Aratinga’s (15)
Guayaquilparkiet
Aratinga erythrogenys (Lesson 1844)
Verspreidingsgebied: West-Ecuador, Noord-west-Peru
Soortbeschrijving
Formaat: 33 cm.
Man en pop: voorhoofd, de gehele bovenschedel tot aan de groene kleurscheiding op de achterkop, teugels, omgeving van de ogen, oorstreek en het bovenste gedeelte van de wangen helderrood.
Algemene lichaamskleur groen; achterkop, nek, hals, mantel, vleugeldek, rug, stuit en bovenstaartdekveren donkergrasgroen, het groen van de hals veelal onderbroken door verspreid voorkomende helderrode veertjes; bef, borst, buik, flanken, bovenste gedeelte van de dijen, anaalstreek en onderstaartdekveren grasgroen; onderkant dijen helderrood. Vleugelpennen donkergrasgroen, de spitse vleugeltippen zijn donkergrijs gezoomd. Vleugelbocht, vleugelrand en aansluitende kleine ondervleugeldek-veertjes helderrood. Bovenzijde grote staartveren donkergrasgroen; onderzijde grauwgeel. Ogen donker met geelachtig bruine iris. Naakte oogring roomkleurig. Snavel hoornkleurig. Poten grijs; nagels donkergrijs.
Biotoop
Verschillende leefgebieden variërend van loofbossen tot droge savannen met spaarzame struikbegroeiing en open tot halfopen gebieden met boombestand tot hoogten van ca 500 m, ook aan de randen van het regenwoud worden deze vogels wel eens gesignaleerd, evenals in de omgeving van woongebieden.
Status wildpopulatie
Veelvuldig voorkomend, bestand loopt hier en daar plaatselijk terug.
Leefwijze
Meestal in kleine groepen tot 10 vogels, zelden paarsgewijs, echter in de broedtijd zonderen de paren zich af. De vogels leiden enigszins een trekkend bestaan. Over hun broedgedrag is niets bekend. Ze voeden zich met bessen en vermoedelijk ook met zaden en andere vruchten.
Algemene informatie
Deze parkiet komt men vrijwel alleen tegen in kringen van aratingaliefhebbers, niet zeldzaam. Met wat moeite is er wel aan te komen. Af en toe worden er ook broedresultaten gemeld.
Eerste broedresultaat met deze soort in 1925, Engeland
Deze soort kan ook solitair in een ruime kooi worden gehouden, wordt spoedig tam en leert zelfs woorden nazeggen.
Wet budep
Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep Lijst II.
Gedrag
Na gewenning sterke volièrevogel, kan enkele graden vorst verdragen, maar erg gevoelig voor teenbevriezingen.
Vrij schuw en enigszins gereserveerd van aard, wel nieuwsgierig en speels, dit laatste vooral als ze zich onbespied voelen; in gevangenschap geboren vogels leggen spoedig hun schuwheid af en worden vertrouwelijk tegenover hun verzorger, heeft van alle aratingasoorten de meeste aanleg tot nabootsing van de menselijke stem; matig knaaglustig; hard en schril stemgeluid, in de vroege ochtenduren kan dit storend zijn; slapen in nestkast; baden graag. In de broedtijd agressief tegenover andere vogels.
Huisvesting en
verzorging
Bij voorkeur het gehele jaar paarsgewijs huisvesten in een metalen buitenvolière van (lxbxh) 3 x 1 x 2 m met aangebouwd nachtverblijf van minimaal 1,5 x 1 x 2 m, waarin het tijdens de wintermaanden tenminste vorstvrij blijft en een daglengte van ongeveer 12 uur gewaarborgd is. In het nachtverblijf het natuurbroedblok ophangen dat tevens als slaapplaats dient; afmetingen 60 cm hoog, binnenwerkse diameter ca 25 cm, wanddikte minimaal 3 cm, doorsnede invlieggat ca. 7 cm. Op de bodem van het blok een laag houtmolm of houtsnippers aanbrengen, geen turfmolm (schimmelvorming!); het blok het gehele jaar door laten hangen. Bij geschakelde binnenverblijven ondoorzichtige tussenschotten plaatsen, tussen de volières dubbel gaas gebruiken.
Regelmatig verse knaagtakken aanbieden. Elke dag zorgen voor een platte schaal met water waarin de vogels zich kunnen baden.
Voeding
Als basis kan men een zaadmengsel voor grote parkieten geven waarin de volgende zaden voorkomen: tarwe, gerst, haver, padie, rode en witte dari, negerzaad, diverse gierstsoorten, witzaad, hennep, saffloor- en zonnebloempitten, deze laatste 10-15%; de grovere zaden ook geweekt of gekiemd aanbieden. Halfrijpe kolfmaïs wordt graag opgenomen, evenals halfrijpe haver en tarwe in de aar, ook allerhande halfrijpe gras- en onkruidzaden. Verder fruit zoals appel, rozenbottels, daarnaast bessen van vuurdoorn en lijsterbes; van de groentesoorten vooral rode wortel, komkommer en bladgroente. Ook gekookte rijst met rozijnen ter afwisseling lusten ze graag. Deze vogels drinken graag vruchtensap evenals water met wat honing erin, wat men - indien dat gegeven wordt - het best in een drinkflesje kan aanbieden. Dagelijks eivoer (gerantsoeneerd) verstrekken, eventueel aangevuld met een kleine gift weekvoer voor insecteneters (insectenpaté of universeelvoer).
Dagelijkse zorgen voor vers drinkwater, maagkiezel, grit en een mineralenblok dienen steeds ter beschikking te staan.
In de broedtijd in principe hetzelfde voedsel verstrekken, maar ongelimiteerd eivoer geven, d.w.z. zoveel de vogels willen opnemen, ook in melk geweekt oud brood wordt in deze periode graag opgenomen.
Fok
Het moeilijkste is het samenstellen van een harmoniërend broedpaar. Geslachtsonderscheid is er niet, dus zijn we aangewezen op het endoscopisch onderzoek of DNA-onderzoek om de aard van het geslacht te achterhalen. Voorts moeten de vogels twee jaar oud zijn alvorens ze voor de fok in te zetten.
Guayaquilparkieten komen pas laat in het jaar in broedstemming, gewoonlijk pas in mei, soms nog wel later. Het dikwijls overdag binnengaan van het broedblok, kondigt de op handen zijnde gebeurtenissen aan. De pop legt met tussenpozen van twee dagen 2 tot 4 eieren, soms 5. Ze broedt alleen; broedduur 23 dagen; nestduur van de jongen ongeveer 7 weken.
Omstreeks de vijftiende dag moeten de jongen geringd worden; ringmaat 6 mm. Als de jongen uitvliegen, lijken ze globaal genomen wel op hun ouders, maar het rode masker en het rood aan vleugelbocht en vleugelrand is beperkt tot enkele losse rode veertjes; oogiris bruinachtig. Drie tot vier weken nadat ze het nest verlaten hebben zijn ze zelfstandig.
Er is maar een broedsel per jaar.
Mutaties: geen
Tekst: H.W.J. van der Linden