Aratinga’s (19)

 

Pavuaparkiet

Aratinga leucopthalma (Müller 1776)

Ook: witoogparkiet en Guyana parkiet

 

Soortbeschrijving

Formaat: 32 cm.

Man en pop: kop, nek, en hals donkergrasgroen kop en nek hier en daar onderbroken door rode veertjes. Mantel, vleugeldek, stuit en bovenstaartdekveren donkergrasgroen; borst en onderzijde van het lichaam een nuance lichter groen. Hand- en armpennen donkergrasgroen aan de veertoppen grijs gezoomd. Duimveertjes en een smalle rand in de vleugelbocht helderrood; kleine ondervleugeldek-veertjes rood, grote ondervleugeldekveren geel. Bovenzijde grote staartpennen donkergrasgroen; onderzijde olijfgroen. Ogen nagenoeg zwart met oranjebruine irisring. Naakte oogring grijsachtig wit. Snavel hoornkleurig, op de snijvlakken en aan op de punt van de bovensnavel donkergrijs. Poten bruinachtig grijs; nagels grijszwart.

 

Ondersoorten

A. l. callogenys  (Salvadori 1891)

Ecuador witoogparkiet

Verspreidingsgebied: Oost-Ecuador, Noordoost-Peru en Noorwest-Brazilië.

Kenmerken: Formaat 32 cm. Gelijkend op nominaatvorm, maar donkerder groen daarbij is de snavel breder en forser; rode veertjes vooral op onderste gedeelte van de wangen.

 

A. l. leucopthalma (P.L.S. Müller 1776)

Verspreidingsgebied: Frans Guyana, Guyana, Suriname, het oosten van Colombia en Vene-zuela zuidwaarts over het grootste deel van Brazilië tot in Bolivia, Paraguay en het noorden van Uruguay en Argentinië.

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm.

 

A. l. nicefori Meyer de Schauensee 1946

Colombia witoogparkiet

Verspreidingsgebied: Colombia

Kenmerken: Gelijkend op callogenys doch algemene lichaamskleur is bleker en meer geler getint; toont rode voorhoofdsband.De geldigheid van deze ondersoort is omstreden.

 

A. l. propinqua (Sclater 1864)

Grote Guyana parkiet

Ook: Argentijnse witoogparkiet

Verspreidingsgebied: Zuidoost-Brazilië, Noord-oost-Argentinië.

Kenmerken: Formaat 34 cm. Deze ondersoort onderscheidt zich alleen in grootte van de no-minaatvorm. De geldigheid van deze ondersoort is omstreden.

 

Biotoop

Gebieden met loofbossen; mangrovebossen en rietvelden; open bossen en palmbossen, ook vochtige landschappen met dichte boomgroei. De vogels worden vrijwel uitsluitend in het vlakland waargenomen, maar in Bolivia ook op de berghellingen tot 1800 m, soms nog hoger.

 

Status wildpopulatie

Het bestand blijft stabiel.

 

Leefwijze

Deze vogels leiden een zwervend bestaan. Ze leven paarsgewijs of in familieverband, meestal in groepen van 10 tot 20 vogels, menigmaal worden grote zwermen tot wel 200 stuks waargenomen. Op hun roestplaatsen worden soms tot wel 500 vogels gesignaleerd.

Ze leven voornamelijk van graszaden, voorts van boomvruchten, cactusvruchten, bessen, noten en bloesems, die in de bomen en op de grond aangetroffen worden. Ze eten ook insecten en hun larven.

De broedperiode is afhankelijk van hun leefgebied, in het noorden van het verspreidingsgebied van april tot juni, in het zuiden van november tot december, in het midden van februari tot juni. Tegen de broedtijd trekken de paren zich terug. Ze broeden in boomholten.

 

Algemene informatie

A. l. leucopthalma en A. l. callogenys komt men af en toe wel in gevangenschap tegen, de ondersoort callogenys vaker dan de nominaat-vorm, maar het totale bestand van de soort in Europa is bescheiden. Af en toe worden er ook broedresultaten gemeld.

Eerste broedresultaat met het nominaatras in 1934 in de USA, met callogenys in 1984 in de voormalige DDR.

De pavua- of witoogparkiet wordt vaak verwisseld met de groenvleugelparkiet (Aratinga chloroptera) en de Cuba parkiet (Aratinga euops). De soorten zijn echter goed uit elkaar te houden als men even onder de vleugels kijkt. Bij de groenvleugelparkiet zijn de buitenste kleine ondervleugeldekveren rood, de grotere onder-vleugeldekveren zijn overwegend groen met enkele rode veertjes; bij de pavuaparkiet zijn de kleine ondervleugeldekveertjes eveneens rood, de grote zijn geel; bij de Cuba parkiet tenslotte zijn de kleine vleugeldekveertjes rood, de grotere olijfgeel, bovendien is de Cuba parkiet beduidend kleiner dan de beide andere.

De pavuaparkiet kan ook solitair in een ruime kooi worden gehouden.

 

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budepLijst II, echter geen administratieplicht.

 

Gedrag

Na gewenning sterke vogel; levendig en speels van aard, maar in het begin vrij schuw, wennen gewoonlijk slechts langzaam aan verzorger, maar worden op den duur vertrouwelijk; slapen in broedblok; sterke behoefte tot knagen; luidruchtig, beginnen hard te schreeuwen als vreemden de volière naderen, mogelijk storend voor omgeving; baden graag; tonen tijdens de broedtijd, vooral als er jongen, soms agressief gedrag, ook tegenover verzorger.

 

Huisvesting en verzorging

Bij voorkeur het gehele jaar paarsgewijs houden in een metalen buitenvolière van (lxbxh) 3 x 1 x 2 m met aangebouwd nachtverblijf van minimaal 1,5 x 1 x 2 m. Hoewel deze vogels gedurende een korte periode wel tegen een paar graden vorst kunnen, dient men er toch voor te zorgen dat het in het nachtverblijf tijdens de wintermaanden minimaal vorstvrij blijft terwijl tevens gezorgd wordt voor een daglengte van ongeveer 12 uur. Plaats het broedblok in het nachtverblijf op zodanige plaats dat men gemakkelijk nestcontrole kan doen. Gebruik voor de nestgelegenheid bij voorkeur een natuurbroedblok, afmetingen 50 à 60 cm hoog, binnenwerkse diameter ca 25 cm, wanddikte minimaal 6 cm, doorsnede invlieggat ca. 7 cm. In de praktijk is gebleken dat de pavua parkiet ook wel een zelf gemaakt broedblok accepteert van (lxbxh) 25 x 25 x 50-60 cm met een invlieggat van dezelfde diameter als vermeld bij het natuurbroedblok. Denk aan voldoende wanddikte als men het blok zelf maakt! Op de bodem van het blok een laagje houtmolm of houtsnippers aanbrengen, geen turfmolm (schimmelvorming!); het blok het gehele jaar door laten hangen, omdat de vogels hierin ook de nacht doorbrengen. Bij geschakelde binnenverblijven ondoorzichtige tussenschotten plaatsen, tussen de volières dubbel gaas gebruiken.

Regelmatig verse knaagtakken aanbieden. Elke dag zorgen voor een platte schaal met fris water waarin de vogels zich kunnen baden.

 

Voeding

Als basis kan men een zaadmengsel voor grote parkieten geven waarin de volgende zaden voorkomen: tarwe, haver, padie, rode en witte dari, negerzaad, diverse gierstsoorten, witzaad, hennep, saffloor- en een weinig zonnebloempitten; de grovere zaden ook geweekt of gekiemd aanbieden. Halfrijpe kolfmaïs wordt graag opgenomen, evenals halfrijpe haver en tarwe in de aar, ook allerhande halfrijpe gras- en onkruidzaden. Verder fruit zoals appel, peer, banaan, rozenbottels, daarnaast bessen van vuurdoorn en lijsterbes; van de groentesoorten vooral rode wortel, rode bieten, paprika en bladgroente. Dagelijks eivoer (gerantsoeneerd) verstrekken, eventueel aangevuld met een kleine gift weekvoer voor insecteneters (insectenpaté of universeelvoer), ook enkele gedroogde garnalen ter afwisseling.

Vers drinkwater, maagkiezel, grit en een mineralenblok dienen altijd ter beschikking te staan.

In de broedtijd in principe hetzelfde voedsel verstrekken, maar ongelimiteerd eivoer geven, d.w.z. zoveel de vogels willen opnemen, ook in melk geweekt oud brood wordt in deze periode graag opgenomen.

 

Fok

Broedresultaten met deze vogels worden slechts af en toe gemeld. Dat heeft hoofdzakelijk te maken met de geringe aantallen die in gevangenschap worden gehouden. De aard van het geslacht kan alleen met zekerheid worden vastgesteld als men de vogels endoscopisch laat onderzoeken of een DNA-onderzoek laat doen. Om met succes met deze soort te kunnen broeden dient het koppel minimaal twee jaar oud te zijn, maar meestal duurt het langer voordat ze aanstalten maken om te broeden.

 

Pavua parkieten beginnen gewoonlijk pas laat in broedstemming te komen, meestal mei/juni, soms nog later. De eieren worden met tussenpozen van twee dagen gelegd; legselgrootte 3 à 4 eieren. De pop broedt alleen; broedduur 23 dagen. Bij het uitkomen hebben de jongen dicht geel nestdons, wat naarmate ze ouder worden in grijs verandert. Wanneer de jongen ongeveer 14 dagen oud zijn, moeten ze geringd worden; ringmaat 7 mm. Na het uitvliegen worden ze nog geruime tijd door de man gevoerd. Drie weken na het verlaten van de nestkast zijn ze zelfstandig. Jonge vogels zijn volledig groen, ook de ondervleugeldekveren; de irisring is donker. Na drie maanden beginnen de jongen te kleuren.

 

Mutaties

Uit Brazilië stammen meldingen van cinnamon witoogparkieten, nadere gegevens ontbreken echter.

 

Tekst: H.W.J. van der Linden