Aratinga’s (9)

 

Weddell’s parkiet

Aratinga weddellii (Deville 1851)

 

Verspreidingsgebied: stroomgebied van de Amazonerivier in Zuidoost-Colombia, Oost-Ecuador Oost-Peru Noordwest-Brazilië en Noordoost-Bolivia.

 

Soortbeschrijving

Formaat: 28 cm.

Man en pop: kop en kin zijn grijsachtig bruin elk veertje toont een smal matblauw gekleurd zoompje waardoor het geheel enigszins geschubd aandoet; teugels en het veerveld langs de inplant van de bovensnavel tonen een roze waas.

Algemene lichaamskleur groen; nek, mantel, vleugeldek, stuit en bovenstaartdekveren donkergroen; keel en bovenborst meer olijfgroen geleidelijk overgaand in geelachtig groen op onderborst, buik, flanken, dijen, anaalstreek en onderstaartdekveren.

Eerste handpen nagenoeg zwart met donkerblauwe rand overige handpennen en de armpennen groen met donkerblauwe zomen aan de uiteinden van de buitenvlag. Bovenzijde grote staartveren donkergroen met donkerblauwe uiteinden; onderzijde van de staart donkergrijs. De nagenoeg zwarte ogen hebben een bleekgele iris en zijn omgeven door een onbevederde witachtige en deels van een roze waas voorziene oogring. Snavel zwart aan de snavelbasis een roze snavelriem.

Poten donkergrijs; nagels grijsachtig zwart.

 

Biotoop

Bewoner van voornamelijk het vlakland aan de randen van het regenwoud langs stromen en rivieren, ook moeraslandschappen en ontboste regenwoudgebieden met kreupelhout en resterend boombestand. wordt af en toe ook op koffieplantages aangetroffen.

 

Status wildpopulatie

Veelvuldig voorkomend.

 

Leefwijze

Paarsgewijs of in kleine groepen, bij voldoende voedselaanbod ook wel in zwermen tot 100 stuks. De vogels leiden binnen het verspreidingsgebied een trekkend bestaan. Het voedsel bestaat uit allerhande zaden, bessen, bloesems, vruchten, insecten en hun larven, die ze op hun trektochten in de bomen vinden. De vogels worden ook vaak aangetroffen langs de leemhoudende oevers van rivieren, waar ze de voor hun levensonderhoud benodigde mineralen oppikken.

In de broedtijd zonderen de paren zich af. De broedperiode is van februari tot mei, in het uiterste noordwesten en zuiden van het verspreidingsgebied vanaf juli. Gebroed wordt in op grote hoogte aanwezige holten van afgestorven bomen, vaak wordt gebruik gemaakt van oude spechtennesten. Ook nestelen deze vogels wel in boomtermietennesten, hierin maken ze dan een insluipgang met aan het einde een ovale nestkamer, waarin de eieren gelegd worden.

 

Algemene informatie

De Weddell's parkiet is zeker geen algemeen voorkomende vogel in volièrebestanden, maar met wat moeite is er toch wel aan te komen. In de grotere collecties van aratingaspecialisten zijn ze vrijwel steeds te vinden.

Eerste broedresultaat met deze soort in 1976 in Duitsland

Niet geschikt om solitair in een kooi te houden.

 

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep Lijst II.

 

Gedrag

Sterke vogel die best tegen een stootje kan, ook bestand tegen enkele graden vorst; in het begin angstig en schuw, went slechts langzaam aan verzorger, maar blijft steeds op zijn hoede; niet luidruchtig, laat zich alleen bij vermeend gevaar horen, maar stemgeluid is niet storend voor omgeving; zeer sterke knager. Deze vogels baden graag.

Broedlustig, broeden goed en brengen de jongen gewoonlijk uitstekend groot. In de broedtijd toont de man soms agressief tegenover verzorger, vooral tijdens nestcontroles.

 

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs huisvesten in een kleine metalen buitenvolière van minimaal (lxbxh) 2,5 x 1 x 2 m met aangebouwd nachtverblijf van minimaal (lxbxh) 1 x 1 x 2 m, waarin het tijdens de wintermaanden minimaal vorstvrij blijft en een daglengte van ongeveer 12 uur gewaarborgd is. Het natuurbroedblok of de zelfgemaakte nestkast (hardhout) in het nachtverblijf ophangen; afmetingen ca. 50 cm hoog, binnenwerkse diameter natuurbroedblok 18-20 cm, bodemoppervlakte nestkast ca. 20 x 20 cm; wand- en bodemdikte minimaal 6 cm, doorsnede invlieggat ca. 6 cm.

Op de bodem van het blok brengen we een ca. 5 cm dikke laag houtmolm of houtsnippers aan, geen turfmolm (schimmelvorming!); het blok het gehele jaar door laten hangen omdat de vogels hierin ook de nacht doorbrengen. Controleer de nestgelegenheid regelmatig, aangezien de vogels vaak de nestbodem doorknagen. Bij geschakelde binnenverblijven ondoorzichtige tussenschotten plaatsen, tussen de volières dubbel gaas gebruiken.

Regelmatig verse knaagtakken aanbieden. Dagelijks zorgen voor badgelegenheid.

 

Voeding

Als basis geven we een zaadmengsel bestaande uit tarwe, haver, padi, rode en witte dari, diverse gierstsoorten, hennep, boekweit, saffloer- en zonnebloempitten, evenals maïs, de drie laatstgenoemde best in licht gekiemde toestand aanbieden. Halfrijpe kolfmaïs wordt eveneens graag opgenomen, evenals halfrijpe haver en tarwe in de aar, ook allerhande halfrijpe gras- en onkruidzaden. Verder fruit zoals appel, rozenbottels en lijsterbessen, ook groenvoer in het bijzonder rode wortel en muur, daarnaast ook bladgroenten. Dagelijks eivoer (gerantsoeneerd) aanbieden, eventueel aangevuld met een kleine gift weekvoer voor insecteneters (insectenpaté of universeelvoer); het weekvoer eventueel rul maken met gekiemd zaad of geraspte wortel, maar buiten de broedtijd eten de vogels er gewoonlijk niet of maar weinig van.

Vers drinkwater, maagkiezel, grit en een mineralenblok dienen steeds ter beschikking te staan.

In de broedtijd in principe hetzelfde voedsel verstrekken, maar ongelimiteerd eivoer geven, d.w.z. zoveel de vogels willen opnemen.

 

Fok

Lukt regelmatig en is niet moeilijk. Om zeker te zijn of men over een paar beschikt, moet men de vogels endoscopisch laten seksen, ook is het mogelijk door middel van een DNA-onderzoek het geslacht van de vogels te laten vaststellen. Weddell's parkieten zijn gewoonlijk pas in het tweede levensjaar geslachtsrijp. Als het klikt tussen beide vogels kan men er dan ook broedresultaten van verwachten. Deze vogels hebben in gevangenschap geen vaste broedperiode, nochtans ligt het begin van de broedtijd meestal in het voorjaar. Als de pop zich overdag voor langere tijd in het blok ophoudt, kan men er op rekenen dat de broedperiode is ingegaan. Het legsel bestaat gewoonlijk uit 3 à 4 eieren, in uitzonderingsgevallen oplopend tot 7 stuks. De eieren worden met tussenpozen van drie(!) dagen gelegd, een enkele keer komt het voor dat de tijdspanne tussen het leggen van de eieren nog groter is. De pop broedt alleen; broedduur 23 dagen.

Als de jongen uitkomen zijn ze bedekt met witachtig dons waardoor de roze huid nog goed te zien is. Ook de snavel is roze gekleurd, maar al na enkele dagen zien we de snavelpunt donkerder worden, na tien dagen toont de halve, na ongeveer vijftien dagen  de hele snavel, met uitzondering van de zijkanten van de bovensnavel, zwart. Rond de tiende dag beginnen de ogen zich te openen. Met veertien dagen komen de eerste stoppels door. Dit is tevens het tijdstip om de jongen te ringen; ringmaat 6 mm. Op de leeftijd van drieëneenhalve week zitten de jongen geheel in hun tweede witachtig gekleurde donskleed, drie weken later zijn ze geheel bevederd.

Nog een week later vliegen de jongen uit. De jongen lijken dan op de oudervogels, maar zijn duidelijk matter van kleur, de staartveren zijn nog niet volgroeid, de oogringen smaller en de oogiris toont grijs.

Na het uitvliegen worden de jongen nog ongeveer drie weken door de oudervogels gevoerd, daarna zijn ze geheel zelfstandig. Als de oudervogels aan een volgend legsel beginnen, is het beter de jongen uit te vangen en in een aparte vlucht onder te brengen. Er zijn echter ook broedparen die de jongen met rust laten als ze aan een volgend broedsel zijn begonnen.

Tot drie broedsels per jaar zijn mogelijk.

 

Mutaties: geen

 

Tekst: H.W.J. van der Linden