Aratingaís (23)

 

De voeding

 

Een van de kenmerken van levende wezens is dat ze zich voeden. Hierbij nemen ze stoffen op die ze nodig hebben om in leven te blijven, zich voort te planten en te groeien. Elk organisme is vrij sterk gespecialiseerd in zijn behoefte wat betreft de voedselvoorziening. Sommige micro-organismen leven volledig zonder organisch voedsel. Naarmate de levensvormen ingewikkelder worden, blijken ze steeds afhankelijker te worden van hun voeding ten einde de organische bouwstenen te leveren benodigd voor de opbouw van levend weefsel.

Een plant produceert uit louter kooldioxide, water en bepaalde anorganische zouten uit de bodem zijn eigen bouw- en bedrijfsstoffen. De vogels en verreweg de meeste dieren zijn hiertoe niet in staat; ze missen eenvoudig de enzymen die nodig zijn om de benodigde eiwitten, vetten en koolhydraten uit anorganisch materiaal te maken en zijn voor hun bouw- en bedrijfsstoffen direct of indirect afhankelijk van het groene plantenrijk.

Vrijwel alle dieren hebben behalve bouw- en bedrijfsstoffen nog bepaalde aanvullende voedingsstoffen nodig voor het juiste verloop van de verschillende fysiologische en psychologische processen in het organisme. Men noemt deze stoffen vitaminen. Het zijn organische verbindingen die eveneens door het plantenrijk worden opgebouwd. Vitaminen zijn in kleine hoeveelheden een werkzaam middel bij de diverse levensprocessen en komen daarom niet voor energielevering of als bouwstof in aanmerking. Gebrek of een tekort aan vitaminen uit zich in een ziektebeeld dat karakteristiek is voor de ontbrekende vitamine.

Voorts, zo heeft men proefondervindelijk vastgesteld, vervullen een groot aantal anorganische elementen een functie in het dierlijk lichaam. Ze worden onder de verzamelnaam mineralen samengevat. Mineralen zijn onmisbare bouwstoffen voor het skelet, voor groei en opbouw van nieuw te vormen en te vervangen cellen, en bouwstenen van ingewikkelde verbindingen als rode bloedkleurstof, enzymen en hormonen. Ook een chronisch tekort aan mineralen komt tot uiting in bijzondere, voor de afzonderlijke mineralen karakteristieke gebreksziekten en een algemene remming van de ontwikkeling en een vermindering van de weerstand.

Wanneer we bedenken dat ongeveer 60% van het vogellichaam uit water bestaat, dat de gewichtshoeveelheid van spieren en sommige organen voor 70 tot 80% water is en dat een verlies van 10% water tot ernstige stoornissen leidt en een verlies van ongeveer 20% tot de dood, dan is het duidelijk dat water essentieel is voor een normaal celmetabolisme en tot een wezenlijk bestanddeel van het voedselpakket behoort.

Vatten we nu de grondstoffen waaruit het voedsel moet bestaan nog eens samen: eiwitten, vetten, koolhydraten, vitaminen, mineralen en water. In een doodgewone boterham zijn al deze componenten in beperkte mate vertegenwoordigd.

De voedingsleer maakt onderscheid tussen voedingsstof en essentiŽle voedingsstof. Een voedingsstof is een chemisch definieerbaar bestanddeel van een voedingsmiddel, dat voor de instandhouding, de levensverrichtingen en de opbouw van het organisme kan worden gebruikt, onverschillig of het bestanddeel al dan niet in voldoende hoeveelheid in het metabolisme kan worden gemaakt. Een essentiŽle voedingsstof kan niet of in onvoldoende hoeveelheden in het lichaam worden gemaakt. EssentiŽle voedingsstoffen moeten dus in de vorm van voedsel aan de vogels worden verstrekt. Of een voedingsstof essentieel is, is vrij eenvoudig na te gaan. Veel gecompliceerder is het vaststellen van de voedingsbehoefte, d.w.z. hoeveel het organisme van iedere essentiŽle voedingsstof nodig heeft. Niet alleen is de voedingsbehoefte voor elk individu verschillend, ook de manier waarop de vogels gehuisvest zijn speelt hierbij een voorname rol. Zo heeft een vogel in een grote vlucht een hoger energieverbruik en dus een andere voedingsbehoefte dan een vogel die in een broedkooi gehouden wordt. Ook de broed-, rui- en rustperiode evenals het klimaat zijn van invloed bij de bepaling van de voedingsbehoefte. Sommige stoffen kunnen in het organisme opgeslagen worden, andere stoffen beÔnvloeden elkaar op chemische wijze zodat ook hier de behoefte veranderlijk is. Als we ons het vorenstaande realiseren, is het begrijpelijk dat we ons bij het samenstellen van een verantwoorde voeding moeten richten naar de gemiddelde behoefte.

 

Zaadmengsels

Om te beginnen dienen we onze vogels een kwalitatief goed zaadmengsel voor te zetten. Om zoveel mogelijk van een constante samenstelling van het zaadmengsel verzekerd te zijn, meng ik de zaden zelf. De ervaring heeft geleerd dat de meeste zaadleveranciers bepaalde zaden in de mengsels reduceren of zelfs geheel weglaten als de prijzen op de wereldmarkt daar aanleiding toe geven. Dit zou nog niet zo erg zijn als daar een vervangende zaadsoort met een gelijkwaardige samenstelling tegenover stond. In de regel wordt hier echter niet naar gekeken.

Als zaadmengsel tijdens de rustperiode meng ik de volgende zaden in de aangegeven percentages door elkaar:

24% La Plata millet

5% Senegalgierst

5% Japans millet

5% rode dari

5% grove witte dari

15% witzaad

8% boekweit

5% padi (ongepelde rijst)

8% haver (gepeld)

3% tarwe (gebroken)

2% zonnebloempitten

5% saffloerpitten

5% lijnzaad

3% hennep

2% negerzaad

Van dit mengsel zijn de eerste tien zaden, dus ruim 90%, zeer koolhydraatrijk, de overige zaden, te weten zonnebloempitten, saffloerpitten, lijnzaad, hennep en negerzaad, bijzonder vetrijk. In dit zaadmengsel zijn met uitzondering van het aminozuur lysine, alle overige essentiŽle aminozuren in voldoende mate aanwezig. Liefhebbers die hun vogels uitsluitend in kooien houden, raad ik aan het percentage vetrijke zaden iets te verlagen en de hoeveelheid La Plate millet met hetzelfde percentage te verhogen, daar anders de kans bestaat dat de vogels op den duur te vet worden.

 

Zaadmengsel gedurende de fok- en ruiperiode:

12% La Plata millet

3% Senegalgierst

3% Japans millet

2% rode dari

2% grove witte dari

30% witzaad

12% boekweit

5% padi (ongepelde rijst)

10% haver(gepeld)

2% tarwe (gebroken)

2% zonnebloempitten

5% saffloerpitten

7% lijnzaad

3% hennep

2% negerzaad

Zaadmengsel in de aanloop naar de broedperiode:

15% La Plata millet

5% Senegalgierst

5% Japans millet

4% rode dari

4% grove witte dari

20% witzaad

10% boekweit

5% padi (ongepelde rijst)

10% haver(gepeld)

3% tarwe (gebroken)

2% zonnebloempitten

5% saffloerpitten

5% lijnzaad

5% hennep

2% negerzaad

 

Zaadmengsel voor opgroeiende jongen:

15% La Plata millet

5% Senegalgierst

12% Japans millet

2% rode dari

2% grove witte dari

40% witzaad

2% boekweit

2% padi (ongepelde rijst)

6% haver(gepeld)

1% tarwe (gebroken)

2% zonnebloempitten

2% saffloerpitten

5% lijnzaad

1% hennep

3% negerzaad

†††

Het zal u niet zijn ontgaan dat in de opgegeven zaadmengsels steeds dezelfde zaadsoorten voorkomen. Dit is gedaan om ontwenning van bepaalde zaadsoorten te voorkomen. Als men namelijk een bepaalde zaadsoort gedurende een bepaalde periode in het zaadmengsel weglaat, loopt men het risico dat de vogels het niet meer willen opnemen als men het in een volgende periode weer aan de samenstelling toevoegt.

 

Zoals ik hierboven al schreef, is de voedingsbehoefte van onze vogels van veel factoren afhankelijk. Het zal - naar ik hoop - dan ook duidelijk zijn dat u de door mij opgegeven zaadmengsels niet klakkeloos kunt overnemen, zeker niet wat betreft de procentuele verhoudingen van de zaden in de mengsels. De door mij opgegeven percentages moet u zien als richtlijn. U dient ze dus zonodig aan de voedingsbehoefte van uw vogels aan te passen. Raadpleeg daarbij de tabellen 7 en 8.

Afsluiten wil ik dit gedeelte met de verschillende zaadsoorten in het kort aan u voor te stellen.

 

Fig.7

_______________________________________________________________†††††††††††††††

††††††††††††††††††††††††† Gemiddelde waarde in procenten_______

Zaadsoort†††††† re†† rvet†† rc††† ok††† as†† vocht††† Ca†††† P

_______________________________________________________________

Witzaad††††††† 15,1†† 6,1†† 5,356,0†† 4,7†† 12,8†† 0,050,55

Senegalgierst11,1†† 3,7†† 8,959,8†† 3,8†† 12,7†† 0,030,32

Plata millet†† 11,1†† 3,7†† 8,959,8†† 3,8†† 12,7†† 0,030,32

Japanse millet 11,1†† 3,7†† 8,959,8†† 3,8†† 12,7†† 0,030,32

Dari†††††††††† 10,2†† 3,2†† 2,069,6†† 1,9†† 13,1†† 0,030,32

Boekweit†††††† 11,5†† 2,410,857,8†† 2,4†† 15,1†† 0,040,30

Haver (gepeld) 13,9†† 8,0†† 1,564,2†† 1,8†† 10,6†† 0,090,41

Padi††††††††††† 7,1†† 2,110,064,1†† 5,1†† 11,6†† 0,060,21

Hennep†††††††† 19,532,116,918,0†† 4,8††† 8,7†† 0,810,76

Sesamzaad††††† 20,950,0†† 4,513,6†† 5,4†† 5,6†† 1,300,72

Zonnepitten††† 14,929,826,917,5†† 3,1††† 7,8†† 0,180,45

Saffloorzaad†† 14,327,831,216,5†† 3,0††† 7,2

Lijnzaad†††††† 21,534,2†† 7,322,3†† 5,3††† 9,4†† 0,230,66

Negerzaad††††† 20,742,213,513,1†† 3,9††† 6,6†† 0,430,65

 

 

Fig.8

†††††††††††††††††

Aminozuurpercentage in het eiwit

_______________________________________________________________________

††††††††††††† 3,87,0 5,0 2,0 1,6 3,6 3,5 3,0 6,5 3,5 1,0 4,35,0 2,0

_______________________________________________________________________

Zaadsoort†††† isoleu lys met cys m+c fen tyr f+t thr try valarg his

_______________________________________________________________________

Witzaad†††††† 4,06,6 2,0 1,3†††††††† 5,4 2,3 7,7 2,3 1,9 3,45,1 2,1

Senegalgierst 4,0 11,5 1,8 2,7 1,8 4,5 5,3 3,7 9,0 3,1 1,2 5,43,7 2,1

Plata millet4,0 11,5 1,8 2,7 1,8 4,5 5,3 3,7 9,0 3,1 1,2 5,43,7 2,1

Dari††††††††† 4,2 13,2 2,3 1,7 1,8 3,5 4,9 4,2 9,1 3,4 1,2 5,24,1 2,1

Japanse mil.4,6 11,6 1,7 1,8 2,8 4,6 5,8 2,4 8,2 3,7 1,0 6,23,7 1,9

Boekweit††††† 4,06,3 5,4 1,9 2,4 4,3 4,6 3,0 7,6 3,9 1,7 5,49,4 2,4

Haver†††††††† 3,97,0 3,6 1,5 2,5 4,0 4,8 3,6 8,4 3,4 1,3 5,46,5 2,1

Tarwe†††††††† 3,86,8 2,9 1,7 2,3 4,0 4,5 3,1 7,6 3,1 1,1 4,74,8 2,2

Padi††††††††† 3,87,0 4,7 2,0 2,0 4,0 4,5 3,8 8,3 4,0 1,0 6,07,9 2,5

Hennepzaad††† 4,47,7 2,7 2,2†††††††† 5,8†††††††† 3,8 1,5 6,35,0 3,9

Saffloorzaad4,87,3 3,7 1,1 1,6 2,7 4,2 2,8 7,0 3,6†††† 5,7 10,1 2,8

Zonnepitten†† 4,46,5 3,4 2,2 1,7 3,9 4,5 2,6 7,1 3,6 1,4 5,08,1 2,4

Lijnzaad††††† 4,36,0 3,7 2,0 1,9 3,9 4,6 2,7 7,3 3,8 1,8 5,29,1 2,1

Negerzaad†††† 4,36,2 3,7 2,1 2,2 4,3 4,3 2,5 6,8 3,5 1,5 5,48,5 2,2

 

 

 

Witzaad

Witzaad wordt ook wel kanariezaad genoemd. Het behoort naast de verschillende milletsoorten tot het meest gebruikte zaad in voliŤremengsels. Witzaad is een aan beide uiteinden puntige zaadsoort met bruine zaadkern. Het witzaad behoort tot de familie van de grassen. Het wordt voornamelijk verbouwd in de USA, ArgentiniŽ, Canada, Zuid- en Oost-Europa en in Marokko.

Het beste witzaad komt uit Marokko. Witzaad bevat een hoog eiwitpercentage. Het is rijk aan leucine, arginine en tryptofaan, daarentegen is het arm aan lysine en ontbreekt het aminozuur cystine geheel.

De prijzen voor witzaad zijn sterk fluctuerend. Wanneer men over een goede opslagruimte beschikt, is het raadzaam een voorraadje in te slaan als de prijs gunstig is.

 

Senegalgierst

Onder deze naam wordt tegenwoordig het uit ArgentiniŽ afkomstige mannazaad (Argentijns geel mohair) verkocht. Het eigenlijke Senegalgierst is al jaren niet verkrijgbaar. Deze kleinkorrelige ronde gierstsoort wordt door agaporniden graag gegeten. De zaden bevatten een redelijk eiwitpercentage en zijn rijk aan de aminozuren leucine en fenylalanine, maar arm aan lysine, arginine en threonine. De andere aminozuren zijn redelijk goed vertegenwoordigd.

 

La Plata millet

Deze milletsoort is qua korrel iets grover dan mannazaad, doch iets kleiner dan het bekende witte millet. Hoewel de vogelliefhebber duidelijk verschil maakt tussen giersten en milletsoorten, behoren ze wetenschappelijk gezien alle tot de korrelgewassen (Gramineaue).

Het aminozuurpatroon van deze milletsoort komt overeen met dat van gierst.

 

Japans millet

Hoe men aan deze naam gekomen is, is niet duidelijk. Japans millet komt namelijk niet uit Japan, maar uit AustraliŽ. De korrel van deze milletsoort is ietwat hoekig. De kleur van het zaad is grijsachtig lichtbruin en doet wat smoezelig aan. Het wordt door de vogels echter graag gegeten. Japans millet is rijk aan de aminozuren leucine, cystine, fenylalanine en valine en arm aan lysine, arginine, methionine, tryptofaan en histidine.

Japans millet behoort tot de duurdere milletsoorten.

 

Dari

Dari, ook wel sorghum, milo, kaffer- of negerkoren genoemd, is een graansoort die tot de gierstsoorten wordt gerekend. Dari heeft de grootte van hennepzaad. Het zaad is afkomstig uit de warme streken van AustraliŽ, AziŽ, Afrika en Zuid-Amerika.

Men onderscheidt drie soorten: witte, gele en roodbruine dari. Opvallend is dat men meer waarde aan de lichtgekleurde dan aan de roodbruin gekleurde dari toekent. Wat voedingswaarde betreft is er namelijk geen enkel verschil. Bovendien wordt de roodbruine dari door agaporniden goed opgenomen. Dari kan met zijn zetmeelgehalte wedijveren met tarwe. Het zaad heeft een gunstig aminozuurpatroon. Het eiwit in dari heeft een buitengewoon hoog leucinegehalte.

 

Boekweit

Boekweit is geen zaad maar een vrucht. Het is grijsachtig bruin van kleur en min of meer driekantig van vorm. Van oorsprong is het een Aziatisch gewas. Tegenwoordig komt veel boekweit uit BraziliŽ, Canada en China, maar ook in Nederland wordt het op kleine schaal verbouwd. Boekweit is een goede eiwitbron en bezit een laag vetpercentage. De koolhydraten bestaan uit zetmeel en een weinig suiker. Boekweit is rijk aan de aminozuren arginine en lysine. Het wordt door agaporniden graag gegeten.

 

Haver

Haver wordt vrijwel overal in Nederland verbouwd. Het is een algemeen bekende graansoort. Gepelde haver wordt verkregen door de haver van het kaf te ontdoen. Het wordt in vrijwel alle zaadmengsels voor parkietachtigen gebruikt. Als vogelvoeding heeft het dan ook een goede naam met een uitstekend gehalte aan zetmeel, eiwitten en vet. Haver is arm aan lysine, maar bevat veel arginine, vitamine B, vitamine E, kalium en fosfor.

 

Tarwe

Ook tarwe is een algemeen bekende graansoort. Het wordt in Nederland dan ook vrijwel overal verbouwd. Tarwe heeft een zetmeelgehalte van bijna 70 procent. De kiem van tarwe bevat veel essentiŽle aminozuren en is rijk aan vitamine E. Tarwe is arm aan lysine.

 

Padi

Padi is niets anders dan ongepelde rijst. Voor meer dan de helft van de wereldbevolking is het de voornaamste voedselbron. Het wordt vooral in AziŽ en Amerika verbouwd. Ook in ItaliŽ en Zuid-Frankrijk wordt het tegenwoordig op bescheiden schaal verbouwd. Padi is arm aan vet. Het bevat veel arginine terwijl het lysinegehalte in het eiwit redelijk is.

 

Hennep

Hennep is een uit Midden-AziŽ afkomstige eenjarige vezelplant. Zijn bastvezels worden verwerkt tot pakgaren, scheepstouw en grove weefsels, zijn zaden dienen o.a. tot vogelvoer.

Daar uit de hars van de hennepbloem hasj gewonnen wordt, is het in Nederland verboden hennep uit te zaaien. De zaadjes hebben een bruinachtige kleur. De door ons gebruikte hennep wordt ingevoerd uit Rusland, China, Chili en Libanon. Ook in Frankrijk wordt hennep verbouwd. Hennep is bijzonder vetrijk en eiwitrijk. Het leucine- en valine-gehalte in het eiwit is hoog, daarentegen ontbreken de aminozuren cystine en tyrosine geheel.†††††††††††††††††††††††

†††††††††††††††††††††††††††††

Zonnebloempitten

De zonnebloem behoort tot de familie der samengesteldbloemigen en komt van oorsprong uit Noord-Amerika. De grote bloeiwijzen van de 2-3 m hoge planten zijn omgeven door gele randbloemen en erg gewild als sierplant. Behalve dat worden zonnebloemen ook om de oliehoudende zaden verbouwd. Er zijn verschillende soorten pitten: witte, zwarte, grijs gestreepte en zwart gestreepte. De witte pitten komen uit Kenia en Egypte, de zwarte uit Amerika, de gestreepte uit o.a. ArgentiniŽ, Canada, Hongarije en China. Wat betreft de voedingswaarde is ertussen de verschillend gekleurde zonnebloemzaden geen verschil.

Het zaad van de zonnebloem behoort tot de vetrijke zaden. Het eiwit is rijk aan het aminozuur arginine.

 

Saffloerpitten

Dit zaad wordt ook wel kardizaad genoemd. Saffloer wordt gerekend tot de distelachtigen. De driekantige vorm van de pitten laten dit ook wel zien. Het wordt voornamelijk verbouwd in de USA. Saffloerpitten behoren tot de vetrijke zaden. Het aminozuurpatroon van het zaad is vrij gunstig, vooral het argininegehalte is hoog. Het zaad is echter arm aan lysine en methionine + cystine, terwijl het aminozuur tryptofaan geheel ontbreekt.

 

Lijnzaad

Lijnzaad is afkomstig van de vlasplant en behoort tot de oliehoudende zaden. Het zaad heeft een gunstig aminozuurpatroon, vooral het argininegehalte is hoog. Lijnzaad is arm aan lysine.

 

Negerzaad

De juiste benaming voor deze zaadsoort is eigenlijk nigerzaad. Het is een wat onkruidachtig aandoende plant met een distelachtige bloeiwijze en zaadvorming. De zaadjes zijn grijszwart gekleurd. Negerzaad wordt voornamelijk in EthiopiŽ verbouwd, daarnaast ook in India. Het zaad is bijzonder vetrijk en eiwitrijk en heeft een gunstig aminozuurpatroon. Daarnaast bevat negerzaad behoorlijke hoeveelheden calcium, fosfor en mangaan.

 

Aanvullende voeding

Zoals bekend, is een zaadmengsel allťťn onvoldoende. Zelf verstrek ik het gehele jaar door een in de handel verkrijgbaar eivoer waaraan een extra dosis methionine en lysine is toegevoegd. In de broed-, opfok- en ruiperiode geef ik dit ongelimiteerd, d.w.z. zoveel de vogels willen opnemen. In de broedtijd is de hoeveelheid natuurlijk sterk afhankelijk van het aantal jongen, maar komt in de praktijk neer op ongeveer 25% van het dagrantsoen. In de zgn. rustperiode geef ik hetzelfde eivoer, doch sterk gerantsoeneerd. Daarnaast verstrek ik dagelijks een weinig groen of een kleine gift licht gekiemde granen als tarwe, haver, gerst, dari alsook mungobonen. De vogels in de broedkooien en de pas uitgevlogen jongen krijgen steeds in melk geweekt oud brood. Ook buiten het broedseizoen geef ik het wel eens voor de afwisseling. Mijn vogels nemen dit met graagte op en dit geeft mij tevens de mogelijkheid, indien nodig, hierbij medicijnen e.d. te geven.

De meeste agaporniden nemen af en toe graag een paar meelwormen. Zo niet, tracht uw vogels er dan aan te wennen. Vooral in de broedperiode, als er jongen zijn, vormt dit dierlijke eiwit een welkome aanvulling van het eivoer.

 

Eivoer

Eivoer dient als aanvulling van groeistoffen, zoals aminozuren, vitaminen, mineralen en sporenelementen, die in het zaadmengsel ontbreken. Het is dus zaak dat het eivoer dat we gebruiken, de noodzakelijke aanvullingen op het zaadmengsel ook daadwerkelijk bevat. De in de dierenspeciaalzaken verkrijgbare eivoeders zijn vaak nogal verschillend van samenstelling, waarbij ook de eiwitgehaltes sterk uiteenlopen. Ofschoon het eiwitgehalte in eivoer een niet te verwaarlozen factor is, is vooral het aminozuurpatroon van belang. Nog te veel fokkers gaan uitsluitend af op een hoog eiwitgehalte als bepalende factor voor een juiste voeding. Deze zienswijze is onjuist. Een teveel aan voedingseiwitten kan verteringsstoornissen waaronder darmstoornissen veroorzaken. De verteerbaarheid wordt dan ongunstig beÔnvloed. Een gunstig aminozuurpatroon is zonder meer noodzakelijk. Aminozuren zijn immers de bouwstenen om eiwitten te vormen. Een tekort aan een bepaald aminozuur kan de vorming van lichaamseigen eiwitten in de weg staan. Fabrikanten, die van de kwaliteit van hun product overtuigd zijn, geven op de verpakking niet alleen een beschrijving van de inhoud, maar ook een duidelijke analyse. Daarnaast vermelden ze op de verpakking ook de productiedatum of de datum tot wanneer het product wordt gegarandeerd. Een groot nadeel van onverpakte eivoeders is, dat een analyse van het product veelal ontbreekt en de productiedatum niet te achterhalen is.

 

Gekiemd zaad

De meeste vogelhouders hechten buitengewoon veel waarde aan gekiemd zaad. Tot op zekere hoogte is dat terecht. Gekiemd zaad is een waardevol groenvoer, licht verteerbaar en rijk aan vitaminen, maar ook niet meer dan dat. Elke hogere waardering is een overwaardering. Als we het nuchter bekijken, is dat ook wel in te zien.

Gewoon zaad bevat ongeveer 12% vocht. Wanneer we nu dat zaad een paar dagen in het water leggen om te kiemen loopt het vochtgehalte op tot ongeveer 90%. Water, en zeker leidingwater, bevat nauwelijks voedingsstoffen. Het is daarom niet logisch om aan met water verzadigd zaad een hogere voedingswaarde toe te kennen dan aan gewoon droog zaad. Integendeel, hoe hoger het vochtpercentage in het voer is, des te lager de voedingswaarde van het voer wordt. Door het kiemproces wordt bovendien energie verbruikt waarbij voedingsstofverliezen tot 25% kunnen ontstaan. Geen sprake dus van kwaliteitsverhoging ten aanzien van de voedingsstoffen.

Een waarschuwing is nodig tegen het verstrekken van ongelimiteerde hoeveelheden gekiemd zaad en de onjuiste behandeling van te kiemen zaad. Verkeerd kiemen kan soms tot vergiftigingsverschijnselen (nitrietvergiftiging) leiden. Dit laatste behoeft nadere uitleg.

†††††††††††††††††††††††††††

Tijdens het normale kiemproces, dus wanneer zaad op de akker wordt uitgezaaid, neemt de plant in wording behalve water ook voedingstoffen uit de bodem op. De belangrijkste voedingsstof voor planten is nitraat. Meststof uit de bodem wordt door nitrietbacteriŽn omgezet in nitriet, vervolgens zetten nitraatbacteriŽn dit nitriet om in nitraat. Een laag nitraatgehalte in de bodem resulteert in een laag, een hoog nitraatgehalte in de bodem resulteert in een hoog nitraatgehalte in het daarop groeiende product. Planten en dus ook hun zaden hebben steeds een bepaald nitraatgehalte. Nitraten zijn echter niet giftig. Dat verandert als nitraat omgezet wordt in nitriet. De omzetting van nitraat in nitriet is een onderdeel van de stikstofkringloop bij planten. Onder bepaalde voorwaarden kan in planten en zaden nitraat - uit nitriet verkregen - weer in nitriet omgezet worden. Het nitriet komt terug in de bodem en wordt daar door nitraatbacteriŽn opnieuw omgezet in nitraat en door dezelfde plant weer als voedsel opgenomen. Er is dus sprake van een kringloop. Kiemen we nu zaad in water, dan kan nitriet in het water komen zonder door nitraatbacteriŽn weer omgezet te worden in nitraat. Het kringloopproces eindigt letterlijk in het water. De mogelijkheid is dan aanwezig dat er een giftig mengsel ontstaat. Het onder ongunstige omstandigheden laten kiemen van zaad, zoals bijvoorbeeld het kiemen in warm water, kiemen op een verwarmde ondergrond en onvoldoende spoelen van het te kiemen zaad, verhoogt de kans op nitrietvergiftiging. Wanneer u echter met deze zaken rekening houdt en er naar handelt en daarnaast uw vogels slechts kleine hoeveelheden gekiemd zaad verstrekt, hoeft u voor ongewenste verschijnselen niet bang te zijn.

 

 

Groenvoer

Over de waarde van groenvoer en de verstrekking ervan aan onze vogels wordt in het wereldje van vogelfokkers verschillend gedacht. Persoonlijk vind ik het een goede zaak, naast een weinig gekiemd zaad ook regelmatig wat groenvoer te geven en dat niet alleen omdat de vogels het graag opnemen, maar vooral om de vitaminen, mineralen en sporenelementen die het bevat.

Naast sla, andijvie, peterselie, wortel en allerhande soorten fruit als appel, peer, pruim en druif, komen nog een hele reeks wilde planten in aanmerking. Groenvoeders en onkruidzaden, die door agaporniden graag gegeten worden zijn: vogelmuur, paardebloem, duizendblad, grote weegbree, smalle weegbree, perzikkruid, uitstaande melde, veldzuring, ridderzuring, herderstasje, kruiskruid, bijvoet en allerlei grassen. Naast genoemde onkruiden zijn halfrijpe haver en tarwe in de aar en verse maÔskolven uitstekende groenvoeders. Ook rozenbottels en lijsterbessen worden veelal graag genomen. Wist u overigens dat u halfrijpe kolfmaÔs, rozenbottels en lijsterbessen in de diepvrieskist uitstekend kunt bewaren?

 

Knaagtakken

Verse takken en twijgen o.a. van wilgen en fruitbomen dienen eigenlijk het gehele jaar door aanwezig te zijn. Dus ook als de vogels deze niet per se nodig hebben voor de nestbouw. Behalve de bladknoppen, die de vogels helemaal opeten, knabbelen ze graag aan de verse schors. De schors bevat naast cellulose een rijke verscheidenheid aan mineralen en sporenelementen.

 

Grit, sepia, scherpe maagkiezel

Het is noodzakelijk dat de vogels steeds over grit, sepia en scherpe maagkiezel kunnen beschikken. De eerste twee zorgen voor de aanvoer van calcium, dat o.a. benodigd is voor de opbouw en instandhouding van het beenderengestel en de vorming van de eischaal. Omdat calcium alleen door het vogellichaam benut kan worden in combinatie met vitamine D3 en zaden geen vitamine D3 bevatten, dient vitamine D3 in het eivoer aanwezig te zijn.

Het zelf verstrekken van vitamine D druppels moet worden ontraden omdat de vogelhouder niet kan bepalen hoeveel de vogel aan vitamine D nodig heeft. Een overdosis gedurende langere tijd zal leiden tot ontkalking van het skelet. In de bekende merkeivoeders is het vitamine D3 exact gedoseerd.

 

Sepia bevat behalve veel kalk en zouten en een geringe hoeveelheid eiwit, een grote verscheidenheid aan mineralen en essentiŽle sporenelementen: ruim 1% magnesium, 0,1% mangaan, minder dan 0,01% silicium, ijzer, koper, nikkel, chroom, vanadium, zink en molybdeen.

 

Scherpe maagkiezel bezit geen voedingswaarde, maar moet meer gezien worden als een hulpstof. De scherpe steentjes kunnen als de kiezen van de vogel worden beschouwd. Ze kneuzen de gepelde zaden in de spiermaag, vergroten daardoor het oppervlak van de zaden en geven de verteringssappen de kans om optimaal hun werk te doen, wat de algehele vertering van het voedsel ten goede komt.

 

Water

Aratingaís drinken op enkele uitzonderingen na vrij veel. Fris water dient dus altijd ter beschikking te staan. Het aangeboden water moet van drinkwaterkwaliteit zijn, d.w.z. uit de kraan en elke dag vers. Omdat verontreinigd drinkwater als een potentiŽle ziekte-overbrenger kan worden beschouwd, moet bijzondere aandacht worden besteed aan de waterhygiŽne. Open drinkbakken zijn snel verontreinigd, vooral door ontlasting. De bekende drinkwaterfonteintjes kunnen eveneens gemakkelijk verontreinigd worden. Watermonsters uit drinkfonteintjes blijken al na 24 uur ongelooflijke hoeveelheden ziekte verwekkende micro-organismen te bevatten. Na 48 uur is het aantal micro-organismen in het water dermate toegenomen dat het de gezondheid van de vogels in zeer ernstige mate bedreigt. Het gezondheidsrisico dat vogels lopen door van twee dagen oud water uit open drinkbakken te drinken, is eenvoudig af te leiden uit het voorafgaande en absoluut onaanvaardbaar te noemen.