Aratinga’s (20)

 

Roodmaskerparkiet

Aratinga mitrata (Tschudi 1844)

 

Soortbeschrijving

Formaat: 38 cm.

Man en pop: voorhoofd donkerrood vervolgens overgaand in helderrood tot aan de groene kleurscheiding op de schedel. Verder zijn rood: de teugels het gebied rondom de ogen evenals vandaar uitgaande uitlopers op de wangen de oorstreek en de hals.

Algemene lichaamskleur groen; achterkop, nek, mantel, vleugeldek, stuit en bovenstaartdekveren donkergrasgroen; bef, borst, buik, dijen, flanken, anaalstreek en onderstaartdek-veren grasgroen het groen van nek, mantel, schouders, bef, buik, en broekbevedering soms onderbroken door verspreid voorkomende rode veertjes. Vleugelpennen donkergrasgroen de uiteinden grijs gezoomd. Bovenzijde grote staartveren donkergrasgroen; onderzijde olijfgeel. Donkere ogen met bruingele iris. Naakte oogring roomkleurig. Snavel hoornkleurig met donkergrijze snavelpunt. Poten grijsbruinachtig; nagels donkergrijs tot grijszwart.

 

Ondersoorten

A. m. alticola Chapman 1921

Cusco parkiet

Verspreidingsgebied: omgeving van Cusco, Peru.

Kenmerken: Formaat 37 cm. Gelijkend op de nominaatvorm, maar algemene lichaamskleur donkerder groen vooral op het rugdek. Het rood is meer donkerrood maar is beperkt tot het voorhoofd en wat rode veertjes om en nabij de teugels, rond het oog en aan de zijden van de kop.

 

A. m. mitrata (Tschudi 1844)

Verspreidingsgebied: Centraal-Peru aan de oostkant van het Andesgebergte zuidwaarts door Centraal-Bolivia tot West-Argentinië.

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm.

 

Biotoop

Droge berghangen en valleien met bosbestand op hoogten tussen de 1000 en 2500 m, de ondersoort A. m. alticola komt ook in nog hoger gelegen gebieden voor.

 

Status wildpopulatie

Het bestand blijft stabiel.

 

Leefwijze

Paarsgewijs of in kleine groepen, vormen na het broedseizoen vaak grotere zwermen tot wel honderd of meer vogels. Ze voeren binnen hun verspreidingsgebied een zwervend bestaan; leggen menigmaal grote afstanden af, waarbij ze op grote hoogte vliegen.

In de broedtijd, van november tot februari, zonderen de paren zich af. Ze nestelen in holten van dode bomen.

De vogels voeden zich met bosvruchten, bessen, allerlei zaden en noten. Tegen de oogsttijd duiken ze vaak op in graanvelden, vooral maïsvelden hebben voorkeur en hier richten ze dan ook dikwijls grote schade aan.

 

Algemene informatie

De nominaatvorm is zelden in de volières van Zuid-Amerikaanse parkietenliefhebbers te vinden, hoewel er in het verleden toch enkele grotere importen zijn geweest. A. m. alticola is slechts sporadisch ingevoerd en geldt als uiterst zeldzaam in gevangenschap.

Eerste broedresultaat met de nominaatvorm in 1986 in Duitsland; met alticola onbekend

 

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep Lijst II.

 

Gedrag

Na gewenning sterke vogel, kan ook enkele graden vorst verdragen; levendig en speels van aard, maar blijven vrij schuw en wantrouwend, jonge vogels wennen gewoonlijk tamelijk vlug aan verzorger en worden op den duur vertrouwelijk; sterke paarbinding, ondernemen alles gezamenlijk (vliegen, eten, drinken, baden); slapen in broedblok; sterke behoefte tot knagen; luidruchtig, mogelijk storend voor omgeving, geen vogel om te houden in dicht bewoonde wijken; baden graag en uitbundig en dat meermaals per dag.

 

Huisvesting en verzorging

De ideale huisvesting is paarsgewijs in een van metaal en stevig gaas vervaardigde buitenvolière met aansluitend een vorstvrij nachtverblijf waarin tevens het broedblok een plaats krijgt; minimale volièregrootte (lxbxh) 4 x 1 x 2 m; minimale afmetingen nachtverblijf 1,5 x 1 x 2 m. Het natuurbroedblok op een rustige plek in het binnenverblijf ophangen; afmetingen ca. 70 cm diep bij een diameter van 30 cm en een wanddikte van 3 à 4 cm, doorsnede invlieggat 10-15 cm. Het broedblok dient het gehele jaar door te blijven hangen aangezien de vogels hierin ook de nacht doorbrengen.

Bouw de volière bij voorkeur op een wat rustige en ietwat beschaduwde plek. Wanneer verschillende parkietensoorten naast elkaar gehouden worden, moet men de tussenwanden met dubbel gaas bespannen; de binnenruimte echter zo inrichten dat de vogels elkaar niet kunnen zien, hiertoe stevig plaatwerk gebruiken bijv. Trespa. Tijdens het donkere jaargetijde moeten de vogels minimaal 12 uur licht hebben. Zo weinig mogelijk veranderingen in en aan het verblijf aanbrengen als de vogels eenmaal gewend zijn, dit geldt overigens voor alle aratingasoorten.

Regelmatig verse takken van berk, knotwilg of fruitbomen (onbespoten) geven om hun knaag-lust te bevredigen. Dagelijks badwater verstrekken en dit enkele keren per dag verversen; indien mogelijk regeninstallatie aanbrengen.

 

Voeding

Als basis kan men een grof zaadmengsel voor grote parkieten geven waarin de volgende zaden voorkomen: tarwe, gerst, haver, padie, rode en witte dari, witzaad, gierst, negerzaad, hennep, boekweit, saffloer- en enkele zonnebloempitten evenals maïs, de drie laatstgenoemde best in licht gekiemde toestand aanbieden. Halfrijpe kolfmaïs wordt graag opgenomen, evenals halfrijpe haver en tarwe in de aar, ook allerhande halfrijpe gras- en onkruidzaden. Verder fruit zoals appel en peer daarnaast bessensoorten van vuurdoorn, rozenbottel en lijsterbes; van de groentesoorten vooral rode wortel en sla en niet te vergeten muur. Elke dag eivoer (gerantsoeneerd) verstrekken.

Dagelijks zorgen voor vers drinkwater, maagkiezel, grit en een mineralenblok moeten steeds ter beschikking staan.

In de broedtijd in principe hetzelfde voedsel verstrekken, maar ongelimiteerd eivoer geven, d.w.z. zoveel de vogels willen opnemen. Als er jongen zijn wat verse mierenpoppen onder het eivoer bijmengen.

 

Fok

Broedresultaten met deze vogels worden slechts af en toe gemeld, maar ik ken persoonlijk ook een liefhebber die jaar in jaar uit jongen op stok weet te krijgen. Er is geen zichtbaar geslachtsonderscheid, wat meer of minder rood in de bevedering kan dan ook niet als een geslachtsonderscheid worden beschouwd, zekerheid over de aard van het geslacht kan alleen middels endoscopie of een DNA-onderzoek worden aangetoond.

Om met deze vogels te fokken dient het koppel minimaal twee jaar oud te zijn, maar vaak duurt het vele jaren voordat ze beginnen te nestelen, toch schijnt de fok met deze vogels, vooropgesteld dat men over een harmoniërend paar beschikt, niet bijzonder moeilijk te zijn. Roodmaskerparkieten beginnen gewoonlijk vanaf april in broedstemming te komen. Vogels die in verwarmde binnenvolières worden gehouden, kunnen in principe het gehele jaar in broedstemming geraken, zo heeft de praktijk aangetoond. Ongeveer 10 dagen na de paring kan men het eerste ei verwachten. De eieren worden met tussenpozen van twee dagen gelegd; legselgrootte 2 tot 4 eieren, bij uitzondering 5. De pop broedt alleen; broedduur 23 dagen. Bij het uitkomen zijn de jongen met geel nestdons overdekt, wat na enkele weken geleidelijk aan in grijs verandert. Wanneer de jongen ongeveer 14 dagen oud zijn, moeten ze geringd worden; ringmaat 7 mm. De nesttijd bedraagt 7 à 8 weken. Na het uitvliegen worden ze nog geruime tijd gevoerd. Drie weken na het verlaten van de nestkast zijn ze zelfstandig.

Jonge vogels lijken op de ouders maar het rood van de kop reikt niet verder dan voorhoofd en teugels, de irisring is donkerbruin, de pootkleur is grijs.

 

Mutaties: geen

 

Tekst: H.W.J. van der Linden