Aratinga’s (16)
Aratinga euops (Wagler 1832)
Verspreidingsgebied: Cuba.
Soortbeschrijving
Formaat: 26 cm.
Algemene lichaamskleur groen; kop, hals, nek, mantel, rug, stuit, bovenstaartdekveren en vleugeldek donkergrasgroen, het groen van kop hals en nek veelvuldig onderbroken door onregelmatig verspreide rode veertjes; op de buitenste rand van de vleugelbocht bevindt zich een smalle rand van kleine rode veertjes; kleine ondervleugeldekveren eveneens rood, de grotere olijfgeel; bef, borst, buik, flanken, dijen en anaalstreek grasgroen het groen van buik en dijen soms hier en daar onderbroken door een rood veertje. Vleugelpennen donkergrasgroen, de spitse uiteinden donkergrijs gezoomd. Bovenzijde grote staartpennen donkergrasgroen; onderzijde olijfgeel. Donkere ogen met gele iris; naakte oogring wit. Snavel hoornkleurig. Poten bruinachtig grijs; nagels donkergrijs.
Biotoop
Bergwouden, bossen in kustgebieden vooral palmbossen, savannen met boomgroei, maar ook moerasgebieden
Status wildpopulatie
Aantal vogels loopt terug.
Leefwijze
Paarsgewijs, in familieverband of kleine groepen tot tien vogels. Trekken af en toe samen op met Cuba amazones (Amazona leucop-cephala).
De vogels leiden een trekkend bestaan, wat te maken heeft met het voedselaanbod. Vogels die de bergwouden bewonen, trekken in de maanden september en oktober naar het vlakland.
Het voedsel bestaat uit allerlei vruchten, bessen, bloesems en bladknoppen, die de vogels in de bomen aantreffen. De vogels nestelen in boomholten, vooral in verlaten spechtennesten, soms ook in boomtermietennesten.
Algemene informatie
Uiterst zeldzaam in gevangenschap, slechts enkele paren in Europa.
De Cuba parkiet wordt vaak verwisseld met de groenvleugelparkiet (Aratinga chloroptera) en de pavua- of witoogparkiet (Aratinga leucopthalma). De soorten zijn echter goed uit elkaar te houden als men even onder de vleugels kijkt. Bij de groenvleugelparkiet zijn de buitenste kleine ondervleugeldekveren rood, de grotere ondervleugeldekveren zijn overwegend groen met enkele rode veertjes; bij de pavuaparkiet zijn de kleine ondervleugeldekveertjes eveneens rood, de grote zijn geel; bij de Cuba parkiet tenslotte zijn de kleine vleugeldekveertjes rood, de grotere olijfgeel, bovendien is de Cuba parkiet beduidend kleiner dan de beide andere soorten.
Eerste broedresultaat met deze soort in 1967 in Duitsland.
Wet budep
Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep Lijst II.
Gedrag
Aangename rustige volièrevogel; nieuwsgierig, maar vertrouwelijk van aard; matig stemgeluid, nooit storend; eigenlijk laten ze hun stem alleen horen als ze zich bedreigd voelen (katten, roofvogels). Ook de behoefte om te knagen is gering, zeker als men dat vergelijkt met de meeste andere aratingasoorten. Slapen in nestblok; baden graag. Buiten de broedtijd verdraagzaam tegenover soortgenoten en an-dere kleine aratinga's.
Huisvesting en
verzorging
Paarsgewijs huisvesten in een metalen buitenvolière op een rustig gelegen plaats van (lxbxh) 3 x 1 x 2 m met aangebouwd nachtverblijf van minimaal (lxbxh) 1 x 1 x 2 m, waarin het tijdens de wintermaanden tenminste vorstvrij blijft en een daglengte van ongeveer 12 uur gewaarborgd is. In het nachtverblijf liefst meerdere natuurbroedblokken ophangen die tevens als slaapplaats dienen; afmetingen tussen 40 en 70 cm hoog, binnenwerkse diameter 18-22 cm, wanddikte minimaal 3 cm, doorsnede invlieggat 6,5 cm; in de hogere blokken aan de binnenzijde onder het invlieggat een aantal krammen aanbrengen om het in- en uitgaan te vergemakkelijken. Op de bodem van het blok een laag houtmolm of houtsnippers aanbrengen, geen turfmolm (schimmelvorming!); de blokken het gehele jaar door laten hangen. Overigens accepteren Cuba parkieten ook zelfgemaakte nestkasten van vergelijkbare afmetingen. Bij geschakelde binnenverblijven ondoorzichtige tussenschotten plaatsen, tussen de volières dubbel gaas gebruiken.
Regelmatig verse knaagtakken aanbieden. Dagelijks zorgen voor een platte schaal met water waarin de vogels zich kunnen baden.
Voeding
Als basis geven we een zaadmengsel voor grote parkieten bestaande uit zonnebloempitten (10-15%), saffloorzaad, hennep, haver, tar-we, diverse gierstsoorten, witzaad en wat trosgierst in de aar; de grovere zaden af en toe ook gekiemd of in geweekte toestand aanbieden; daarnaast verstrekken we een goed eivoer (gerantsoeneerd), het geheel rul maken met grove gekiemde of gekookte zaden. Verder dagelijks wat fruit in de vorm van een stukje appel, zoete kersen, lijsterbessen (vers of gedroogd), rode bessen. Ook groenvoer zoals wortel, muur, paardenbloembladeren (ook zaadknoppen), herderstasje, graszaden, tarwe, haver en gerst in de aar wordt graag genomen, evenals halfrijpe kolfmaïs en zonnebloempitten. Vers drinkwater, maagkiezel, grit en een mineralenblok dienen altijd ter beschikking te staan.
In de broedtijd hetzelfde voedsel verstrekken, maar ongelimiteerd eivoer geven, d.w.z. zoveel de vogels willen opnemen.
Fok
Het samenstellen van een goed harmoniërend paar is niet altijd eenvoudig, want Cuba parkie-ten zijn wat betreft hun partner nog al kieskeurig. Vogels die voor de fok ingezet worden moeten tenminste 2 jaar oud zijn. Zekerheid over de aard van het geslacht is enkel te verkrijgen door middel van endoscopie of DNA-onderzoek. Het broedseizoen wordt aangekondigd doordat de vogels meer gaan knagen, vaak al vroeg in het voorjaar, maar er zijn ook geslaagde broedsels bekend waarbij pas in de vroege zomermaanden eieren werden gelegd. De eieren worden om de twee dagen gelegd; legselgrootte 3 tot 5 eieren. De pop broedt alleen, maar de man houdt de pop gedurende het broedproces vaak urenlang gezelschap; broedduur 23 dagen. Rond de vijftiende dag moeten de jongen geringd worden; ringmaat 6 mm. Ook tijdens de opfokperiode blijven beide ouderdieren urenlang bij de jongen op het nest.
Als de jongen tussen de zevende en achtste week uitvliegen, soms nog enkele dagen later, zijn ze volledig bevederd, maar nog helemaal groen, alleen op de vleugelrand is een smalle strook gele veertjes zichtbaar, de verspreid voorkomende rode veertjes van de oudervogels ontbreken nog; de oogiris is donkerbruin. De jongen nemen een week nadat ze uitgevlogen zijn zelfstandig voedsel op, maar worden nog geruime tijd door de oudervogels bijgevoerd; na ca 3 weken zijn ze geheel zelfstandig. Na ongeveer 4 maanden begint de iris naar geel te verkleuren en komen de eerste rode veertjes door.
Er is slechts één broedsel per jaar.
Mutaties: geen
Tekst: H.W.J. van der Linden