Aratinga’s (22)

 

Wagler’s parkiet

Aratinga wagleri (G.R. Gray 1845)

 

Soortbeschrijving

Formaat: 36 cm.

Voorhoofd tot aan de teugels helderrood van daar loopt de kleurscheiding met een kleine boog op enige afstand voorbij en bovenlangs de ogen tot aan de groene kleurscheiding op de kruin. Algemene lichaamskleur groen; kop nek, mantel, vleugeldek, stuit en bovenstaartdekveren donkergrasgroen; bef, borst, buik, flanken en anaalstreek grasgroen, het groen van de bef en de halszijden veelal onderbroken door rode veertjes sommige vogels tonen zelfs een onregelmatige rode band op de bovenborst. Dijen grasgroen sommige vogels tonen net boven het loopbeen een rood randje. Slagpennen donkergrasgroen met aan de uiteinden een lichte grijze omzoming. Bovenzijde grote staartpennen donkergrasgroen; onderzijde olijfgeel. Donkere ogen met oranjerode iris omgeven door een onbevederde nagenoeg witte oogring. Snavel hoornkleurig met donkergrijze punt; poten grijsbruin; nagels donkergrijs tot grijszwart.

 

Ondersoorten

A. w. frontata  (Cabanis 1846)

Roodvoorhoofdparkiet

Ook: Peru parkiet

Verspreidingsgebied: West-Peru en West-Ecuador.

Kenmerken: Formaat 39 à 40 cm. Het rood op het voorhoofd is meer uitgebreid en loopt door tot midden op het schedeldek, aan de onderzijde tot aan de teugels en de ogen. In de vleugelbocht vanaf de schouders tot aan de duimveertjes bevindt zich een smalle rode vleugelrand. Onderste gedeelte dijbeen rood. Over de groene lichaamskleur ligt een warme goudgele gloed. Voor het overige als wagleri.

 

A. w. minor  Carriker 1933

Kleine roodvoorhoofdparkiet

Verspreidingsgebied: Centraal- en Zuid-Peru

Kenmerken: Formaat 38 cm. Gelijkend op frontata maar algemene lichaamskleur is donkerder en doffer en mist de warme goudgele gloed. Het rood op de dijen beslaat bijna het gehele dijbeen maar is minder helder meer vaalrood.

 

A. w. transilis  Peters 1927

Venezolaanse roodvoorhoofdparkiet

Verspreidingsgebied: Noord-Venezuela

Kenmerken: Formaat ongeveer 34 cm. Als nominaatvorm, maar rood op voorhoofd donkerder en minder ver doorlopend op de kruin. Algemene lichaamskleur donkerder groen.

 

A. w. wagleri  (G.R. Gray 1845)

Verspreidingsgebied: Noordwest-Venezuela en Colombia

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm.

 

Biotoop

Bossen en deels beboste gebieden tegen de hellingen van het rotsgebergte met veel klippen, spleten en nissen  tussen de 350 en 2500 m, komen soms ook in het altijd in wolken gehulde nevelwoud; voorts in landbouwgebieden in valleien en dalen.

 

Status wildpopulatie

Het bestand blijft stabiel.

 

Leefwijze

Trekt in groepen van 20 tot 30 stuks in het leefgebied rond, soms vormen ze grote zwermen van 200 tot wel 400 vogels. Sterke paarbinding binnen de groep. Broeden in kleine kolonies in nissen, holen en spleten in de steile rotswanden van het gebergte. Het voedsel bestaat uit zaden, noten, bessen en vruchten, die ze in de bomen vergaren. In de oogsttijd duiken ze regelmatig op in graanvelden en fruitplantages, waarbij ze vaak grote schade aanrichten.

 

Algemene informatie

Deze soort is zeldzaam in volièrebestanden. A. w. transilis waarschijnlijk nog nooit in Europa ingevoerd.  Af en toe worden er broedresultaten gemeld met de nominaatvorm en A. w. frontata; van A. w. minor zijn geen broedgegevens in gevangenschap bekend.

Eerste broedresultaat met wagleri in 1957 in de USA; met frontata in 1987 op Teneriffe.

 

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep Lijst II.

 

Gedrag

Sterke vogel, die best tegen een stootje kan; levendig van aard, soms wat schuw, maar worden op de duur vertrouwelijk en nagenoeg handtam; zeer luidruchtig, storend voor omgeving, het gekrijs neemt af naarmate de vogels wat beter aan omgeving en verzorger gewend zijn, maar houdt nooit helemaal op; slapen in broedblok; sterke behoefte tot knagen; baden graag en uitbundig. Vredelievend, zelfs in de broedtijd, kan ook in een gezelschapsvolière en in kolonieverband gehouden worden.

 

Huisvesting en verzorging

Hoewel het mogelijk is gebleken deze vogels in groepsverband te houden en er goede broedresultaten mee te behalen, hecht ik - nog afgezien van het feit dat het nauwelijks haalbaar is meerdere broedkoppels van deze vogels te bemachtigen, om risico's zoveel mogelijk uit te sluiten - meer aan het paarsgewijs houden van deze vogels. Indien het toch zou lukken meerdere paren te kopen en men voor huisvesting in groepsverband kiest, dan tenminste drie koppels bij elkaar plaatsen en minimaal 3 m² bodemoppervlakte per paar aanhouden. Zoals gezegd, bij voorkeur paarsgewijs onderbrengen in een metalen buitenvolière van (lxbxh) 3 x 1 x 2 m met aangebouwd nachtverblijf van minimaal 1,5 x 1 x 2 m, waarin het tijdens de wintermaanden minimaal vorstvrij blijft en de daglengte tot ongeveer 12 uur kunstmatig verlengd wordt.

De slaap- en nestgelegenheid zijn een verhaal apart. In de natuur nestelen deze vogels in holten en spleten van rotswanden. Een gewone nestkast of een natuurbroedblok voldoet daarom niet aan de eisen die de vogels aan hun nestplaats stellen. De acceptatie van de nestholte wordt bevorderd wanneer men in het nachtverblijf iets van stenen of leisteenplaten bouwt wat enigszins vergelijkbaar is met de natuurlijke situatie. Men zou ook een zelfgemaakte nestkast met stenen en leiplaten kunnen bekleden, zodat een min of meer natuurlijk aandoende nestholte ontstaat. De inwendige afmetingen van een dergelijke nestholte moeten ongeveer (lxbxh) 60 x 25 x 25 cm zijn, invlieggat 7 à 8 cm. Op de bodem van de nestgelegenheid een laagje houtmolm of houtsnippers aanbrengen, geen turfmolm (schimmelvorming!). Laat de nestgelegenheid het gehele jaar op dezelfde plaats zitten. Bij geschakelde binnenverblijven ondoorzichtige tussenschotten plaatsen, tussen de volières dubbel gaas gebruiken.

Regelmatig verse knaagtakken aanbieden. Elke dag zorgen voor een platte schaal met water waarin de vogels zich kunnen baden.

 

Voeding

Als basis kan men een grof zaadmengsel voor grote parkieten geven waarin de volgende zaden voorkomen: tarwe, gerst, haver, padie, rode en witte dari, witzaad, gierst, negerzaad, hennep, boekweit, saffloer- en enkele zonnebloempitten evenals maïs, de drie laatstgenoemde best in licht gekiemde toestand aanbieden. Halfrijpe kolfmaïs wordt graag opgenomen, evenals halfrijpe haver en tarwe in de aar, ook allerhande halfrijpe gras- en onkruidzaden. Verder fruit zoals appel en peer daarnaast bessensoorten van vuurdoorn, rozenbottel en lijsterbes; van de groentesoorten vooral rode wortel, sla en muur. Dagelijks eivoer (gerantsoeneerd) verstrekken.

Vers drinkwater, maagkiezel, grit en een mineralenblok moeten altijd aanwezig zijn.

In de broedtijd in principe hetzelfde voedsel verstrekken, maar ongelimiteerd eivoer geven, d.w.z. zoveel de vogels willen opnemen. Als er jongen zijn wat verse mierenpoppen onder het eivoer bijmengen.

 

Fok

Over broedresultaten met deze vogels wordt wereldwijd slechts af en toe bericht. Dat is vooral het gevolg van het feit dat de soort weinig gehouden wordt. Het meest succesvol met de nominaatvorm is de dierentuin van Chester (Engeland), waar men deze vogels in kolonieverband houdt en er al verschillende generaties van op stok heeft weten te krijgen. Er is geen zichtbaar geslachtsonderscheid, zekerheid over de aard van het geslacht kan alleen door endoscopie of een DNA-onderzoek worden aangetoond.

Om met deze vogels te fokken dient het koppel minimaal twee jaar oud te zijn, maar vaak duurt het vele jaren voordat ze tot broeden overgaan. Als alles naar wens gaat, beginnen ze vanaf april in broedstemming te komen. De eieren worden met tussenpozen van twee dagen gelegd; legselgrootte 2 tot 4 eieren, een enkele keer oplopend tot 5. De pop broedt alleen; broedduur 23 dagen. Op de leeftijd van ongeveer 14 dagen moeten de jongen geringd worden; ringmaat 7 mm. De nesttijd bedraagt ruim 7 weken. Na het uitvliegen worden ze nog geruime tijd gevoerd. Drie weken na het verlaten van de nestkast zijn ze zelfstandig.

Jonge vogels lijken op de ouders maar het rood van de kop is meestal beperkt tot enkele rode veertjes of ontbreekt nog geheel, de irisring is geel in plaats van oranjerood.

 

Mutaties

Van A. w. frontata worden gele mutanten gemeld, nadere gegevens ontbreken echter.