Aratinga’s (12)

 

Zonparkiet

Aratinga solstitialis (Linnaeus 1758)

 

Verspreidingsgebied: Noordoost-Brazilië, Guyana, Suriname, Frans-Guyana en in het uiterste zuidoosten van Venezuela

 

Soortbeschrijving

Formaat: 30 cm.

Man en pop: voorhoofd, omgeving van de ogen, teugels en oorstreek zijn diep oranjekleurig; de wangen maïsgeel met oranje waas; boven en achterschedel en de nek maïsgeel. Mantel en vleugeldek maïsgeel hier en daar onderbroken door verspreid voorkomende groene veerdeeltjes. Stuit en bovenstaartdekveren tonen een mengeling van geel en oranje (maïsgele veertjes met oranje zoompjes). Bef en borst maïsgeel met oranje waas geleidelijk overgaand in diep oranje op buik, flanken en dijen.

Onderstaartdekveren groen met gele veerzoompjes. Primaire vleugeldekveren diepblauw; secundaire vleugeldekveren donkergrasgroen aan de toppen geel gezoomd.

Hand- en armpennen donkergrasgroen, de handpennen aan de uiteinden overgaand in diepblauw. Bovenzijde grote staartveren olijfgroen naar de uiteinden toe overgaand in diepblauw; onderzijde grote staartveren olijfachtig grijs. Ogen zwart met donkerbruine iris omgeven door een naakte witachtige oogring. Snavel zwartachtig grijs; poten grijs, nagels grijszwart.

 

Biotoop

Droge tot halfdroge savannen met kreupelhout, cactussen en boombestand; open loofbossen en gebieden met palmaanplantingen, evenals bosranden en randgebieden van bossen tot hoogten van ongeveer 1200 m, ook landbouwgebieden behoren tot hun favoriete oponthoudplaatsen.

 

Status wildpopulatie

Het bestand blijft stabiel.

 

Leefwijze

In groepjes van vier tot twintig stuks, in voedselbomen en op akkervelden worden soms grotere zwermen waargenomen. Het voedsel bestaat uit zaden, vruchten, vooral cactusvruchten, noten, bloesems en bessen. Tegen de oogsttijd plunderen ze de rijpende gewassen, vooral maïsvelden moeten het ontgelden. In de broedtijd, zo tussen december en maart, zonderen de paren zich af.

Gebroed wordt in holten van palmbomen en afgestorven bomen.

 

Algemene informatie

In oudere literatuur heeft men vaak de goudkapparkiet (A. auricapilla) en de jendayaparkiet (A. jandaya) als ondersoorten van de zonparkiet (A. solstitialis) opgevoerd. Op grond van nieuwe inzichten beschouwt men de drie verschijningsvormen thans algemeen als afzonderlijke soorten. Men gaat er echter wel vanuit dat de drie soorten zeer nauw met elkaar verwant zijn en tot een soortgroep behoren zoals we die bijvoorbeeld ook bij de agapornissoorten van de 'witte oogring groep' kennen.

De zonparkiet wordt door de speciaalfokker van aratingasoorten vrij algemeen gehouden, bij de meer algemene parkietenhouder slechts hier en daar voorkomend.

De zonparkiet is ook geschikt om als kooivogel binnenshuis te worden gehouden en hecht zich dan meestal spoedig aan zijn verzorger, kan zeer tam worden, moet dan wel veel aandacht krijgen en bezig gehouden worden.

Het eerste broedresultaat met deze soort dateert van 1883, Frankrijk

 

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep Lijst II.

 

Gedrag

Sterke vogels, gemakkelijk te houden; speels, levendig en nieuwsgierig van aard; niet schuw, wennen spoedig aan verzorger; stemgeluid vrij luid, vooral 's morgens en 's avonds en bij vermeend gevaar, kan storend zijn voor omgeving; sterke behoefte om te knagen; baden graag; broedwillig; buiten de broedtijd vreedzaam tegenover soortgenoten en andere aratingasoorten.

 

Huisvesting en verzorging

Bij voorkeur het gehele jaar paarsgewijs houden in een metalen buitenvolière (lxbxh) 3 x 1 x 2 m met aangebouwd nachtverblijf van minimaal (lxbxh) 1,5 x 1 x 2 m, waarin het tijdens de wintermaanden minimaal vorstvrij blijft en een daglengte van ongeveer 12 uur gewaarborgd is. Buiten de broedtijd kan men deze vogels ook met meerdere koppels samen houden, in dat geval minimaal 2 m² bodemoppervlakte per paar aanhouden. Het natuurbroedblok in het nachtverblijf ophangen; afmetingen 50 à 60 cm hoog, binnenwerkse diameter 18 à 20 cm, wanddikte minimaal 6 cm, doorsnede invlieggat ca. 7 cm. In de praktijk blijkt dat deze vogels ook wel zelfgemaakte nestkasten van overeenkomende afmetingen accepteren, ook een horizontaal uitgevoerde nestkast wordt meestal wel geaccepteerd; houd echter wel rekening met de knaaglust van deze soort en maak de opstaande wanden voldoende dik en liefst van hardhout. Op de bodem van het blok brengen we een laagje houtmolm of houtsnippers aan, geen turfmolm (schimmelvorming!); het blok het gehele jaar door laten hangen omdat de vogels hierin ook de nacht doorbrengen. Bij geschakelde binnenverblijven ondoorzichtige tussenschotten plaatsen, tussen de volières dubbel gaas gebruiken.

Regelmatig verse knaagtakken aanbieden. Elke dag zorgen voor een platte schaal met fris water waarin de vogels zich kunnen baden.

 

Voeding

Als basis geven we een zaadmengsel waarin de volgende zaden voorkomen: tarwe, haver, padi, rode en witte dari, diverse gierstsoorten, hennep, boekweit, saffloer- en zonnebloempitten, evenals maïs, de drie laatstgenoemde best in licht gekiemde toestand aanbieden. Halfrijpe kolfmaïs wordt graag opgenomen, evenals halfrijpe haver en tarwe in de aar, ook allerhande halfrijpe gras- en onkruidzaden. Verder fruit zoals appel en peer daarnaast sinaasappel, mandarijn, banaan, mango en kiwi, ook lijsterbes en rozenbottels worden gegeten; van de groentesoorten in het bijzonder rode wortel, komkommer, bladgroenten, muur, paardebloem en tomaat. Dagelijks eivoer (gerantsoeneerd) verstrekken, eventueel aangevuld met een kleine gift weekvoer voor insecteneters (insectenpaté of universeelvoer); het weekvoer eventueel rul maken met gekiemd zaad of geraspte wortel. Aangezien deze vogels van nature niet veel op de grond komen verdient het aanbeveling het voedsel op een verhoging (voedertafel) aan te bieden.

Vers drinkwater, maagkiezel, grit en een mineralenblok dienen altijd ter beschikking te staan.

In de broedtijd in principe hetzelfde voedsel verstrekken, maar ongelimiteerd eivoer geven, d.w.z. zoveel de vogels willen opnemen. Als er jongen zijn wat verse mierenpoppen onder het eivoer bijmengen. Ook in melk geweekt oud brood wordt meestal goed opgenomen.

 

Fok

Lukt regelmatig en is niet moeilijk als men over een goed harmoniërend broedpaar beschikt. Zekerheid over man en pop krijgt men enkel als men de vogels endoscopisch laat onderzoeken of een DNA-onderzoek laat doen. Deze vogels komen pas in het tweede levensjaar voor het eerst in broedstemming, maar soms moet men langer wachten. Gewoonlijk beginnen de vogels in het vroege voorjaar in broedstemming te komen en vanaf maart kunnen dan de eieren verwacht worden, maar onder voor hen gunstige omstandigheden (verwarmde binnen-volière, verlichting enz.) kunnen zonparkieten het gehele jaar in broedstemming geraken. Het legsel bestaat gewoonlijk uit 2 - 5 eieren, soms oplopend tot 6 stuks, die met tussenpozen van twee dagen worden gelegd. De pop broedt alleen, maar gedurende de nachtelijke uren slaapt de man gewoonlijk bij de pop in het blok.

 

De broedduur is 23 dagen. Als de jongen uitkomen hebben ze een roze getinte snavel, vleeskleurige poten en is het lichaampje spaarzaam overdekt met een vrij lang witachtig dons. Na ruim twee weken zijn poten en snavel duidelijk donkerder geworden en is het dons in een dichte, grijsachtig witte donslaag veranderd. Kort daarop komen de eerste veerstoppels door. Rond de zeventiende dag openen de jongen de ogen. Dit is ook de tijd om te ringen, ringmaat 6 mm. Als de jongen zeveneneenhalf tot acht weken oud zijn, verlaten ze het nest, maar worden nog geruime tijd door de oudervogels bijgevoerd. De rug en vleugeldekveren zijn dan nog overwegend groen van kleur, het onderlichaam geel. De jongen kunnen gedurende langere tijd bij de ouders blijven, maar als de oudervogels aanstalten maken voor een volgend legsel, is het beter de jongen uit te vangen en in een aparte vlucht onder te brengen. Na de jeugdrui veranderen de groene veren op rug- en vleugeldek in geel, terwijl het onderlichaam kleurt in goudachtig geel tot oranjekleurig. Meerdere broedsels per jaar zijn mogelijk.

 

Mutaties

Vanuit Australië worden gele mutanten gemeld. Alleen aan de staartveren is nog wat groen zichtbaar. Naar verluid gaat het om een autosomaal verervende, recessieve bontvorm.

 

Tekst: H.W.J. van der Linden