Aratinga’s (14)

 

Groenvleugelparkiet

Aratinga chloroptera (Souancé 1856)

Ook: Haïti parkiet, Hispaniola parkiet

 

Soortbeschrijving

Formaat: 32 cm.

Man en pop: algemene lichaamskleur groen; kop, nek, zijden van de hals, mantel, vleugeldek, rug, stuit en bovenstaartdekveren donkergrasgroen, de groene kopkleur soms onderbroken door enkele rode veertjes; bef, borst, buik, flanken, dijen, anaalstreek en onderstaartdekveren grasgroen. Vleugelpennen donkergrasgroen de spitse vleugeltippen donkergrijs gezoomd. Vleugelboeg/vleugelrand helderrood; kleine ondervleugeldekveren rood, de grotere overwegend groen met hier en daar een rood veertje. Bovenzijde grote staartpennen donkergrasgroen; onderzijde vuil olijfgeel. De ogen zijn nagenoeg zwart met gele iris; naakte oogring roomkleurig wit. Snavel hoornkleurig. Poten bruinachtig vleeskleurig; nagels donkergrijs.

 

Ondersoorten

A. c. chloroptera (Souancé 1856)

Verspreidingsgebied: eiland Hispaniola

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm.

 

A. c. maugei  (Souanc 1856)

Mona parkiet

Verspreidingsgebied: tot 1892 op eiland Mona, mogelijk in het verleden ook op Puerto-Rico.

Deze ondersoort is thans uitgestorven.

 

Biotoop

Berggebieden met boombestand, ook naaldbossen en bosranden in lager gelegen streken.

 

Status wildpopulatie

Aantal vogels loopt drastisch terug.

 

Leefwijze

Paarsgewijs of in familieverband en in kleine groepen tot tien vogels. In de broedtijd zonderen de paren zich af. Ze broeden in boomholten op grote hoogten, nestelen soms ook in verlaten nesten van boomtermieten. Het voedsel bestaat uit allerlei vruchten, bessen, zaden, bloesems en bladknoppen, die de vogels in de bomen vergaren. Ze bezoeken ook akkergebieden, vooral maïsvelden en worden om die reden fel bejaagd.

 

Algemene informatie

Zeldzaam in dierentuinen en vogelparken, nog zeldzamer in privé-collecties.

De groenvleugelparkiet wordt vaak verwisseld met de pavua- of witoogparkiet (Aratinga leucopthalma) en de Cuba parkiet (Aratinga euops). De soorten zijn echter goed uit elkaar te houden als men even onder de vleugels kijkt. Bij de groenvleugelparkiet zijn de buitenste kleine ondervleugeldekveren rood, de grotere ondervleugeldekveren zijn overwegend groen met enkele rode veertjes; bij de pavuaparkiet zijn de kleine ondervleugeldekveertjes eveneens rood, de grote zijn geel; bij de Cuba parkiet tenslotte zijn de kleine vleugeldekveertjes rood, de grotere olijfgeel, bovendien is de Cuba parkiet beduidend kleiner dan de beide andere.

Eerste broedresultaat met deze soort in 1936, USA

 

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep Lijst II.

 

Gedrag

Na gewenning sterke vogel, maar gevoelig voor vorst (o. a. teenbevriezingen). Levendig en nieuwsgierig van aard; tamelijk luidruchtig, soms storend voor omgeving; knaaglustig; tijdens de broedperiode agressief tegenover andere vogels, buiten de broedtijd goed samen te houden met soortgenoten en andere aratinga-soorten; broedlustig; slapen in nestkast; baden graag.

 

Huisvesting en verzorging

Bij voorkeur paarsgewijs in metalen buitenvolière van (lxbxh) 3 x 1 x 2 m met aangebouwd nachtverblijf van minimaal (lxbxh) 1,5 x 1 x 2 m, waarin het tijdens de wintermaanden tenminste vorstvrij blijft en een daglengte van ongeveer 12 uur gewaarborgd is. In het nachtverblijf het natuurbroedblok ophangen dat tevens als slaapplaats dient; afmetingen 60 cm hoog, binnenwerkse diameter 22 cm, wanddikte minimaal 3 cm, of zelfgemaakte nestkast van dezelfde afmetingen en met vergelijkbare bodemoppervlakte; doorsnede invlieggat ca. 7 cm. Op de bodem van het blok een laag houtmolm of houtsnippers aanbrengen, geen turfmolm (schimmelvorming!); het blok het gehele jaar door op dezelfde plaats laten hangen. Bij geschakelde binnenverblijven ondoorzichtige tussenschotten plaatsen, tussen de volières dubbel gaas gebruiken met een minimale tussenruimte van 3 cm.

Elke week verse knaagtakken aanbieden. Dagelijks zorgen voor een platte schaal met water waarin de vogels zich kunnen baden.

 

Voeding

Als basis geven we een gevarieerd zaadmengsel met daarin haver, tarwe, boekweit, hennep, witzaad, diverse gierstsoorten en saffloerzaad, maar niet teveel zonnebloempitten, de grotere zaden ook gekiemd aanbieden. Elke dag eivoer (gerantsoeneerd) verstrekken, aangevuld met een kleine gift weekvoer voor insecteneters waaraan gedroogde insecten zijn toegevoegd, het geheel rul maken met grove gekiemde of gekookte zaden. Verder dagelijks wat fruit in de vorm van een stukje appel of sinaasappel, ook lijsterbessen. Tevens allerhande groenvoer zoals wortel, muur, andijvie. Verder kan men deze vogels dagelijks nog een halve kolf halfrijpe maïs geven, ook allerlei onkruidzaden en halfrijpe aren van haver en tarwe wordt graag gegeten. Vers drinkwater, maagkiezel, grit en een mineralenblok dienen altijd ter beschikking te staan.

In de broedtijd in principe hetzelfde voedsel verstrekken, maar ongelimiteerd eivoer geven, d.w.z. zoveel de vogels willen opnemen. Ook gekookte rijst wordt graag gegeten. Als er jongen zijn dagelijks wat verse mierenpoppen onder het eivoer mengen.

 

Fok

Slechts weinigen hebben met deze soort succesvol gebroed, op de eerste plaats omdat er maar weinig exemplaren van zijn. Hoewel er meldingen zijn van groenvleugelparkieten die al na een jaar geslachtsrijp bleken te zijn, ben ik van mening dat het voor de vogels beter is te wachten met de fok tot ze twee jaar oud zijn. Er is geen enkel geslachtsonderscheid, zodat we om het geslacht vast te stellen de vogels moeten laten seksen. Vanaf april beginnen de vogels in broedstemming te komen. Het legsel bestaat gewoonlijk uit 3 - 4 eieren, soms enkele meer, die met tussenpozen van twee dagen worden gelegd. De pop broedt alleen; broedduur 23 dagen. Wanneer de jongen ongeveer 14 dagen oud zijn moeten ze geringd worden; ringmaat 6 mm.

De nesttijd is ca 8 weken. Bij het verlaten van het nest zien de jongen er vrijwel eender uit als de oudervogels, maar tonen aan de snijranden van de bovensnavel een weinig grijs; de oogiris is bruin en het rood van de kleine ondervleugeldekveren is doorspekt met groene veertjes. Vier weken na het uitvliegen zijn de jongen geheel zelfstandig.

Voor zover bekend is er slechts een broedsel per jaar.

 

Mutaties: geen

 

Tekst: H.W.J. van der Linden