Aratinga’s (11)

 

Jendaya-parkiet

Aratinga jandaya (Gmelin 1788)

 

Verspreidingsgebied: Noordoost-Brazilië.

 

Soortbeschrijving

Formaat: 30 cm.

Man en pop: voorhoofd omgeving van de ogen en wangstreek oranjekleurig. Boven en achterschedel, nek en halszijden maïsgeel. Mantel, vleugeldek en bovenstaartdekveren donkergrasgroen, het groen van mantel en vleugeldek veelal onderbroken door een verspreid voorkomend geel veertje. Stuitbevedering donkergrasgroen voor een deel oranjerood gezoomd. Bef oranjegeel geleidelijk overgaand in oranjerood op borst buik en flanken. Dijen, anaalstreek en onderstaartdekveren grasgroen het groen hier en daar onderbroken door oranjerode en oranjegele veerzoompjes. Hand- en armpennen evenals de primaire vleugeldek-veren donkergrasgroen met violetblauwe buitenvlag. Bovenzijde grote staartveren olijfgroen naar de uiteinden toe overgaand in diep blauw; onderzijde van de staart grijszwart. Donkere ogen met bruine iris omgeven door een naakte grauwbruine oogring. Snavel grijsachtig zwart. Poten grijs; nagels grijsachtig zwart.

 

Biotoop

Tropisch savannegebied met boombestand, randgebieden van het regenwoud. De soort wordt ook in toenemende mate gesignaleerd in ontboste gebieden met resterend boombestand van het eertijds vrijwel ondoordringbare regenwoud alsook op kokosnootplantages. Dorre gebieden worden gemeden.

 

Status wildpopulatie

Veelvuldig voorkomend.

 

Leefwijze

Solitair, paarsgewijs of in kleine groepen van 10 tot 20 vogels, na de broedtijd ook in grotere aantallen.

Het voedsel bestaat uit allerlei zaden, boomvruchten, bessen, noten en waarschijnlijk ook bladknoppen. In de broedtijd, van oktober tot januari, zonderen de paren zich af.

Broeden in boomholten van afgestorven bomen.

 

Algemene informatie

Vrij algemeen in avicultuur. Het bestand is in ieder geval voldoende groot om de jendaya-parkiet buiten de wildbaan in stand te houden.

Eerste broedresultaat met deze soort in 1890 in Engeland.

In oudere literatuur rekent men de jendaya-parkiet (A. jandaya) en ook de goudkapparkiet (A. auricapilla) tot ondersoorten van de zonparkiet (A. solstitialis). Op grond van nieuwe inzichten beschouwt men de drie verschijningsvormen thans algemeen als afzonderlijke soorten. Men gaat er echter wel vanuit dat de drie soorten zeer nauw met elkaar verwant zijn en tot een soortgroep behoren zoals we die bijvoorbeeld ook bij de agapornissoorten van de 'witte oogring groep' kennen.

 

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep Lijst II.

 

Gedrag

Sterke vogel, die gemakkelijk te houden is; levendig en nieuwsgierig van aard; erg knaag-lustig en buitengewoon luidruchtig. Mijden de zon tijdens de warme middaguren. Als men veel contact met de vogels heeft, wennen ze snel aan verzorger, met als gevolg dat daardoor ook het onaangename gekrijs wat afneemt, omdat ze de verzorger niet langer als een gevarenbron zien; vanwege overlast niet geschikt om in een dichtbebouwde woonwijk te houden; hun gekrijs is tot wel tot op 200 m te horen!

 

Huisvesting en verzorging

Bij voorkeur het gehele jaar paarsgewijs houden in een metalen buitenvolière op een enigszins beschaduwde plaats van (lxbxh) 3 x 1 x 2 m met aangebouwd nachtverblijf van minimaal 1,5 x 1 x 2 m, waarin het tijdens de wintermaanden minimaal vorstvrij blijft en een daglengte van ongeveer 12 uur gewaarborgd is. Buiten de broedtijd kan men deze vogels ook met meerdere koppels samen houden, in dat geval minimaal 2 vierkante m bodemoppervlakte per paar aanhouden. In zeer grote volières lukt het ook met meerdere paren samen te broeden, maar als regel heeft het koppelsgewijs onderbrengen van deze vogels de voorkeur. In het nachtverblijf het natuurbroed-blok ophangen; afmetingen 60 cm hoog, bin-nenwerkse diameter 22 - 25 cm, wanddikte minimaal 6 cm, doorsnede invlieggat ca. 7 cm. De praktijk heeft aangetoond dat deze vogels ook wel zelfgemaakte nestkasten van overeenkomende afmetingen accepteren; houd echter wel rekening met de knaaglust van deze soort en maak de opstaande wanden voldoende dik. Aangezien ze ook weer niet elke nestkast aanvaarden, is het raadzaam verschillende nestkasten en blokken op te hangen, zodat de vogels zelf een keuze kunnen maken. Op de bodem van het blok een laagje houtmolm of houtsnippers aanbrengen, geen turfmolm (schimmelvorming!); het blok het gehele jaar door laten hangen omdat de vogels hierin ook de nacht doorbrengen. Bij geschakelde binnenverblijven ondoorzichtige tussenschotten plaatsen, tussen de volières dubbel gaas gebruiken.

Regelmatig verse knaagtakken aanbieden. Elke dag zorgen voor een platte schaal met fris water waarin de vogels zich kunnen baden.

 

Voeding

Als basis geven we een zaadmengsel waarin de volgende zaden voorkomen: tarwe, haver, padi, rode en witte dari, diverse gierstsoorten, hennep boekweit, saffloer- en zonnebloempitten, evenals maïs, de drie laatstgenoemde best in licht gekiemde toestand aanbieden. Halfrijpe kolfmaïs wordt graag opgenomen, evenals halfrijpe haver en tarwe in de aar, ook allerhande halfrijpe gras- en onkruidzaden. Verder fruit zoals appel en peer daarnaast sinaasappel, banaan en kiwi; van de groentesoorten in het bijzonder rode wortel, komkommer en tomaat. Dagelijks eivoer (gerantsoeneerd) verstrekken, eventueel aangevuld met een kleine gift weekvoer voor insecteneters (insectenpaté of universeelvoer).

Dagelijks zorgen voor vers drinkwater, maagkiezel, grit en een mineralen blok moeten altijd ter beschikking staan.

In de broedtijd in principe hetzelfde voedsel verstrekken, maar ongelimiteerd eivoer geven, d.w.z. zoveel de vogels willen opnemen. Als er jongen zijn wat verse mierenpoppen onder het eivoer bijmengen.

 

Fok

Lukt regelmatig en is niet moeilijk. Zekerheid over man en pop krijgt men enkel als men de vogels endoscopisch laat onderzoeken of een DNA-onderzoek laat doen. Deze vogels komen pas in het tweede levensjaar voor het eerst in broedstemming, maar soms moet men langer wachten. Gewoonlijk begint de pop rond half mei, begin juni met de leg; het legsel bestaat gewoonlijk uit 3 - 5 eieren, die met tussenpozen van twee dagen en soms zelfs met een tussenpoos van drie dagen worden gelegd.

De pop broedt alleen, maar soms slaapt de man ‘s nachts bij de pop in het blok. Wanneer de pop echter een ander broedblok dan het slaapblok voor het broeden en grootbrengen van de jongen gekozen heeft, zal de man tijdens het broeden van de pop meestal het oude slaapblok blijven gebruiken.

 

De broedduur is 23 dagen. Als de jongen uitkomen hebben ze een roze getinte snavel, vleeskleurige poten en is het lichaampje overdekt met een vrij lange, vrijwel witte donsbevedering. Na ruim twee weken zijn poten en snavel duidelijk donkerder geworden en is het witachtige dons in een dichte, grijsgeelachtige donslaag veranderd. Kort daarop komen de eerste veerstoppels door. Rond de zeventiende dag openen de jongen de ogen. Dit is ook de tijd om te ringen, ringmaat 6 mm. Als de jongen zeveneneenhalf tot acht weken oud zijn, verlaten ze het nest, maar worden nog geruime tijd door de oudervogels bijgevoerd. De jongen kunnen gedurende langere tijd bij de ouders blijven.

Meerdere broedsels per jaar zijn mogelijk.

 

Mutaties: geen

 

Tekst: H.W.J. van der Linden