Aratinga’s (21)

 

Guatemala parkiet

Aratinga rubritorquis (Sclater 1887)

 

Verspreidingsgebied: Van Oost-Guatemala zuidwaarts tot Noord-Nicaragua.

 

Soortbeschrijving

Formaat: 30 cm.

Man en pop: algemene lichaamskleur groen; kop, halszijden, bef, nek, mantel, rug, stuit, vleugeldek en bovenstaartdekveren donkergrasgroen, het groen van de halszijden en het onderste gedeelte van de wangen soms hier en daar onderbroken door een rood veertje; borst, buik, flanken, dijen, anaalstreek en onderstaartdekveren geelachtig groen. Kin, keel met uitlopers naar de halszijden en bovenborst oranjerood. Hand- en armpennen donkergrasgroen aan de uiteinden iets grijs gezoomd; onderzijde olijfachtig geel; ondervleugeldekveren geelgroen. Bovenzijde grote staartpennen donkergrasgroen; onderzijde olijfachtig geel. Donkere ogen met oranjerode iris; naakte oogring roodachtig grijs. Snavel hoornkleurig; langs de snijvlakken van onder- en bovensnavel iets zwart getint. Poten grijsachtig vleeskleurig; nagels grijszwart.

 

Biotoop

Pijnboombossen van het hooggebergte; nevelwouden tot een hoogte van ca. 2500 m.

 

Status wildpopulatie

Het bestand blijft stabiel.

 

Leefwijze

Buiten de broedtijd in groepen tot ongeveer 40 vogels; leiden min of meer een zwervend bestaan. Het voedsel bestaat uit allerlei zaden, noten, bessen, vruchten, die grotendeels in de bomen worden aangetroffen. Het broedseizoen loopt van februari tot augustus. Ze broeden in boomholten.

 

Algemene informatie

In de wat oudere literatuur wordt de Guatemala parkiet nog beschouwd als één van de ondersoorten van de Mexicaanse parkiet met de wetenschappelijke naam Aratinga holochlora rubritorquis, onderzoekingen hebben echter aangetoond dat het om een zelfstandige soort gaat, vandaar de huidige soortbenaming Aratinga rubritorquis.

De Guatemala parkiet is nooit in grote aantallen in Europa ingevoerd, momenteel geldt de soort als zeldzaam in liefhebbershanden. Eerste broedresultaat met deze soort in 1976 in Duitsland

 

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep Lijst II.

 

Gedrag

Na gewenning sterke vogel; argwanend en schuw van aard, wennen gewoonlijk slechts stap voor stap aan verzorger, maar blijven elke beweging rond en in de volière in de gaten houden; zeer gevoelig voor veranderingen aan en in het verblijf; sterke behoefte tot knagen; slapen in broedblok; beperkt luidruchtig, stemgeluid kan in dicht bewoonde woonwijken storend zijn voor omgeving; alleen buiten de broedtijd vreedzaam tegenover soortgenoten en andere soorten van gelijke grootte; in de broedtijd vaak zeer agressief, ook tegenover verzorger; baden graag.

 

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs houden in een metalen buitenvolière van minimaal (lxbxh) 3 x 1 x 2 m met aangebouwd nachtverblijf van minimaal 1,5 x 1 x 2 m, waarin het tijdens de wintermaanden tenminste vorstvrij blijft en een daglengte van ongeveer 12 uur gewaarborgd is. In het nachtverblijf het natuurbroedblok ophangen dat tevens als slaapplaats dient; afmetingen 50 à 60 cm hoog, binnenwerkse diameter ca 22 cm, wanddikte minimaal 6 cm, doorsnede invlieggat 6 à 7 cm. Zelfgemaakte broedblokken worden ook geaccepteerd, hiervoor ongeveer dezelfde afmetingen aanhouden, maar houd wel de genoemde wanddikte aan. Op de bodem van het blok een laagje houtmolm of houtsnippers aanbrengen, geen turfmolm (schimmelvorming!); het blok het gehele jaar door laten hangen. Bij geschakelde binnenverblijven ondoorzichtige tussenschotten plaatsen, tussen de volières dubbel gaas gebruiken.

Regelmatig verse knaagtakken aanbieden. Elke dag zorgen voor een platte schaal met fris water waarin de vogels zich kunnen baden; eventueel regeninstallatie aanbrengen.

 

Voeding

Als basis kan men een zaadmengsel voor grote parkieten geven waarin de volgende zaden voorkomen: tarwe, gerst, haver, padie, rode en witte dari, negerzaad, diverse gierstsoorten, witzaad, hennep, saffloer- en zonnebloempitten; de grovere zaden ook geweekt of gekiemd aanbieden. Halfrijpe kolfmaïs wordt graag opgenomen, evenals halfrijpe haver en tarwe in de aar, ook allerhande halfrijpe gras- en onkruidzaden. Ook de nootjes uit de dennenappels van vooral pijnbomen beschouwen deze vogels als een lekkernij, maar let er wel op dat de vogels er niet te veel van opnemen; met mate aanbieden dus. Verder fruit zoals appel, rozenbottels, daarnaast bessen van vuurdoorn en lijsterbes; van de groentesoorten vooral rode wortel en bladgroente. Dagelijks eivoer (gerantsoeneerd) verstrekken, eventueel aangevuld met een kleine gift weekvoer voor insecteneters waaraan gedroogde insecten of mierenpoppen zijn toegevoegd, het geheel rul aanmaken met grove gekiemde of gekookte zaden. Tracht de vogels te wennen aan enkele meelwormen per dag, enkele gedroogde garnalen zijn ook goed. Wanneer de vogels het voedsel niet kennen, duurt het gewoonlijk een hele tijd voordat ze het uiteindelijk opnemen. Elke dag vers drinkwater verstrekken, maagkiezel, grit en een mineralenblok dienen steeds ter beschikking te staan.

In de broedtijd in principe hetzelfde voedsel verstrekken, maar ongelimiteerd eivoer geven, d.w.z. zoveel de vogels willen opnemen, ook in melk geweekt oud brood wordt in deze periode graag opgenomen.

 

Fok

De fok met deze soort wordt slechts zelden gemeld. Dat heeft natuurlijk ook te maken met het beperkte aantal van deze vogels dat in gevangenschap gehouden wordt. Er is geen geslachtsonderscheid, zekerheid over het geslacht is alleen verkrijgbaar als men de vogels endoscopisch laat onderzoeken of een DNA-onderzoek laat doen. Voor de fok dient het koppel minimaal twee jaar oud te zijn, maar vaak hebben de vogels jaren nodig voordat ze de eerste keer broeden. Vanaf april beginnen de vogels in broedstemming te komen, soms nog wat later. Als regel zijn er voor eind mei begin juni geen eieren te verwachten. Legselgrootte 3 tot 4 eieren. De pop broedt alleen; broedduur 23 dagen. Bij het uitkomen hebben de jongen witachtig nestdons, wat naarmate ze ouder worden in grijs verandert. Wanneer de jongen ongeveer 14 dagen oud zijn, komen de eerste donkere veerstoppels door en moeten ze geringd worden; ringmaat 6 mm. Ruim 7 weken na het uitkomen vliegen de jongen volledig bevederd uit. Het groen is wat matter van tint dan dat van de oudervogels; het typische rood van de keelstreek ontbreekt nog, ook de oogkleur is duidelijk lichter. Ongeveer drie maanden na het uitvliegen komen de eerste rode veertjes door. De jongen kunnen nog geruime tijd bij de ouders blijven.

 

Mutaties: geen

 

Tekst: H.W.J. van der Linden