Aratinga’s (23)
De voeding
Een van de
kenmerken van levende wezens is dat ze zich voeden. Hierbij nemen ze stoffen op
die ze nodig hebben om in leven te blijven, zich voort te planten en te
groeien. Elk organisme is vrij sterk gespecialiseerd in
zijn behoefte wat betreft de voedselvoorziening. Sommige micro-organismen leven
volledig zonder organisch voedsel. Naarmate de levensvormen ingewikkelder
worden, blijken ze steeds afhankelijker te worden van hun voeding ten einde de
organische bouwstenen te leveren benodigd voor de opbouw van levend weefsel.
Een plant
produceert uit louter kooldioxide, water en bepaalde anorganische zouten uit de
bodem zijn eigen bouw- en bedrijfsstoffen. De vogels en verreweg de meeste
dieren zijn hiertoe niet in staat; ze missen eenvoudig de enzymen die nodig
zijn om de benodigde eiwitten, vetten en koolhydraten uit anorganisch materiaal
te maken en zijn voor hun bouw- en bedrijfsstoffen direct of indirect
afhankelijk van het groene plantenrijk.
Vrijwel
alle dieren hebben behalve bouw- en bedrijfsstoffen nog bepaalde aanvullende
voedingsstoffen nodig voor het juiste verloop van de verschillende
fysiologische en psychologische processen in het organisme. Men noemt deze
stoffen vitaminen. Het zijn organische verbindingen die eveneens door het
plantenrijk worden opgebouwd. Vitaminen zijn in kleine hoeveelheden een
werkzaam middel bij de diverse levensprocessen en komen daarom niet voor
energielevering of als bouwstof in aanmerking. Gebrek of een tekort aan
vitaminen uit zich in een ziektebeeld dat karakteristiek is voor de ontbrekende
vitamine.
Voorts, zo
heeft men proefondervindelijk vastgesteld, vervullen een groot aantal
anorganische elementen een functie in het dierlijk
lichaam. Ze worden onder de verzamelnaam mineralen samengevat. Mineralen zijn
onmisbare bouwstoffen voor het skelet, voor groei en opbouw van nieuw te vormen
en te vervangen cellen, en bouwstenen van ingewikkelde verbindingen als rode
bloedkleurstof, enzymen en hormonen. Ook een chronisch tekort aan mineralen
komt tot uiting in bijzondere, voor de afzonderlijke mineralen karakteristieke
gebreksziekten en een algemene remming van de ontwikkeling en een vermindering
van de weerstand.
Wanneer we
bedenken dat ongeveer 60% van het vogellichaam uit water bestaat, dat de
gewichtshoeveelheid van spieren en sommige organen voor 70 tot 80% water is en
dat een verlies van 10% water tot ernstige stoornissen leidt en een verlies van
ongeveer 20% tot de dood, dan is het duidelijk dat water essentieel is voor een
normaal celmetabolisme en tot een wezenlijk bestanddeel van het voedselpakket
behoort.
Vatten we
nu de grondstoffen waaruit het voedsel moet bestaan nog eens samen: eiwitten,
vetten, koolhydraten, vitaminen, mineralen en water. In een doodgewone boterham
zijn al deze componenten in beperkte mate
vertegenwoordigd.
De
voedingsleer maakt onderscheid tussen voedingsstof en essentiële voedingsstof.
Een voedingsstof is een chemisch definieerbaar bestanddeel van een
voedingsmiddel, dat voor de instandhouding, de levensverrichtingen en de opbouw
van het organisme kan worden gebruikt, onverschillig of het bestanddeel al dan
niet in voldoende hoeveelheid in het metabolisme kan worden gemaakt. Een
essentiële voedingsstof kan niet of in onvoldoende hoeveelheden in het lichaam
worden gemaakt. Essentiële voedingsstoffen moeten dus in de vorm van voedsel
aan de vogels worden verstrekt. Of een voedingsstof essentieel is, is vrij
eenvoudig na te gaan. Veel gecompliceerder is het vaststellen van de
voedingsbehoefte, d.w.z. hoeveel het organisme van iedere essentiële
voedingsstof nodig heeft. Niet alleen is de voedingsbehoefte voor elk individu
verschillend, ook de manier waarop de vogels gehuisvest zijn speelt hierbij een
voorname rol. Zo heeft een vogel in een grote vlucht een hoger energieverbruik
en dus een andere voedingsbehoefte dan een vogel die in een broedkooi gehouden
wordt. Ook de broed-, rui- en rustperiode evenals het klimaat zijn van invloed bij de bepaling van de voedingsbehoefte.
Sommige stoffen kunnen in het organisme opgeslagen worden, andere stoffen
beïnvloeden elkaar op chemische wijze zodat ook hier de behoefte veranderlijk
is. Als we ons het vorenstaande realiseren, is het begrijpelijk dat we ons bij
het samenstellen van een verantwoorde voeding moeten richten naar de gemiddelde
behoefte.
Zaadmengsels
Om te
beginnen dienen we onze vogels een kwalitatief goed zaadmengsel voor te zetten.
Om zoveel mogelijk van een constante samenstelling van het zaadmengsel
verzekerd te zijn, meng ik de zaden zelf. De ervaring heeft geleerd dat de
meeste zaadleveranciers bepaalde zaden in de mengsels reduceren of zelfs geheel
weglaten als de prijzen op de wereldmarkt daar aanleiding toe geven. Dit zou
nog niet zo erg zijn als daar een vervangende zaadsoort met een gelijkwaardige
samenstelling tegenover stond. In de regel wordt hier echter niet naar gekeken.
Als
zaadmengsel tijdens de rustperiode meng ik de volgende zaden in de aangegeven
percentages door elkaar:
24% La Plata millet
5% Senegalgierst
5% Japans millet
5% rode dari
5% grove witte dari
15% witzaad
8% boekweit
5% padi (ongepelde rijst)
8% haver (gepeld)
3% tarwe (gebroken)
2% zonnebloempitten
5% saffloerpitten
5% lijnzaad
3% hennep
2% negerzaad
Van dit
mengsel zijn de eerste tien zaden, dus ruim 90%, zeer koolhydraatrijk, de
overige zaden, te weten zonnebloempitten, saffloerpitten, lijnzaad, hennep en
negerzaad, bijzonder vetrijk. In dit zaadmengsel zijn met uitzondering van het
aminozuur lysine, alle overige essentiële aminozuren in voldoende mate
aanwezig. Liefhebbers die hun vogels uitsluitend in kooien houden, raad ik aan
het percentage vetrijke zaden iets te verlagen en de hoeveelheid La Plate
millet met hetzelfde percentage te verhogen, daar anders de kans bestaat dat de
vogels op den duur te vet worden.
Zaadmengsel
gedurende de fok- en ruiperiode:
12% La Plata millet
3% Senegalgierst
3% Japans millet
2% rode dari
2% grove witte dari
30% witzaad
12%
boekweit
5% padi (ongepelde rijst)
10%
haver(gepeld)
2% tarwe (gebroken)
2% zonnebloempitten
5% saffloerpitten
7% lijnzaad
3% hennep
2% negerzaad
Zaadmengsel
in de aanloop naar de broedperiode:
15% La Plata millet
5% Senegalgierst
5% Japans millet
4% rode dari
4% grove witte dari
20% witzaad
10%
boekweit
5% padi (ongepelde rijst)
10%
haver(gepeld)
3% tarwe (gebroken)
2% zonnebloempitten
5% saffloerpitten
5% lijnzaad
5% hennep
2% negerzaad
Zaadmengsel
voor opgroeiende jongen:
15% La Plata millet
5% Senegalgierst
12% Japans millet
2% rode dari
2% grove witte dari
40% witzaad
2% boekweit
2% padi (ongepelde rijst)
6% haver(gepeld)
1% tarwe (gebroken)
2% zonnebloempitten
2% saffloerpitten
5% lijnzaad
1% hennep
3% negerzaad
Het zal u
niet zijn ontgaan dat in de opgegeven zaadmengsels steeds dezelfde zaadsoorten
voorkomen. Dit is gedaan om ontwenning van bepaalde zaadsoorten te voorkomen.
Als men namelijk een bepaalde zaadsoort gedurende een bepaalde periode in het
zaadmengsel weglaat, loopt men het risico dat de vogels het niet meer willen
opnemen als men het in een volgende periode weer aan de samenstelling toevoegt.
Zoals ik
hierboven al schreef, is de voedingsbehoefte van onze vogels van veel factoren
afhankelijk. Het zal - naar ik hoop - dan ook
duidelijk zijn dat u de door mij opgegeven zaadmengsels niet klakkeloos kunt
overnemen, zeker niet wat betreft de procentuele verhoudingen van de zaden in
de mengsels. De door mij opgegeven percentages moet u zien als richtlijn. U
dient ze dus zonodig aan de voedingsbehoefte van uw vogels aan te passen.
Raadpleeg daarbij de tabellen 7 en 8.
Afsluiten
wil ik dit gedeelte met de verschillende zaadsoorten in het kort aan u voor te
stellen.
Fig.7
_______________________________________________________________
Gemiddelde waarde in procenten_______
Zaadsoort re
rvet rc ok
as vocht Ca P
_______________________________________________________________
Witzaad 15,1
6,1 5,3 56,0
4,7 12,8 0,05 0,55
Senegalgierst 11,1
3,7 8,9 59,8
3,8 12,7 0,03 0,32
Plata millet 11,1
3,7 8,9 59,8
3,8 12,7 0,03 0,32
Japanse millet 11,1 3,7
8,9 59,8 3,8
12,7 0,03 0,32
Dari 10,2 3,2
2,0 69,6 1,9
13,1 0,03 0,32
Boekweit 11,5
2,4 10,8 57,8
2,4 15,1 0,04 0,30
Haver (gepeld) 13,9 8,0
1,5 64,2 1,8
10,6 0,09 0,41
Padi 7,1 2,1
10,0 64,1 5,1
11,6 0,06 0,21
Hennep 19,5
32,1 16,9 18,0
4,8 8,7 0,81 0,76
Sesamzaad 20,9
50,0 4,5 13,6
5,4 5,6 1,30 0,72
Zonnepitten 14,9
29,8 26,9 17,5
3,1 7,8 0,18 0,45
Saffloorzaad 14,3
27,8 31,2 16,5
3,0 7,2
Lijnzaad 21,5
34,2 7,3 22,3
5,3 9,4 0,23 0,66
Negerzaad 20,7
42,2 13,5 13,1
3,9 6,6 0,43 0,65
Fig.8
Aminozuurpercentage in
het eiwit
_______________________________________________________________________
3,8 7,0 5,0 2,0 1,6 3,6 3,5 3,0 6,5 3,5 1,0 4,3 5,0 2,0
_______________________________________________________________________
Zaadsoort iso leu lys met cys m+c fen tyr f+t thr
try val arg his
_______________________________________________________________________
Witzaad 4,0 6,6 2,0 1,3 5,4 2,3 7,7 2,3 1,9 3,4 5,1 2,1
Senegalgierst 4,0 11,5 1,8 2,7 1,8 4,5 5,3 3,7 9,0 3,1 1,2 5,4 3,7 2,1
Plata millet 4,0 11,5 1,8 2,7 1,8
4,5 5,3 3,7 9,0 3,1 1,2 5,4 3,7 2,1
Dari 4,2 13,2 2,3 1,7 1,8
3,5 4,9 4,2 9,1 3,4 1,2 5,2 4,1 2,1
Japanse mil. 4,6 11,6 1,7 1,8
2,8 4,6 5,8 2,4 8,2 3,7 1,0 6,2 3,7 1,9
Boekweit 4,0
6,3 5,4 1,9 2,4 4,3 4,6 3,0 7,6 3,9 1,7 5,4 9,4 2,4
Haver 3,9
7,0 3,6 1,5 2,5 4,0 4,8 3,6 8,4 3,4 1,3 5,4 6,5 2,1
Tarwe 3,8
6,8 2,9 1,7 2,3 4,0 4,5 3,1 7,6 3,1 1,1 4,7 4,8 2,2
Padi 3,8
7,0 4,7 2,0 2,0 4,0 4,5 3,8 8,3 4,0 1,0 6,0 7,9 2,5
Hennepzaad 4,4
7,7 2,7 2,2 5,8 3,8 1,5 6,3 5,0 3,9
Saffloorzaad 4,8
7,3 3,7 1,1 1,6 2,7 4,2 2,8 7,0 3,6 5,7 10,1 2,8
Zonnepitten 4,4
6,5 3,4 2,2 1,7 3,9 4,5 2,6 7,1 3,6 1,4 5,0 8,1 2,4
Lijnzaad 4,3
6,0 3,7 2,0 1,9 3,9 4,6 2,7 7,3 3,8 1,8 5,2 9,1 2,1
Negerzaad 4,3
6,2 3,7 2,1 2,2 4,3 4,3 2,5 6,8 3,5 1,5 5,4 8,5 2,2
Witzaad
Witzaad wordt
ook wel kanariezaad genoemd. Het behoort naast de verschillende milletsoorten
tot het meest gebruikte zaad in volièremengsels. Witzaad is een
aan beide uiteinden puntige zaadsoort met bruine zaadkern. Het witzaad behoort
tot de familie van de grassen. Het wordt voornamelijk verbouwd in de USA,
Argentinië, Canada, Zuid- en Oost-Europa en in Marokko.
Het beste
witzaad komt uit Marokko. Witzaad bevat een hoog eiwitpercentage. Het is rijk
aan leucine, arginine en tryptofaan, daarentegen is
het arm aan lysine en ontbreekt het aminozuur cystine geheel.
De prijzen
voor witzaad zijn sterk fluctuerend. Wanneer men over een goede opslagruimte
beschikt, is het raadzaam een voorraadje in te slaan als de prijs gunstig is.
Senegalgierst
Onder deze
naam wordt tegenwoordig het uit Argentinië afkomstige mannazaad (Argentijns
geel mohair) verkocht. Het eigenlijke Senegalgierst is al jaren niet
verkrijgbaar. Deze kleinkorrelige ronde gierstsoort wordt door agaporniden
graag gegeten. De zaden bevatten een redelijk eiwitpercentage en zijn rijk aan
de aminozuren leucine en fenylalanine, maar arm aan lysine, arginine en
threonine. De andere aminozuren zijn redelijk goed vertegenwoordigd.
La
Plata millet
Deze
milletsoort is qua korrel iets grover dan mannazaad, doch iets kleiner dan het
bekende witte millet. Hoewel de vogelliefhebber duidelijk verschil maakt tussen
giersten en milletsoorten, behoren ze wetenschappelijk gezien alle tot de
korrelgewassen (Gramineaue).
Het
aminozuurpatroon van deze milletsoort komt overeen met dat van gierst.
Japans
millet
Hoe men aan
deze naam gekomen is, is niet duidelijk. Japans millet
komt namelijk niet uit Japan, maar uit Australië. De korrel van deze
milletsoort is ietwat hoekig. De kleur van het zaad is grijsachtig lichtbruin
en doet wat smoezelig aan. Het wordt door de vogels echter graag gegeten.
Japans millet is rijk aan de aminozuren leucine,
cystine, fenylalanine en valine en arm aan lysine, arginine, methionine,
tryptofaan en histidine.
Japans millet behoort tot de duurdere milletsoorten.
Dari
Dari, ook
wel sorghum, milo, kaffer- of negerkoren genoemd, is
een graansoort die tot de gierstsoorten wordt gerekend. Dari heeft de grootte
van hennepzaad. Het zaad is afkomstig uit de warme streken van Australië, Azië,
Afrika en Zuid-Amerika.
Men
onderscheidt drie soorten: witte, gele en roodbruine dari. Opvallend is dat men
meer waarde aan de lichtgekleurde dan aan de roodbruin gekleurde dari toekent.
Wat voedingswaarde betreft is er namelijk geen enkel verschil. Bovendien wordt
de roodbruine dari door agaporniden goed opgenomen. Dari kan met zijn
zetmeelgehalte wedijveren met tarwe. Het zaad heeft een gunstig
aminozuurpatroon. Het eiwit in dari heeft een buitengewoon hoog leucinegehalte.
Boekweit
Boekweit is
geen zaad maar een vrucht. Het is grijsachtig bruin van kleur en min of meer
driekantig van vorm. Van oorsprong is het een Aziatisch gewas. Tegenwoordig
komt veel boekweit uit Brazilië, Canada en China, maar ook in Nederland wordt het op kleine schaal verbouwd. Boekweit is een goede eiwitbron
en bezit een laag vetpercentage. De koolhydraten bestaan uit zetmeel en een
weinig suiker. Boekweit is rijk aan de aminozuren arginine en lysine. Het wordt
door agaporniden graag gegeten.
Haver
Haver wordt
vrijwel overal in Nederland verbouwd. Het is een algemeen bekende graansoort.
Gepelde haver wordt verkregen door de haver van het kaf te ontdoen. Het wordt
in vrijwel alle zaadmengsels voor parkietachtigen gebruikt. Als vogelvoeding
heeft het dan ook een goede naam met een uitstekend gehalte aan zetmeel,
eiwitten en vet. Haver is arm aan lysine, maar bevat veel arginine, vitamine B,
vitamine E, kalium en fosfor.
Tarwe
Ook tarwe
is een algemeen bekende graansoort. Het wordt in Nederland dan ook vrijwel overal
verbouwd. Tarwe heeft een zetmeelgehalte van bijna 70 procent. De kiem van
tarwe bevat veel essentiële aminozuren en is rijk aan vitamine E. Tarwe is arm
aan lysine.
Padi
Padi is
niets anders dan ongepelde rijst. Voor meer dan de helft van de wereldbevolking
is het de voornaamste voedselbron. Het wordt vooral in Azië en Amerika
verbouwd. Ook in Italië en Zuid-Frankrijk wordt het tegenwoordig op bescheiden
schaal verbouwd. Padi is arm aan vet. Het bevat veel arginine terwijl het
lysinegehalte in het eiwit redelijk is.
Hennep
Hennep is
een uit Midden-Azië afkomstige eenjarige vezelplant. Zijn bastvezels worden
verwerkt tot pakgaren, scheepstouw en grove weefsels, zijn zaden dienen o.a.
tot vogelvoer.
Daar uit de hars van de hennepbloem hasj gewonnen wordt, is het in
Nederland verboden hennep uit te zaaien. De zaadjes hebben een bruinachtige
kleur. De door ons gebruikte hennep wordt ingevoerd uit Rusland, China, Chili
en Libanon. Ook in Frankrijk wordt hennep verbouwd. Hennep is bijzonder vetrijk
en eiwitrijk. Het leucine- en valine-gehalte in het eiwit is hoog, daarentegen ontbreken de aminozuren cystine en tyrosine
geheel.
Zonnebloempitten
De
zonnebloem behoort tot de familie der samengesteldbloemigen en komt van
oorsprong uit Noord-Amerika. De grote bloeiwijzen van de 2-3 m hoge planten
zijn omgeven door gele randbloemen en erg gewild als sierplant. Behalve dat
worden zonnebloemen ook om de oliehoudende zaden verbouwd. Er zijn
verschillende soorten pitten: witte, zwarte, grijs gestreepte en zwart
gestreepte. De witte pitten komen uit Kenia en Egypte,
de zwarte uit Amerika, de gestreepte uit o.a. Argentinië, Canada, Hongarije en
China. Wat betreft de voedingswaarde is ertussen de verschillend gekleurde
zonnebloemzaden geen verschil.
Het zaad
van de zonnebloem behoort tot de vetrijke zaden. Het eiwit is rijk aan het
aminozuur arginine.
Saffloerpitten
Dit zaad
wordt ook wel kardizaad genoemd. Saffloer wordt
gerekend tot de distelachtigen. De driekantige vorm van de
pitten laten dit ook wel zien. Het wordt voornamelijk verbouwd in de USA.
Saffloerpitten behoren tot de vetrijke zaden. Het aminozuurpatroon van het zaad
is vrij gunstig, vooral het argininegehalte is hoog. Het zaad is echter arm aan
lysine en methionine + cystine, terwijl het aminozuur tryptofaan geheel
ontbreekt.
Lijnzaad
Lijnzaad is
afkomstig van de vlasplant en behoort tot de oliehoudende zaden. Het zaad heeft
een gunstig aminozuurpatroon, vooral het argininegehalte is hoog. Lijnzaad is
arm aan lysine.
Negerzaad
De juiste
benaming voor deze zaadsoort is eigenlijk nigerzaad. Het is een wat
onkruidachtig aandoende plant met een distelachtige bloeiwijze en zaadvorming.
De zaadjes zijn grijszwart gekleurd. Negerzaad wordt voornamelijk in Ethiopië
verbouwd, daarnaast ook in India. Het zaad is bijzonder vetrijk en eiwitrijk en
heeft een gunstig aminozuurpatroon. Daarnaast bevat negerzaad behoorlijke
hoeveelheden calcium, fosfor en mangaan.
Aanvullende
voeding
Zoals
bekend, is een zaadmengsel alléén onvoldoende. Zelf verstrek ik het gehele jaar
door een in de handel verkrijgbaar eivoer waaraan een extra dosis methionine en
lysine is toegevoegd. In de broed-, opfok- en ruiperiode geef ik dit
ongelimiteerd, d.w.z. zoveel de vogels willen opnemen. In de broedtijd is de
hoeveelheid natuurlijk sterk afhankelijk van het aantal jongen, maar komt in de
praktijk neer op ongeveer 25% van het dagrantsoen. In de zgn. rustperiode geef
ik hetzelfde eivoer, doch sterk gerantsoeneerd. Daarnaast verstrek ik dagelijks
een weinig groen of een kleine gift licht gekiemde granen als tarwe, haver,
gerst, dari alsook mungobonen. De vogels in de broedkooien en de pas
uitgevlogen jongen krijgen steeds in melk geweekt oud brood. Ook buiten het
broedseizoen geef ik het wel eens voor de afwisseling. Mijn vogels nemen dit
met graagte op en dit geeft mij tevens de mogelijkheid, indien nodig, hierbij
medicijnen e.d. te geven.
De meeste
agaporniden nemen af en toe graag een paar meelwormen. Zo niet, tracht uw
vogels er dan aan te wennen. Vooral in de broedperiode, als er jongen zijn,
vormt dit dierlijke eiwit een welkome aanvulling van het eivoer.
Eivoer
Eivoer
dient als aanvulling van groeistoffen, zoals aminozuren, vitaminen, mineralen
en sporenelementen, die in het zaadmengsel ontbreken. Het is dus zaak dat het
eivoer dat we gebruiken, de noodzakelijke aanvullingen op het zaadmengsel ook
daadwerkelijk bevat. De in de dierenspeciaalzaken verkrijgbare eivoeders zijn
vaak nogal verschillend van samenstelling, waarbij ook de eiwitgehaltes sterk
uiteenlopen. Ofschoon het eiwitgehalte in eivoer een niet te verwaarlozen
factor is, is vooral het aminozuurpatroon van belang. Nog te veel fokkers gaan
uitsluitend af op een hoog eiwitgehalte als bepalende factor voor een juiste
voeding. Deze zienswijze is onjuist. Een teveel aan voedingseiwitten kan
verteringsstoornissen waaronder darmstoornissen veroorzaken. De verteerbaarheid
wordt dan ongunstig beïnvloed. Een gunstig aminozuurpatroon is zonder meer
noodzakelijk. Aminozuren zijn immers de bouwstenen om eiwitten te vormen. Een
tekort aan een bepaald aminozuur kan de vorming van lichaamseigen eiwitten in
de weg staan. Fabrikanten, die van de kwaliteit van hun product overtuigd zijn,
geven op de verpakking niet alleen een beschrijving van de inhoud, maar ook een
duidelijke analyse. Daarnaast vermelden ze op de verpakking ook de
productiedatum of de datum tot wanneer het product wordt gegarandeerd. Een
groot nadeel van onverpakte eivoeders is, dat een analyse van het product
veelal ontbreekt en de productiedatum niet te achterhalen is.
Gekiemd
zaad
De meeste
vogelhouders hechten buitengewoon veel waarde aan gekiemd zaad. Tot op zekere hoogte is dat terecht. Gekiemd zaad is een waardevol
groenvoer, licht verteerbaar en rijk aan vitaminen, maar ook niet meer dan dat.
Elke hogere waardering is een overwaardering. Als we het nuchter bekijken, is
dat ook wel in te zien.
Gewoon zaad
bevat ongeveer 12% vocht. Wanneer we nu dat zaad een paar dagen in het water
leggen om te kiemen loopt het vochtgehalte op tot ongeveer 90%. Water, en zeker
leidingwater, bevat nauwelijks voedingsstoffen. Het is daarom niet logisch om
aan met water verzadigd zaad een hogere voedingswaarde toe te kennen dan aan
gewoon droog zaad. Integendeel, hoe hoger het vochtpercentage in het voer is,
des te lager de voedingswaarde van het voer wordt. Door het kiemproces wordt
bovendien energie verbruikt waarbij voedingsstofverliezen tot 25% kunnen
ontstaan. Geen sprake dus van kwaliteitsverhoging ten aanzien van de
voedingsstoffen.
Een
waarschuwing is nodig tegen het verstrekken van ongelimiteerde hoeveelheden
gekiemd zaad en de onjuiste behandeling van te kiemen zaad. Verkeerd
kiemen kan soms tot vergiftigingsverschijnselen (nitrietvergiftiging) leiden.
Dit laatste behoeft nadere uitleg.
Tijdens het
normale kiemproces, dus wanneer zaad op de akker wordt uitgezaaid, neemt de
plant in wording behalve water ook voedingstoffen uit de bodem op. De
belangrijkste voedingsstof voor planten is nitraat. Meststof uit de bodem wordt
door nitrietbacteriën omgezet in nitriet, vervolgens zetten nitraatbacteriën
dit nitriet om in nitraat. Een laag nitraatgehalte in de bodem resulteert in
een laag, een hoog nitraatgehalte in de bodem resulteert in een hoog
nitraatgehalte in het daarop groeiende product. Planten en dus ook hun zaden
hebben steeds een bepaald nitraatgehalte. Nitraten zijn echter niet giftig. Dat
verandert als nitraat omgezet wordt in nitriet. De omzetting van nitraat in
nitriet is een onderdeel van de stikstofkringloop bij planten. Onder bepaalde
voorwaarden kan in planten en zaden nitraat - uit nitriet verkregen - weer in
nitriet omgezet worden. Het nitriet komt terug in de bodem en wordt daar door
nitraatbacteriën opnieuw omgezet in nitraat en door dezelfde plant weer als
voedsel opgenomen. Er is dus sprake van een kringloop. Kiemen we nu zaad in
water, dan kan nitriet in het water komen zonder door nitraatbacteriën weer
omgezet te worden in nitraat. Het kringloopproces eindigt letterlijk in het
water. De mogelijkheid is dan aanwezig dat er een giftig mengsel ontstaat. Het
onder ongunstige omstandigheden laten kiemen van zaad, zoals
bijvoorbeeld het kiemen in warm water, kiemen op een verwarmde ondergrond
en onvoldoende spoelen van het te kiemen zaad, verhoogt de kans op
nitrietvergiftiging. Wanneer u echter met deze zaken rekening houdt en er naar
handelt en daarnaast uw vogels slechts kleine hoeveelheden gekiemd zaad
verstrekt, hoeft u voor ongewenste verschijnselen niet bang te zijn.
Groenvoer
Over de
waarde van groenvoer en de verstrekking ervan aan onze vogels wordt in het
wereldje van vogelfokkers verschillend gedacht. Persoonlijk vind ik het een
goede zaak, naast een weinig gekiemd zaad ook regelmatig wat groenvoer te geven
en dat niet alleen omdat de vogels het graag opnemen, maar vooral om de
vitaminen, mineralen en sporenelementen die het bevat.
Naast sla,
andijvie, peterselie, wortel en allerhande soorten fruit als appel, peer, pruim
en druif, komen nog een hele reeks wilde planten in aanmerking. Groenvoeders en
onkruidzaden, die door agaporniden graag gegeten worden zijn: vogelmuur,
paardebloem, duizendblad, grote weegbree, smalle weegbree, perzikkruid,
uitstaande melde, veldzuring, ridderzuring, herderstasje, kruiskruid, bijvoet
en allerlei grassen. Naast genoemde onkruiden zijn halfrijpe haver en tarwe in
de aar en verse maïskolven uitstekende groenvoeders. Ook rozenbottels en
lijsterbessen worden veelal graag genomen. Wist u overigens dat u halfrijpe
kolfmaïs, rozenbottels en lijsterbessen in de diepvrieskist uitstekend kunt
bewaren?
Knaagtakken
Verse
takken en twijgen o.a. van wilgen en fruitbomen dienen eigenlijk het gehele
jaar door aanwezig te zijn. Dus ook als de vogels deze niet per
se nodig hebben voor de nestbouw. Behalve de bladknoppen, die de vogels
helemaal opeten, knabbelen ze graag aan de verse schors. De schors bevat naast
cellulose een rijke verscheidenheid aan mineralen en sporenelementen.
Grit,
sepia, scherpe maagkiezel
Het is
noodzakelijk dat de vogels steeds over grit, sepia en scherpe maagkiezel kunnen
beschikken. De eerste twee zorgen voor de aanvoer van calcium, dat o.a.
benodigd is voor de opbouw en instandhouding van het beenderengestel en de
vorming van de eischaal. Omdat calcium alleen door het vogellichaam benut kan
worden in combinatie met vitamine D3 en zaden geen vitamine D3 bevatten, dient
vitamine D3 in het eivoer aanwezig te zijn.
Het zelf
verstrekken van vitamine D druppels moet worden ontraden
omdat de vogelhouder niet kan bepalen hoeveel de vogel aan vitamine D nodig
heeft. Een overdosis gedurende langere tijd zal leiden tot ontkalking van het
skelet. In de bekende merkeivoeders is het vitamine D3 exact gedoseerd.
Sepia bevat
behalve veel kalk en zouten en een geringe hoeveelheid eiwit, een grote
verscheidenheid aan mineralen en essentiële sporenelementen: ruim 1% magnesium,
0,1% mangaan, minder dan 0,01% silicium, ijzer, koper, nikkel, chroom,
vanadium, zink en molybdeen.
Scherpe
maagkiezel bezit geen voedingswaarde, maar moet meer gezien worden als een
hulpstof. De scherpe steentjes kunnen als de kiezen van de vogel worden
beschouwd. Ze kneuzen de gepelde zaden in de spiermaag, vergroten daardoor het
oppervlak van de zaden en geven de verteringssappen de kans om optimaal hun
werk te doen, wat de algehele vertering van het
voedsel ten goede komt.
Water
Aratinga’s
drinken op enkele uitzonderingen na vrij veel. Fris water dient dus altijd ter
beschikking te staan. Het aangeboden water moet van drinkwaterkwaliteit zijn,
d.w.z. uit de kraan en elke dag vers. Omdat verontreinigd drinkwater als een
potentiële ziekte-overbrenger kan worden beschouwd, moet bijzondere aandacht
worden besteed aan de waterhygiëne. Open drinkbakken zijn snel verontreinigd, vooral
door ontlasting. De bekende drinkwaterfonteintjes kunnen eveneens gemakkelijk
verontreinigd worden. Watermonsters uit drinkfonteintjes blijken al na 24 uur
ongelooflijke hoeveelheden ziekte verwekkende micro-organismen te bevatten. Na
48 uur is het aantal micro-organismen in het water dermate
toegenomen dat het de gezondheid van de vogels in zeer ernstige mate bedreigt.
Het gezondheidsrisico dat vogels lopen door van twee dagen oud water uit open
drinkbakken te drinken, is eenvoudig af te leiden uit het voorafgaande en
absoluut onaanvaardbaar te noemen.