DE CLONCURRY-PARKIET Barnardius barnardi macgillivrayi (North,
1900)
Verspreidingsgebied
Australië;
Noordwest Queensland en aangrenzende gebieden in het Noordelijk Territorium ten
zuiden van de Golf van Carpentaria.
Beschrijving
Formaat
ongeveer 33 cm.
Man:
Voorhoofd, kruin, en achterkop lichtgroen. Zijkanten van de kop pastelkleurig
blauwgroen, overgaand in helder pastelblauw op wangen en kin. In de nek bevindt
zich een smalle gele kraag, die aan weerskanten van de hals spits uitloopt. Mantel,
rugdek en stuit lichtgroen; centrale vleugeldek lichtgroen overgaand in olijfgroenachtig
geel; vleugelbocht en vleugelrand helderpastelblauw; grote vleugelpennen
blauwzwart met groene buitenvlag. De borstkleur en de kleur van onderbuik en anaalstreek
zijn lichtgroen, maar nog een nuance lichter getint dan het rugdek. De flanken
en de buikkleur zijn warm geel; de kleurscheiding met het groen van de borst
bevindt zich ter hoogte van de vleugelbocht en is vrij strak.
Bovenstaartdekveren lichtgroen, onderstaartdekveren een nuance lichter. Bovenzijden
grote staartveren lichtgroen, onderkant grote staartveren bleekblauw. Snavel
grijsachtig wit. Oogiris donkerbruin. Poten grijs, nagels grijszwart.
Pop:
Man en pop vertonen geen opvallende kleurverschillen. Over het algemeen genomen
is de kleur van de pop vaak iets minder intensief dan van de volwassen man, vooral
het blauw van de wangen is minder helder. Bovensnavel en kop zijn meestal
minder fors dan bij de man. Het seksen op uiterlijk blijft problematisch.
Biotoop
De
Cloncurry-parkiet is een bewoner van droog heuvelachtig terrein, open grasland
en open bosgebied met eucalyptussen en acacia’s. De vogel schijnt een
uitgesproken voorkeur te hebben voor de grotere eucalyptusbomen. Deze bevinden
zich meestal langs de oevers van beken en waterlopen. De vogels opereren gewoonlijk
in paren of in gezinsverband. Ze worden slechts zelden in grotere vluchten
aangetroffen. Bij het krieken van de dagverlaten de vogels hun slaapplaatsen om
te drinken, vervolgens gaan ze op zoek naar voedsel. Ze voeden zich met de
zaden van de eucalyptus en de acacia en met de bladknoppen van deze
bomen.Daarnaast eten ze allerhande gras- en onkruidzaden, vruchten, bessen evenals
insecten en hun larven. Gedurende de middag rustende
vogels in de schaduw van het gebladerte en pikken hier en daar nog een zaadje
mee. Tegen de avond worden ze weer actiever en trekken opnieuw naar de voedsel-
en drinkplaatsen. Daarna zoekende vogels hun slaapplaatsen weer op.
Het
broedseizoen loopt van februari tot juni en richt zich naar de regenval. De
balts van de Conclurryman komt overeen met die van de platstaartparkieten.
Voorafgaande aan de paarvorming breken er tussen rivaliserende mannen vaak
ruzies en gevechten uit. De nestplaats is in een holle tak of stam van een eucalyptusboom.
Het legsel bestaat gewoonlijk uit 4 tot 6 eieren. De pop broedt alleen. De man
voert de pop op het nest en houdt zich verder in de buurt van het nest op. De
broedduur is 20 dagen. Wanneer de levensomstandigheden gunstig zijn, broeden
deze vogels tweemaal.
Avicultuur
Alexander
Sykes Macgillivray, een Australische veldbioloog, ontdekte de Cloncurry-parkiet
rond de eeuwwisseling op een excursie ongeveer 50 km oostelijk van de stad
Cloncurry. In het jaar 1900 werd hij door Alfred John North, een van de
bekwaamste ornithologen van Australië, wetenschappelijk beschreven en naar zijn
ontdekker genoemd. Daarna hoorde men lange tijd niets meer over deze vogel. Pas
in 1939 krijgt hij weer wat meer bekendheid, als de Australiër A. Lendon, de eerste
exemplaren in gevangenschap toont. Ook de Australiër Hallstrom maakt rond die tijd
melding van enkele Cloncurry-parkieten in zijn collectie. In Engeland was het
de hertog van Bedford die in 1939 het eerste paar Cloncurry-parkieten in zijn
bezit kreeg. Waarschijnlijk zijn er vanaf die tijd geen importen meer geweest
totdat de Londense dierentuin in 1963 weer een paartje uit de collectie
Hallstrom ontving. In de meer recente jaren hebben de vogels geleidelijk algemene
bekendheid gekregen, waarmee ik niet bedoel dat ze thans algemeen zijn. In de
grotere collecties ziet men ze regelmatig en ook op de grote parkieten shows
worden ze af en toe tentoongesteld.
Huisvesting en
verzorging
Hier
gefokte Cloncurry-parkieten zijn niet veeleisend en vrijwel
ongevoelig voor kou, zodat ze zomer en winter buiten kunnen blijven, mits ze de
koude nachten in een beschut nachthok kunnen doorbrengen. Ze verlangen echter
een grote vliegruimte. Minimale volièrelengte 6 m, de laatste meter als
beschutting ingericht; als breedte en hoogte kan 1 m resp. 2 m aangehouden worden.
Verder dient men aan weerszijden van hun vlucht geen Barnardius-soorten te
huisvesten, want ze zijn nogal vechtlustig van aard, zeker tijdens de
broedtijd.
De
beste broedblokken voor dit soort vogels zijn natuurstammen van 75 à 90 cm
hoogte met een inwendige diameter niet groter dan ca. 25 cm; doorsnede
invlieggat 8 cm. Op de bodem brengen we een laag vermolmd hout of grof zaagsel
aan. Het verdient aanbeveling verschillende blokken in het beschutte nachthok
op te hangen.Wanneer de vogels eenmaal hun keuze gemaakt hebben, kunnen de overtollige
blokken verwijderd worden. Overigens zijn deze vogels wat de keuze van het
broedblok aangaat niet bijzonder kieskeurig. Blokken en nestkasten met een
grotere diameter en dus een grotere bodemoppervlakte worden door de vogels ook
wel geaccepteerd, maar hebben als nadeel dat de jongen tijdens koudenachten in
het voorjaar moeilijker door de pop warm te houden zijn. Ook in de vrije natuur
blijken de nestholten over het algemeen, naar onze begrippen althans, nogal aan
de krappe kant: ze hebben namelijk zelden een grotere diameter dan 17 cm.
Als
basisvoer krijgen deze vogels een gevarieerd zaadmengsel voorgrote parkieten.
Naast het zaadmengsel dient men de vogels regelmatig eivoer, groenvoer en een
stukje wortel of appel aan te bieden. Ook rozenbottels en lijsterbessen worden
graag gegeten en kunnen van tijd tot tijd in kleine hoeveelheden worden aangeboden.
Een bakje met maagkiezel, en een met grit en dagelijks vers drink- en badwater
zijn natuurlijk steeds aanwezig. Zorg verder regelmatig voor wat verse
knaagtakken. Deze takken hebben ze beslist nodig om in de volière gezond te blijven.
Bovendien bevredigen ze hun knaaglust en dragen ertoe bij dat ze het houtwerk
van de volière met rust laten. Omdat deze vogels veel op de grond komen, is het
noodzakelijk regelmatig op wormen te controleren. Zonodig wormkuur geven. Als er
jongen zijn dient elke dag vers eivoer gegeven te worden.
De fok
Het
eerste broedresultaat met de Cloncurry dateert van 1939 en staat op naam van A.
Lendon. Bij die gelegenheid komt een jong op stok. In de jaren 1940, 1941 en
1942 brengt zijn fokstel telkens twee nesten van drie groot. In 1943 brengt de
pop drie jongen groot met een andere man en in 1944 een nest van drie en een
van twee. In 1945 worden twee jongen grootgebracht en in 1947 één. Ook
Hallstrom boekt in die tijd goede resultaten met een koppel: drie jaar achter
elkaar telkens een nest van vier stuks, het vierde jaar negen jongen van twee
broedsels. De dierentuin van Londen krijgt in 1967 één jong op stok. In
Duitsland worden in 1969 drie kweekresultaten gemeld door verschillende
kwekers.
De
Cloncurry staat bekend als een goede en betrouwbare broedvogel. Wanneer men
eenmaal over een goed harmoniërend koppel beschikt, geeft de fok nauwelijks
problemen. De broedstemming kondigt zich vaak al vroeg in het voorjaar aan.
De
balts begint met een snel heen en weer vliegen in de vlucht waarbij een
welluidend 'twink, wink, wink, wink' klingt. Na langere tijd heen en weer
vliegen, begint de man de pop te voerendoor met afgewende kop het voer uit de
krop te wurgen. Kop en hals maken daarbij een cirkelvormige beweging, de snavel
wordt van onderuit aangeboden. Vervolgens vindt de paring plaats.
Na
de paring volgt vrij spoedig het eerste ei; gemiddeldeafmetingen van de eieren
23 x 28,5 mm, het gewicht is 8 tot 8,5gram, kleur wit. De eieren worden om de
andere dag gelegd. Na het tweede of derde ei gaat de pop gewoonlijk zitten. De
pop broedt zeer vast en zal het nest niet snel voor langere tijd verlaten. Zo
dit al gebeurt, wordt ze door de man teruggejaagd. Tijdens de broedperiode en
de eerste dagen na het uitkomen van de jongen wordt de pop door de man op het
nest gevoerd. De man houdt zich daartoe bijna de gehele dag in de buurt van het
nestblok op. De jongen zijn bij het uitkomen met dons
bedekt. Ze groeien vrijsnel. Rond de tiende dag kunnen ze geringd worden;
ringmaat 6 mm.Omstreeks dat tijdstip verlaat ook de pop overdag het nest
weervoor langere tijd, het ringen kan dus zonder al te veel te storen gebeuren.
Na zestien dagen komen de slagpennen door en na vijf weken verlaten de jongen
het nest. Na het uitvliegen worden ze nog zeker drie weken door beide
oudervogels gevoerd. Een week na het uitvliegen nemen ze echter al zelfstandig
zaadkorrels op.Zodra de jongen zelfstandig zijn, dienen ze uitgevangen te worden.
Soms volgt er dan nog een tweede legsel.
Pas
uitgevlogen vogels tonen een vage, onregelmatige oranjegele voorhoofdsband, die
na enkele maanden geheel verdwijnt. Ze komen pas het tweede jaar volledig op
kleur en zijn dan ook geslachtsrijp. In de praktijk is echter gebleken, dat ook
éénjarige paren het al tot gezinsuitbreiding hebben gebracht.
Tekst:
H.W.J. van der Linden