BLAUWKEELARA
Deze keer wil ik het eens hebben over de
blauwkeelara of caninde ara Ara
glaucogularis Dabbene,1921. Deze uiterst zeldzame ara lijkt op het eerste
gezicht veel op de bekende blauwgele ara Ara
ararauna (Linnaeus, 1758), maar is bij nadere beschouwing toch duidelijk
van laatstgenoemde te onderscheiden.
Het blauw van de blauwkeelara is iets lichter
van kleur en voorzien van een turquoise-achtig tintje. Het naakte
aangezichtsveld, dat zich bij de blauwkeelara beperkt tot de teugels en
omgeving van de ogen, is bezet met donkergroene veertjes die een stoppelachtig
aandoend patroon te zien geven. Wangen en keelstreek van de blauwkeelara zijn
blauw, de keelstreek van de blauwgele ara is goeddeels zwart.
Tot aan het begin van de zeventiger jaren werd
deze ara door velen nog beschouwd als een ondersoort van de blauwgele ara.
Vandaar ook dat in talrijke boeken en publicaties van vóór die tijd deze vogel
de wetenschappelijk naam Ara ararauna
caninde draagt. Bekende ornithologen waaronder Forshaw, Ingels, Reinhard,
Wolters zijn echter op grond van hun onderzoekingen tot de conclusie gekomen,
dat de blauwkeelara een zelfstandige soort is.
Herkomst
en biotoop
De blauwkeelara leeft volgens Ridgely (1980)
vermoedelijk alleen nog maar in Bolivia in de omgeving van de stad Trinidad. In
vroegere tijden kwamen deze vogels ook voor in Paraguay en in het noorden van
Argentinië. De blauwkeelara bewoont de galerijbossen aan meren en rivieren;
komt ook voor in bladverliezende bossen en in vlak, moerassig, halfopen
landschappen. De blauwkeelara behoort tot de met
uitsterven bedreigde soorten en staat op Lijst 1 van de Wet budep.
Avicultuur
Deze prachtige ara komt in Europese collecties
slechts sporadisch voor. Zover mij bekend alleen in het wereldberoemde
vogelpark Walsrode, Zoo Berlijn en Loro Parque, Teneriffe. In 1976 kreeg de
bekende Dr. R. Burkard, Zwitserland, via Ch. Cordier twee koppels van deze
zeldzame vogels, die in de bossen van de Boliviaanse provincie Cochabamba
gevangen waren, in zijn bezit. Verder zijn in 1982 nog een tiental exemplaren
in Europa binnengekomen. Niet bekend is, waar deze zijn gebleven noch of er
hiervan nog in leven zijn.
Volgens R. Reinhard, Zoo Berlijn, is de
blauwkeelara tijdens de acclimatisatieperiode gevoeliger dan de blauwgele ara;
dit zowel wat betreft het wennen aan de nieuwe omgeving als de omschakeling op
andere voeding. Na de acclimatisatie onderscheiden ze zich qua voeding en
verzorging niet van andere ara's.
Dr. Burkard ervaart de blauwkeelara als
beduidend schuwer en veel minder bereid dingen aan te leren dan de blauwgele
ara.
Fok
Het eerste broedresultaat met de blauwkeelara
werd vermoedelijk behaald door de Zuid-Afrikaanse Gill du Venage uit Transvaal.
Tussen 1980 en 1983 bracht haar koppel vier jongen groot.
In de zomer van 1984 kreeg men in het bekende
'Loro Parque' in Puerto de la Cruz op Teneriffe een jong op stok.
De volière waarin het betreffende ouderpaar
verbleef is 5,10 m lang, 3,60 m breed en 4,20 m hoog. Alleen de frontzijde en
bovenkant zijn van gaas de achterkant en de beide zijwanden bestaan uit
metselwerk. De broedgelegenheid bestond uit een gewone nestkast met een
bodemoppervlakte van 50 x 60 cm en een hoogte van 80 cm; diameter invlieggat 12
cm. Op de bodem van de nestkast was een ongeveer 10 cm dikke laag vermolmd hout
en houtspaanders aangebracht.
Ongeveer veertien dagen voordat het eerste ei
gelegd werd, betrok de pop het nest. Ze kwam er alleen af om even wat te eten
of gevoerd te worden en om zich te ontlasten. Op 10 juli werd het eerste ei
gelegd; grootte 44 x 34 mm. Het tweede ei volgde na drie dagen; grootte 42 x 32
mm. Beide eieren bleken bevrucht, maar in het tweede ei stierf het embryo
vroegtijdig af. Op 5 of 6 augustus - de precieze dag is niet bekend omdat niet
elke dag nestcontrole werd gehouden - werd de jonge ara geboren. Hierdoor is de
broedduur voor de blauwkeelara gesteld op 26 à 27 dagen. Na vijf maanden was
het jong net zo groot als zijn ouders en alleen te herkennen aan de lichtere
kleur van de iris en de kleur van de wangen, welke donkerder is dan bij
volwassen exemplaren.
Het voedsel bestond uit een zaadmengsel voor
ara's, gekiemd zaad, allerlei soorten groenten en fruit, geweekt witbrood
aangevuld met vitaminen en mineralen en kleine stukjes hardgekookt ei. Als
knaaghout werden elke week verse pijnboomtakken ter beschikking gesteld.
Tekst: H.W.J. van der Linden