Grote vleugelpennen groen, de buitenvlag naar de uiteinden toe overgaand in diep blauw; buitenvlag buitenste armpennen diep blauw. Bovenzijde grote staartpennen groen aan de uiteinden groenachtig blauw; onderzijde grote staartveren vaal olijfgeel. De ogen zijn nagenoeg zwart met gele iris en omgeven door een naakte grijswitte oogring. Snavel bruinachtig donkergrijs; neusdop grijs. Poten grijs; nagels grijszwart.
Ondersoorten
A. p. aeruginosa (Linnaeus 1758)
Bruinkeelmaisparkiet
Verspreidingsgebied: Noord-Colombia en Noordwest-Venezuela.
Kenmerken: Formaat ongeveer 24 cm iets kleiner dus dan de nominaatvorm en de hierna omschreven A. p. arubensis waarmee hij overigens veel overeenkomst heeft. De voorhoofdsband is slechts smal en heeft een bruingele kleur. De zijden van de kop de keel en de borst zijn wat donkerder en tonen meer bruin dan de Arubaanse maisparkiet. De naakte ooghuid is grijswit en afgezet met een aantal losse oranjekleurige veertjes die echter geen gesloten geheel vormen.
A. p. arubensis (Hartert 1892)
Arubaanse maisparkiet
Verspreidingsgebied: Aruba
Kenmerken: Formaat 25 cm. Algemene lichaamskleur als de nominaatvorm. Buik slechts licht oranje getint. Het voorhoofd is bleekgeel. Schedeldek bijna groenachtig blauw op het achterhoofd overgaand in het donkergrasgroen van het rugdek. Keel en bovenborst zijn bruingeel. De teugels de wangen en de zijden van de kop tonen een mengeling van lichtbruin en zeer flets oranje. Een uitzondering vormen de veertjes van de oorstreek deze zijn geel en hebben een brede bruine veerzoom. Rondom de ogen een naakte grijsachtig witte oogring afgezet met een asymmetrische ring van helder oranjegele veertjes die het aanzien heeft van een bril; deze ring is onder en achter het oog breder dan erboven. Voor het overige gelijkend op de nominaatvorm.
A. p. chrysogenys (Massena & Souancé 1854)
Bruinkopmaisparkiet
Ook: Rio Negro maisparkiet en Braziliaanse maisparkiet
Verspreidingsgebied: Noordwest-Brazilië
Kenmerken: Formaat ongeveer 24 cm.
Lijkt op aeruginosa, maar van deze ondersoort zijn alle lichaamskleuren donkerder. Het rug- en vleugeldek zijn nagenoeg donkergroen. Ook het oranje op de buik is donkerder bovendien meer uitgebreid zelfs tot op de dijen. De smalle voorhoofdsband is bruin, evenals wangen, teugels en oorstreek. Om de naakte grijswitte oogring loopt een zeer smalle asymmetrische ring van gele veertjes, die achter het oog de grootste breedte toont. Kruin en bovenschedel tot op de achterschedel zijn blauw. Keel en borst zijn donkerbruin; het bruin loopt door tot boven het oog. De buitenvlaggen van de grote vleugelveren zijn donkerblauw. De snavel is vrijwel zwart; de neusdop grijs.
A. p. chrysophrys (Swainson 1838)
Maisparkiet
Ook:
Verspreidingsgebied: Zuidoost-Venezuela het uiterste noorden van Brazilië en Guyana.
Kenmerken: Formaat 24 cm.
Lijkt op aeruginosa. Het voorhoofd is vaal bruinachtig geel en vloeit ineen met het groenachtige blauw van de voorkruin. De zijden van de kop (teugels, wangen en oorstreek) zijn helder bruin. Hals en bovenborst olijfbruinachtig. Oranje gele 'bril' om de ogen. Buitenvlaggen van de grote vleugelpennen tonen een blauwe aanslag.
A. p. griseipecta Meyer de Schauensee 1950
Grijskeelmaisparkiet
Ook: Sinu maisparkiet
Verspreidingsgebied: Langs de oevers van de rivier Sinu in Noordoost-Colombia.
Kenmerken: Formaat ongeveer 24 cm.
Bij de grijskeelmaisparkiet is het groenachtige blauw op de kop beperkt tot een klein vlekje op de kruin. Wangen keel en bovenborst zijn grijsgroen geleidelijk overgaand in de helder grasgroene kleur van het onderlichaam. Geen blauw op de buitenvlag van de vleugelpennen. Geen oranje tinten aan oorstreek en op het onderlichaam. Voor het overige gelijkend op de bruinkeelmaisparkiet.
De geldigheid van deze ondersoort is omstreden.
A. p. lehmanni Dugand 1943
Colombiaanse
maisparkiet
Verspreidingsgebied: Oost-Colombia en het aangrenzende gebied oostelijk daarvan in Ve-nezuela tot aan de Orinoco.
Kenmerken: Formaat ongeveer 24 cm. Ook deze ondersoort vertoont veel overeenkomst met de bruinkeelmaisparkiet. Het voorhoofd toont een bruine voorhoofdsband vervolgens een smalle groenachtig blauwe overgangszone die op de kruin overgaat in de algemene lichaamskleur. De genoemde kleurafscheidingen zijn onscherp en gaan als het ware in elkaar over. Oorstreek, wangen, hals en borst bruin. Veertjes van oorstreek geel met bruine omzomingen, de totale kleurindruk hiervan verschilt echter nauwelijks van de wangkleur. De oranjegele 'bril' rondom de ogen is vrij breed en komt overeen met die van de Arubaanse maisparkiet, het oranjegeel is aan de bovenzijde van het oog vaak onderbroken. De vleugelpennen en de uiteinden van de staart bezitten echter aanmerkelijk minder blauw dan die van het nominaatras en de overige ondersoorten. In de staart is het blauw beperkt tot de uiteinden van de beide middelste staartveren.
A. p. margaritensis (Cory 1918)
Margarita maisparkiet
Verspreidingsgebied: De eilanden Margarita en Los Frailes ten noorden van Venezuela.
Kenmerken: Formaat ongeveer 25 cm.
Als de bruinkeelmaisparkiet de smalle voorhoofdsband is echter vuilwit (wit met een geelbruin waas). Aansluitend hieraan een wat bredere groenachtig blauwe overgangszone naar de algemene lichaamskleur tot ongeveer aan het begin van de kruin. Teugels, wangen en oorstreek zijn olijfbruin. Rondom het oog loopt een smalle gele band. De keel en het bovenste gedeelte van de borst zijn licht olijfbruinachtig. Onderborst en buik zijn groen, maar tussen de poten en op de dijen is dit vlekkerig geelgroen.
A. p. ocularis (Sclater & Salvin 1864)
Oogstreepmaisparkiet
Verspreidingsgebied: West-Panama
Kenmerken: Formaat ongeveer 24 cm.
Smalle voorhoofdsband, teugels en oorstreek donkerbruin; schedeldek donkergrasgroen soms hier en daar vermengd met iets blauw, op de achterkop overgaand in de algemene lichaamskleur. Oranjegele oogstreep voor, on-der en achter het oog doorlopend tot ongeveer boven de oorstreek. De oogstreep onder het oog is vrij scherp afgetekend en daar ook het breedst. Keel en bovenborst zijn bruin. Het bruin op de bovenborst gaat op het onderlichaam over in overgoten geelgroen met een vleugje oranje op de buik.
Voor het overige gelijkend op A. p aeruginosa.
A. p. paraensis Sick 1959
Tapajós
maisparkiet
Ook:
Verspreidingsgebied: Noord-Brazilië
Kenmerken: Formaat ongeveer 24 cm. Voorhoofd en schedel tot op de kruin zijn blauwgroen; achterkop en nek donkergroen met zeer fijne bruingele veerzoompjes. Mantel, vleugeldek, stuit en bovenstaartdekveren donkergrasgroen. De zijden van de kop zijn diep warm bruin; de bevedering van de oorstreek, de wenkbrauwen en de teugels donkerbruin. Oogiris oranjerood; onder de naakte ooghuid loopt een vrij brede oogstreep van oranjegele veertjes. Keel en borst zijn warm bruin, de buik diep oranjegeel; het overgangsgebied tussen deze veervelden toont een mengeling van groen en bruin. Flanken, dijen en anaalstreek geelgroen; onderkant grote staartveren groenachtig geel. Buitenvlag grote vleugelpennen donkerblauw. Voor het overige gelijkend op A. p. aeruginosa.
A. p. pertinax (Linnaeus 1758)
Verspreidingsgebied: Curaçao, St. Thomas.
Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm.
A. p. surinama Zimmer & Phelps 1951
Surinaamse maisparkiet
Verspreidingsgebied: Suriname en de noordelijke regionen van Guyana en Frans Guyana evenals Zuidoost-Venezuela.
Kenmerken: Formaat 24 cm.
Sterk gelijkend op A. p. chrysophrys, maar de smalle voorhoofdsband is maïskleurig (warmgeel) Het oranje op de zijden van de kop strekt zich meer uit naar de wangen en in de richting van de ondersnavelinzet en de teugels. De keel- en borstkleur varieert van geelachtig groen tot geelachtig bruin, het groen van de buik is lichter en toont meer geelgroen dan de maisparkiet.
A. p. tortugensis (Cory
1909)
Tortuga
maisparkiet
Verspreidingsgebied: Tortuga
Kenmerken: Formaat ongeveer 26 cm. Deze ondersoort heeft een smalle bleekgele voorhoofdsband vervolgens op de kop een vrij groot groenachtig blauw overgangsgebied naar de algemene lichaamskleur. De zijden van de kop tonen een mengeling van bruin en oranje, waarbij het bruin de overhand heeft (oranjekleurige veertjes met een brede bruine zoom). De veertjes van de oorstreek zijn echter meer geel met bruine omzoming. De naakte grijswitte oogring is afgezet met een tamelijk brede scherp afgelijnde asymmetrische bril van gele veertjes, die onder het oog het breedst is. Keel en kropstreek zijn bruin, de borst is meer olijfbruin. Grote vleugelpennen tonen slechts weinig blauw op de buitenvlag. De ondervleugel-dekveren zijn geelachtig lichtgroen. Voor het overige gelijkend op de bruinkeelmaisparkiet.
A. p. venezuelae Zimmer & Phelps 1951
Venezolaanse maisparkiet
Verspreidingsgebied: Venezuela uitgezonderd het uiterste noordwesten.
Kenmerken: Formaat ongeveer 24 cm.
Qua koptekening gelijkend op de Margarita maïsparkiet ergo met nagenoeg witte voorhoofdsband en blauwachtig groene voorkruin. Oorstreek wangen en teugels zijn mat bruin de keel en bovenborst bleek olijfbruin. Mantel en rugdek meer grasgroen in plaats van donkergrasgroen. De buik toont slechts weinig oranje. Buitenvlaggen van de grote vleugelpennen tonen een blauw waas. Binnenvlaggen van de staartpennen zijn aan de basis geel. De snavel is grijszwart.
A. p. xanthogenia (Bonaparte 1850)
Bonaire maisparkiet
Verspreidingsgebied: Bonaire
Kenmerken: Formaat 25 cm.
Sterk gelijkend op het nominaatras A. p. pertinax. Het oranjegeel van het masker loopt door tot op het voorste gedeelte van de kruin en de hals, in de nek zijn veelal enkele gele veertjes zichtbaar; de grootte van het oranjegele mas-ker varieert sterk en breidt zich soms uit over de gehele kop. De groenachtig blauwe overgangszone op de kop ontbreekt.
Biotoop
Verschillende leefgebieden: open droge tot halfdroge steppen en savannen begroeid met kreupelhout, cactussen en loofbomen, vooral acacia's; open loofbossen en gebieden met wortelbomen op de lager gelegen berghellingen tot 450 m, soms hoger (A. p. venezuelae), langs oevers van rivieren en stroompjes aan de randen van het regenwoud; ook cultuurlandschappen en landbouwgebieden behoren tot de favoriete oponthoudplaatsen van de per-tinaxrassen, vooral koren- en maïsvelden en fruitplantages. Dicht beboste gebieden worden door alle rassen gemeden.
Status wildpopulatie
Stabiel, plaatselijk wat toenemend.
Leefwijze
In kleine groepen van vier tot twintig vogels, op hun strooptochten naar voedsel vormen zich ook wel middelgrote zwermen. De vogels brengen de nacht door in zogeheten slaapbomen, vaak met 100 en meer stuks bij elkaar. De vogels trekken gewoonlijk plaatselijk rond, sommige ondersoorten trekken van december tot mei naar wat vochtiger gebieden (A. p. aeruginosa), ook A. p. ocularis onderneemt aan het seizoen gebonden grotere trektochten.
Het voedsel bestaat uit zaden, wilde peulvruchten, vruchten van cactussen en boomvruchten, zoals zuurzak, mango's en mispels. Tegen de oogsttijd zijn het vaste bezoekers van de akkers en plantages.
Het broedseizoen verschilt per gebied en richt zich per definitie naar de regentijd omdat het voedselaanbod na de regenperiode het grootst is. Sommige ondersoorten echter (A. p. pertinax, A. p. chrysophrys en A. p. xanthogenia) tonen vrijwel het gehele jaar broedactiviteiten, A. p. surinama uitgezonderd de maanden februari, mei, oktober en december.
In de broedtijd vormen de vogels dikwijls kleine losse kolonies van vier of vijf tot hooguit zeven paren en broeden dan dicht bij elkaar. De vogels graven meestal zelf een nestholte in de boomnesten van termieten, maar er worden ook regelmatig nesten gevonden in kalksteenwanden in nissen en spleten in rotsen en in holten van vermolmde boomstammen.
Algemene informatie
Zoals in de opsomming hierboven is te zien, worden maar liefst 14 ondersoorten beschreven. De voornaamste verschillen hebben betrekking op de kleur en het tekeningspatroon van de kop. Sommige ondersoorten zijn wat meer of minder oranje gekleurd op de buik of tonen wat minder blauw op de vleugelpennen. Het merendeel van de ondersoorten verschilt echter slechts weinig van elkaar. Bij aankoop van een bepaalde ondersoort is het zaak streng op de raskenmerken te letten.
De bruinkeelmaisparkiet (A. p. aeruginosa) is in het verleden regelmatig ingevoerd en met wat moeite is er nog wel aan te komen. Van deze ondersoort zijn verschillende geslaagde broedresultaten bekend, het eerste broedsucces was al in 1908 in Engeland.
Ook de Arubaanse maisparkiet (A. p. arubensis) wordt slechts sporadisch bij de liefhebber aangetroffen. Ook hiervan is een Nederlands broedsucces bekend, nadere gegevens ontbreken echter.
Over de bruinkopmaisparkiet (A. p. chrysogenys) is vrijwel niets bekend, wordt waarschijnlijk niet in Europa gehouden. Geen broedresultaten bekend.
De maisparkiet (A. p. chrysophrys) behoort tot de meest ingevoerde vertegenwoordigers van de pertinax-groep. Men komt ze echter slechts af en toe bij de liefhebber tegen. Er wordt regelmatig mee gefokt. Eerste broedresultaat in 1955 in Engeland.
De grijskeelmaisparkiet (A. p. griseipecta) werd aan de hand van slechts twee exemplaren beschreven. Observatie in de natuur is tot nu toe niet gelukt, zodat de geldigheid van deze ondersoort zeer omstreden is.
De Colombiaanse maisparkiet (A. p. lehmanni) werd tot voor enkele jaren af en toe aangeboden. Van deze ondersoort zijn ook verschillende broedresultaten bekend, het eerste dateert van 1981, Frankrijk.
Over importen van de Margarita maisparkiet (A. p. margaritensis) in Europa is niets bekend
De oogstreepmaisparkiet (A. p. ocularis) is slechts incidenteel in liefhebberskringen te vinden. Van deze ondersoort zijn verschillende broedresultaten bekend; het eerste was in 1915 in Engeland.
Van de Tapajós maisparkiet (A. p. paraensis) zijn geen importen in Europa bekend.
Vrijwel alle vogels die als sint-thomasparkiet (A. p. pertinax) worden aangeboden, behoren tot de rassen chrysophrys, venezuelae, aeruginosa, tortugensis of surinama. Echte sint-thomasparkieten zijn zeldzaam in de volières van de Europese aratingaliefhebbers. Met de nominaatvorm is verschillende keren in gevangenschap gefokt, de eerste keer lukte dit in 1949 in de USA.
De Surinaamse maisparkiet (A. p. surinama) is buiten Nederland en België vrijwel nergens in Europa te vinden. Ook met deze ondersoort is succesvol in Nederland gebroed, het precieze tijdstip is niet bekend.
De Tortuga maisparkiet (A. p. tortugensis) wordt slechts zelden in Europese collecties aangetroffen, maar voor zover ik weet, niet in Nederland. Wel zijn van deze ondersoort broedresultaten bekend, het eerste in 1980 in Frankrijk.
De Venezolaanse maisparkiet (A. p. venezuelae) behoort tot de meest ingevoerde pertinax-rassen. Niettemin wordt deze ondersoort slechts zelden als zodanig herkend. Wordt dikwijls verwisseld met de maisparkiet, ofschoon hij zich hiervan duidelijk onderscheidt (zie kenmerken ondersoorten). Over broedresultaten met deze ondersoort wordt slechts zeer sporadisch gepubliceerd; tijdstip eerste broedresultaat onbekend.
De Bonaire parkiet ( A. p. xanthogenia) wordt slechts sporadisch in liefhebbershanden aangetroffen. Met deze ondersoort is in Nederland gefokt in 1983, vermoedelijk was dat het eerste broedresultaat met deze ondersoort.
Alle in Europa ingevoerde pertinax-rassen kunnen solitair in een ruime kooi als huisdier worden gehouden.
Wet budep
Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep Lijst II, echter geen administratieplicht.
Gedrag
Alle pertinax-rassen zijn na gewenning vrij sterke vogels, maar ze kunnen niet tegen vorst. Aanvankelijk vrij schuw, worden echter op den duur rustiger en leggen uiteindelijk hun schuwheid geheel af. Overnachten graag in broedblok. Luidruchtig van aard, vaak storend voor hun omgeving, geen vogels om in dichtbewoonde wijken buiten te houden. Alle rassen van de Aratinga pertinax zijn sterke knagers, vooral de ondersoorten aeruginosa, pertinax en venezuelae zijn berucht en slopen alles wat hout heet. Alle in Europa ingevoerde pertinax-rassen, zo heeft de praktijk geleerd, kunnen buiten de broedtijd als groep samen worden gehouden, mits de volière voldoende groot is. Ook de gemeenschappelijke huisvesting met niet-soortgenoten van gelijke grootte levert gewoonlijk geen problemen op. Buiten de broedtijd wordt weinig gebaad, een uitzondering vormen de ondersoorten surinama en venezuelae, die wel regelmatig een bad nemen.
Huisvesting en
verzorging
Paarsgewijs in metalen buitenvolière met aangebouwd binnenverblijf, waarin het gedurende het koude jaargetijde vorstvrij blijft; minimale volièrematen (lxbxh) 2,5 x 1 x 2 m, binnenhok minimaal (lxbxh) 1,5 x 1 x 2 m. De tijdklok zo instellen dat de vogels minimaal 12 uur licht krijgen. Hoewel verschillende ondersoorten van de Aratinga pertinax in de natuur een holte graven in de wand van een termietennest om er te nestelen, wordt een dikwandig natuurbroedblok gewoonlijk wel geaccepteerd, maar ook een zelf vervaardigde nestkast van dik hardhout, liefst met insluipgang doet het vaak wel; afmetingen 40 à 60 cm hoog, diameter 20 à 25 cm, doorsnede invlieggat 6 à 7 cm. Een halfvergane wilgenboom kan soms uitkomst bieden, hierin kunnen de vogels dan zelf hun nestholte maken. Ook nestkasten ingekapseld in leem of bepleisterd en gebarricadeerd met een mengsel van leem, zand, water en een beetje gips, zodat ze enigszins op een termietennest lijken, blijken in de praktijk goed te voldoen. Als de vogels de nestgelegenheid accepteren om er te slapen, is de kans dat ze er later ook in nestelen aanmerkelijk toegenomen. De nestgelegenheid steeds in het nachtverblijf en wat aan het zicht onttrokken ophangen. Op de bodem van het blok een laag vermolmd hout of houtspaanders of een mengsel van beide aanbrengen.
Regelmatig verse knaagtakken aanbieden, bijv. wilgentakken of takken van onbespoten fruitbomen. Elke dag vers badwater verstrekken, hoewel de meeste ondersoorten er niet vaak gebruik van zullen maken.
Voeding
Als basisvoedsel geven we deze vogels een zaadmengsel voor grote parkieten waarin de volgende zaden voorkomen: tarwe, haver, padie, rode en witte dari, negerzaad, diverse gierstsoorten, witzaad, hennep, saffloorzaad en een klein percentage zonnebloempitten; de grovere zaden ook geweekt of gekiemd aanbieden. Daarnaast een goed eivoer (gerantsoeneerd) verstrekken, eventueel aangevuld met wat universeelvoer waarin gedroogde insecten of mierenpoppen zijn verwerkt, het geheel rul maken met grove gekiemde of gekookte zaden. Verder dagelijks wat fruit in de vorm van een stukje appel of sinaasappel en indien verkrijgbaar mango's. Ook allerhande groenvoer zoals wortel, muur, andijvie, witlof of boerenkool wordt graag gegeten. Verder kan men deze vogels dagelijks nog een stukje halfrijpe kolfmaïs geven, ook allerlei onkruidzaden en halfrijpe aren van haver en tarwe wordt graag genomen. Verder kan men de vogels per dag nog twee tot drie meelwormen per vogel aanbieden, dit laatste om het dierlijke eiwit in het voedsel omhoog te brengen. Als de vogels geen meelwormen kennen, kan het nog wel even duren voordat ze gegeten worden. Aratinga's staan namelijk bekend om hun conservatieve instelling ten aanzien van het voedsel. Het is goed mogelijk dat men iets wekenlang moet aanbieden, voordat er van gegeten wordt.
Vers drinkwater, maagkiezel, grit en een mineralenblok dienen altijd ter beschikking te staan.
In de broedtijd hetzelfde voedsel verstrekken, maar ongelimiteerd eivoer geven, d.w.z. zoveel de vogels willen opnemen. Als er jongen zijn dagelijks wat verse mierenpoppen onder het eivoer bijmengen en de hoeveelheid meelwormen geleidelijk aan opvoeren.
Fok
Met de hier in gevangenschap gehouden pertinax-rassen worden maar incidenteel broedresultaten behaald, een uitzondering geldt voor de maisparkiet waarmee vrij regelmatig wordt gefokt. Dit heeft vooral te maken met de algemene schaarste van deze vogels, want het fokken zelf geeft nauwelijks problemen. Pertinax-parkieten die voor de fok ingezet worden moeten minimaal 2 jaar oud zijn, maar het kan ook veel langer duren alvorens ze aanstalten om te broeden maken. Het verschil tussen man en pop is niet te zien; zekerheid over de aard van het geslacht is enkel te verkrijgen door de vogels te laten seksen.
Het broedseizoen voor deze vogels begint in het voorjaar, de eieren worden om de twee dagen gelegd; legselgrootte 3 à 4 eieren, soms oplopend tot 6 stuks. De pop broedt alleen; broedduur 23 dagen. Als de eerste stoppels doorkomen, moeten de jongen geringd worden; ringmaat 6 mm. Op de leeftijd van zes weken zijn de jonge vogels nagenoeg geheel bevederd; na een nesttijd van ongeveer 7 weken vliegen ze uit. De jongen lijken op de oudervogels, maar zijn nog wat kleiner en matter van kleur, de oogiris is bruin gekleurd. De jongen nemen een week nadat ze uitgevlogen zijn zelfstandig voedsel op, na ca 3 weken zijn ze geheel zelfstandig. Er zijn meldingen van meerdere broedsels per jaar.
Mutaties: geen