Aratinga’s (10)

 

Goudkapparkiet

Aratinga auricapilla  (Kuhl 1820)

 

Soortbeschrijving

Formaat: 30 cm.

Man en pop: voorhoofd teugels en het gebied rondom de ogen oranjerood. Aansluitend op de bovenschedel een goudgele kap die op de achterkruin overgaat in de groene lichaamskleur.

Algemene lichaamskleur groen; achterkop nek mantel vleugeldek rug stuit en bovenstaart-dekveren donkergrasgroen; het groen van rug en stuit is hier en daar onderbroken door veertjes (aantal variabel) met een bruinrode zoom; het onderlichaam een nuance lichter groen; oorstreek wangen en bef geelachtig groen bij sommige vogels vrijwel geel geleidelijk overgaand in groen met een blauwachtig tintje op halsstreek en borst; de veertjes van onderborst buik flanken en dijen zijn bruinrood gezoomd. De hoeveelheid bruinrood is variabel en verschilt van vogel tot vogel. Veel vogels zijn overwegend bruinrood met nog wat groen van de veerbasis.

Buitenvlaggen van hand- en armpennen en primaire vleugeldekveren zijn diep korenbloemblauw; ondervleugeldekveren rood. Bovenzijde grote staartpennen olijfgroen aan de uiteinden blauw; onderzijde staart grijszwart.

Snavel grijszwart. Oogiris bruin; het oog is omgeven door een onbevederde grijsachtig witte oogring.

Poten grijs; nagels grijszwart.

 

Ondersoorten

A. au. auricapilla (Kuhl 1820)

Verspreidingsgebied: Noordoost-Brazilië.

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm.

 

A. au. aurifrons  Spix 1824

Goudvoorhoofd goudkapparkiet

Verspreidingsgebied: Zuidoost-Brazilië.

Kenmerken: Formaat 30 cm.

Lijkt op A. au. auricapilla, maar het groen is wat harder en donkerder van tint; oorstreek wangen en bef donkergrasgroen zonder gele aanslag; rug en stuit tonen geen veertjes met bruinrode zoompjes

 

Biotoop

Bossen en bosranden, ook open landschappen en savannen met boomgroei.

 

Status wildpopulatie

Kwetsbaar als gevolg van houtkap en ontginningen, in sommige gebieden zeldzaam of al niet meer aanwezig.

 

Leefwijze

Is vrijwel niets van bekend; vogels leven gewoonlijk paarsgewijs of in kleine groepen van 4 tot 10 vogels.

Voedsel in de wildbaan onbekend.

 

Algemene informatie

In oudere literatuur rekent men de goudkapparkiet (A. auricapilla) en de jendayaparkiet (A. jandaya) tot ondersoorten van de zonparkiet (A. solstitialis). Op grond van nieuwe inzichten beschouwt men de drie verschijningsvormen thans algemeen als afzonderlijke soorten. Men gaat er echter wel vanuit dat de drie soorten zeer nauw met elkaar verwant zijn en tot een soortgroep behoren zoals we die bijvoorbeeld ook bij de agapornissoorten van de 'witte oogring groep' kennen.

 

In handelaarskringen worden A. au. auricapilla en A. au. aurifrons vaak met elkaar verwisseld. Ook komen er in liefhebberskringen bastaardvogels uit de kruising auricapilla x aurifrons of omgekeerd voor. Daarbij komt bovendien dat in het natuurlijke overgangsgebied tussen beide ondersoorten bastaardvogels voorkomen die mogelijk in het verleden ook in Europa beland zijn. Bij aanschaf goed letten op raskenmerken!

 

De A. au. auricapilla komt men vrijwel alleen in liefhebberskringen van aratingasoorten tegen; A. au. aurifrons komt men slechts incidenteel in gevangenschap tegen.

Eerste broedresultaat met A. au. auricapilla in 1930, USA; met A. au. aurifrons in 1983 Duitsland.

Kan solitair binnenshuis worden gehouden.

 

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep Lijst II.

 

Gedrag

Sterke vogel, gemakkelijk te verzorgen, maar kan wat minder goed tegen koude. Levendig en elegant; luidruchtig; sterke knager. Behoort tot de minder agressieve aratingasoorten, kan zelfs in de broedtijd in een ruim bemeten volière met soortgenoten samengehouden worden. Gevoelig voor verandering van volière, maar ook aan hun verblijf, zoals het verhangen of wegnemen van het broedblok, ze raken dan snel van streek. Vogels slapen in nestkast; baden graag en uitbundig.

 

Huisvesting en verzorging

Hoewel het mogelijk is gebleken deze vogels in groepsverband te houden en er mee te fokken, hecht ik - om risico's zoveel mogelijk uit te sluiten - meer aan het paarsgewijs houden van deze vogels. Indien men voor huisvesting in groepsverband kiest, dan tenminste drie koppels bij elkaar plaatsen en minimaal 4 m² bodemoppervlakte per paar aanhouden. Zoals gezegd, bij voorkeur paarsgewijs houden in een metalen buitenvolière van (lxbxh) 3 x 1 x 2 m met aangebouwd nachtverblijf van minimaal 1,5 x 1 x 2 m, waarin tijdens de wintermaanden een temperatuur van ca 5° C heerst en een daglengte van ongeveer 12 uur gewaarborgd is. In het nachtverblijf liefst twee natuurbroed-blokken ophangen die tevens als slaapplaats dienen; afmetingen 60 - 70 cm hoog, diameter ca 30 cm, wanddikte minimaal 3 cm, doorsnede invlieggat 7 cm. Op de bodem van de blokken een laag houtmolm of houtsnippers aanbrengen, geen turfmolm (schimmelvorming!). Bij deze vogels is twee blokken raadzaam, omdat van goudkapparkieten bekend is dat ze soms in het ene blok slapen, in het andere broeden. Laat beide blokken het gehele jaar door hangen. Bij geschakelde binnenverblijven ondoorzichtige tussenschotten plaatsen, tussen de volières dubbel gaas gebruiken.

Regelmatig verse knaagtakken aanbieden. Dagelijks zorgen voor een platte schaal met water waarin de vogels zich kunnen baden.

Voeding

Als basis geven we een zaadmengsel waarin de volgende zaden voorkomen: tarwe, haver, padi, rode en witte dari, diverse gierstsoorten, hennep boekweit, saffloer- en zonnebloempitten, evenals maïs, de drie laatstgenoemde best in licht gekiemde toestand aanbieden. Halfrijpe kolfmaïs wordt graag opgenomen, evenals halfrijpe haver en tarwe in de aar, ook allerhande halfrijpe gras- en onkruidzaden. Verder fruit zoals appel en peer daarnaast sinaasappel, banaan en kiwi; van de groentensoorten in het bijzonder rode wortel, komkommer en tomaat. Ook een müslimengeling bestaande uit haver-, tarwe-, rogge-, en maïs-flokken, gepelde zonnebloempitten, grof gemalen noten, rozijnen, stukjes gedroogde banaan, abrikoos, appel, peer en pruim vormen een welkome afwisseling.

Dagelijks eivoer (gerantsoeneerd) verstrekken, eventueel aangevuld met een kleine gift weekvoer voor insecteneters (insectenpaté of uni-verseelvoer).

Vers drinkwater, maagkiezel, grit en een mineralenblok dienen altijd ter beschikking te staan.

In de broedtijd in principe hetzelfde voedsel verstrekken, maar ongelimiteerd eivoer geven, d.w.z. zoveel de vogels willen opnemen. Als er jongen zijn wat verse mierenpoppen onder het eivoer bijmengen.

 

Fok

Broedresultaten worden regelmatig behaald, maar in bescheiden mate. Zekerheid over het hebben van een koppel krijgt men enkel als men de vogels endoscopisch laat onderzoeken of een DNA-onderzoek laat doen. Deze vogels komen pas in het derde levensjaar voor het eerst in broedstemming, maar soms moet men nog een jaar langer wachten. Voor wat betreft het broedblok, verwijs ik naar de rubriek 'huisvesting en verzorging'. Gewoonlijk begint de pop rond half mei, begin juni met de leg; het legsel bestaat gewoonlijk uit 2-4 eieren, die om de andere dag, maar ook wel met tussenpozen van twee dagen en soms zelfs met een tussenpoos van drie dagen worden gelegd. De pop broedt alleen, maar soms slaapt de man ‘s nachts bij de pop in het blok. Als de pop echter een ander broedblok dan het slaapblok voor het broeden en grootbrengen van de jongen gekozen heeft, zal de man tijdens het broeden van de pop meestal het oude slaapblok blijven gebruiken.

 

De broedduur is 23 dagen. Als de jongen uitkomen hebben ze een roze getinte snavel, vleeskleurige poten en is het lichaampje overdekt met een vrij lange, vrijwel witte donsbevedering. Na ruim twee weken zijn poten en snavel duidelijk donkerder geworden en is het witachtige dons in een dichte, grijze donslaag veranderd. Kort daarop komen de eerste veerstoppels door. Dit is ook de tijd om te ringen, ringmaat 6 mm. Als de jongen zeveneneenhalf tot acht weken oud zijn, verlaten ze het nest, maar worden nog geruime tijd door de oudervogels bijgevoerd. Meerdere broedsels per jaar zijn mogelijk.

 

Mutaties

Ruim 25 jaar geleden schijnen er in Brazilië lutino's te zijn geweest. Waarschijnlijk is men er niet in geslaagd deze mutatievorm vast te leggen, want ik heb er later nooit meer iets over gehoord.