De
Pennantrosella - Platycercus elegans (Gmelin, 1788)
De Pennant heeft al
vanaf de eerste invoer, omstreeks 1870, op het verlanglijstje van elke
rechtgeaarde parkietenliefhebber gestaan, maar de hoge prijs die tot voor een
aantal decennia gold, was voor menigeen onoverkomelijk. Thans nu de
aanschafprijs nauwelijks nog een bezwaar vormt, worden ze door vrijwel elke
liefhebber van Australische parkieten gehouden.
Herkomst
Zuidoost-Australië en het
eiland Tasmanië. Ingevoerd op Norfolk eiland en Nieuw-Zeeland
Soortbeschrijving
Formaat:
Man en pop: kop het onderste
gedeelte van de rug, stuit, bovenstaartdekveren en de gehele onderzijde van het
lichaam karmozijnrood. Wangvlekken en een klein aansluitend veerveld onder de
snavel matkobaltblauw. Achterschedel, nek, mantel en het middengedeelte van het
vleugeldek is zwart met scherp afstekende karmozijnrode veerzoompjes.
Schoudervlekken zwart. Buitenste vleugeldekveertjes vanaf de vleugelbocht en
verder langs de gehele vleugel lichtvioletblauw. Grote slagpennen zwart met
donkerblauwe buitenvlag. Middelste vier grote staartpennen donkerblauw, zwak overgoten
met een groenachtig waas; de onderzijde is zwart; de overige trapsgewijs
verlopende staartpennen zijn bleekvioletblauw met aan de uiteinden een witte
omzoming. Snavel grijsachtig wit. Oogiris donkerbruin. Poten donkergrijs,
nagels grijszwart.
De man onderscheidt zich van
de pop door een iets plattere en forsere kop; voorts door een bredere
bovensnavel. Jonge vogels en overjarige poppen vertonen aan de onderzijde van
de grote vleugelpennen een rij witte vlekken, die een soort vleugelband vormen.
Bij de mannen komen deze vlekken gewoonlijk na de eerste rui niet terug, soms verdwijnen
ze pas na het tweede jaar.
Ondersoorten
De Pennantrosella’s worden in
drie geografische rassen onderverdeeld. Het nominaatras P. e. elegans bewoont het zuidoosten van
Australië, vanaf het zuidoosten van Queensland tot het zuidoosten van
Zuid-Australië.
De P. e. nigrescens - Kleine Pennant rosella - leeft in het tropische
Noordoost-Queensland, ruim
Deze ondersoort heeft een
lengte van ongeveer
De derde ondersoort P. e. melanoptera -
Kangaroo Pennant rosella – is een bewoner van het voor de zuidkust van
Australië gelegen eiland Kangoeroe.
Deze ondersoort wijkt van het
nominaatras af door de smallere omzomingen van de mantel- en vleugeldekveertjes
waardoor het rugdek zwarter aandoet, maar is even groot. Aangezien ze niet in
Europese collecties voorkomen
zijn ze voor de fokker onbelangrijk.
De op het eiland Norfolk en
In Nieuw-Zeeland voorkomende Pennantrosella’s behoren tot het continentale ras elegans en zijn daar vroeger door de
mens ingevoerd.
Aanvullende informatie ten aanzien van de ondersoorten
Het grotere formaat van het
nominaatras bevestigt de wetmatigheid van de zogeheten regel van Bergmann,
volgens welke de ondersoorten van een soort groter zijn naarmate het in
gebieden waar ze zich ophouden kouder is. Dit feit houdt verband met de
warmtehuishouding. Een groot lichaam heeft in verhouding tot het gewicht een
kleiner lichaamsoppervlak en verliest daarom minder warmte. Een klein dier
heeft, in verhouding tot zijn gewicht, een veel groter lichaamsoppervlak dan
een groot dier. Een eenvoudig voorbeeldje toont dat aan. Een kubusje met ribben
van één centimeter en een gewicht van één gram heeft een oppervlakte van zes
vierkante centimeter. Maar een kubus met ribben van tien centimeter weegt
De verschillen in kleurdiepte
die er tussen de ondersoorten van de Pennant in het wild
bestaan, steunen op de zogenaamde regel van Glogor, volgens welke de donkere
rassen van een soort in vochtige, de lichtere in droge streken leven. In
overeenstemming is het feit dat de gepigmenteerde veervelden van vele nauw met
elkaar verwante soorten er in vochtige streken zwart uitzien, in droge gebieden
grijs. Dit verschijnsel hangt samen met de concentratie van het melanine, de
meest voorkomende kleurstof bij de vogels. Bij een sterke concentratie van
zwart melanine, ontstaan zwarte tinten; wanneer de concentratie van de
melaninekorrels zwak is zien we een grijze kleur. Blijkbaar zijn de chemische reacties
die bij de melaninevorming betrokken zijn onder droge en vochtige
klimatologische omstandigheden verschillend.
De haakjes van de rode
lichaamsveertjes van het ras nigrescens bevatten
een sterke concentratie van zwart melanine, hetgeen
resulteert in een dieprode kleur; die van de zuidelijke rassen bevatten slechts
weinig of geen melanine met als gevolg dat het rood aanmerkelijk lichter getint
is.
Biotoop
Pennantrosella’s bewonen
aaneengesloten bosgebieden in verschillende klimaatzones. Het noordelijke ras
houdt zich voornamelijk
op in het woudgebergte, de zuidelijke rassen zijn bewoners van heuvelachtig
savannenbos. In streken waar hun oorspronkelijke biotoop is aangetast, passen
ze zich echter wonderwel aan en niet zelden worden broedende paren in rustig
gelegen stadsparken aangetroffen.
Pennantrosella’s leven
paarsgewijs en zijn in het algemeen wat minder schuw
dan andere rosellasoorten. Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit zaden,
aangevuld met insecten , fruit en bloesems. Op
rijpende koren- en maïsvelden en in fruitdragende boomgaarden kunnen ze grote
schade aanrichten.. Door de boeren worden ze daarom
fel bejaagd. In de wildbaan kiezen ze hun broedplaats bij voorkeur in de holten
van dode eucalyptusbomen. Deze nestholten zijn van binnen vochtig door rotting
van de dode boom zodat de eieren steeds in een vochtige omgeving bebroed
worden, waardoor uitdroging van het legsel praktisch uitgesloten is.
De Pennant in avicultuur
Pennantrosella’s zijn niet
veeleisend en vrijwel ongevoelig voor kou zodat ze zomer en winter buiten
kunnen blijven. Ze verlangen echter een grote vliegruimte. Minimale
volièrelengte
Als basisvoedsel verstrek ik
een gevarieerd zaadmengsel waarin de volgende zaden in de aangegeven
hoeveelheden zijn verwerkt 48%
In de
broed- en ruitijd worden dezelfde zaden aangeboden maar zijn de percentages aangepast:
30%
Sedert het eerste broedresultaat in 1874 bij Rousse in
Frankrijk zijn met deze prachtige vogels doorlopend broedresultaten behaald,
vooral na de Tweede Wereldoorlog. Toch is de Pennant lang niet altijd een
betrouwbare broedvogel. Veel liefhebbers klagen over poppen die wel bevruchte
eieren leggen maar ze niet uitbroeden of, als er eenmaal jongen zijn, de jongen
plukken. Anderszins kunnen mannen in de paartijd
dermate op drift raken door de pop op te jagen tot ze erbij neervalt. Wie ooit
met deze vogels gebroed heeft kan beamen dat dit zelfs voorkomt bij paren die jarenlang in pais en
vree geleefd hebben. Het is dus belangrijk dat men de gedragingen van de vogels
in de paartijd in de gaten houdt. Zonodig kan men een al te opdringerige man
tijdelijk in een aangrenzende volière onderbrengen. Een andere mogelijkheid is
de grote vleugelpennen van de man aan een zijde te kortwieken, waardoor de pop
haar eega gemakkelijk kan ontwijken. Gelukkig zijn er echter ook talrijke
fokparen die zonder problemen broeden en hun jongen grootbrengen.
De nestkast voor deze soort
moet tamelijk diep zijn, ongeveer
Het legsel bestaat gewoonlijk
uit 5-8 eieren. Deze worden om de andere dag gelegd en door de pop in 20 dagen
uitgebroed. De pop gaat meestal na het derde ei zitten. Wanneer de jongen
uitkomen hebben ze aanvankelijk wit nestdons, dat naarmate ze ouder worden door
grijs dons wordt vervangen. Ze blijven ongeveer 5 weken in het nest, waarna ze nog ongeveer 14 dagen door de ouders gevoerd worden.
Als de jongen ongeveer 14 dagen oud zijn kunnen ze geringd worden; ringmaat
Er zijn poppen die aan een
tweede legsel beginnen, maar regel is dit zeker niet. Mijn broedpaar houdt het
ieder jaar na één ronde voor gezien.
Mutaties
Bij de Pennantrosella zijn inmiddels al verschillende mutaties bekend. Het gaat om
kleurmutaties die we ook al van verschillende andere papegaaiachtigen kennen.
Voor de volledigheid zet ik de kenmerken en verervingswijze van deze mutaties
nog even op een rijtje.
Cinnamon
Karakteristiek voor deze
kleurslag zijn de cinnamonbruine vleugelpennen. Kop het onderste gedeelte van de rug,
stuit, bovenstaartdekveren en de gehele onderzijde van het lichaam zijn helder
karmozijnrood. Wangen en een klein aansluitend veerveld onder de snavel tonen
een ietwat opgebleekt kobaltachtig blauw. Achterschedel, nek, mantel en het
middengedeelte van het vleugeldek zijn donker cinnamonbruin met scherp
afstekende helder karmozijnrode veerzoompjes. Schoudervlekken donker
cinnamonbruin. Buitenste vleugeldekveertjes vanaf de vleugelbocht en verder
langs de gehele vleugel tonen zachtvioletblauw. Grote slagpennen donker
cinnamonbruin met zachtblauwe buitenvlag. Middelste vier grote staartpennen
zachtblauw met bruin; de onderzijde is donker cinnamonbruin; de overige
trapsgewijs verlopende staartpennen zijn sterk opgebleekt
violetblauw met aan de uiteinden een witte omzoming. De snavel lichtbruin
getint. Oogiris donkerbruin. Poten donker vleeskleurig, nagels bruin.
De cinnamonmutatie verhindert
de laatste fase van de pigmentsynthese waardoor bruin in plaats van zwart melanine
wordt gevormd
De cinnamonfactor vererft
geslachtsgebonden of beter, is gekoppeld aan het Z-chromosoom (eerder aangeduid met X) en recessief ten opzichte van
de wildfactor (lees: ongemuteerde cinnamonfactor).
Genetisch symbool cin; wildvorm cin+
De cinnamon-man wordt als Zcin/Zcin
geschreven de cinnamon-pop als Zcin/W
(eerder aangeduid als Y).
Ino
De ino-mutant heeft een
helderrode lichaamskleur. De veertjes van achterkop, nek, mantel en vleugeldek
zijn wit met een weinig opvallend beigeachtig waas; de afzonderlijke veertjes
hebben een vrij brede rode omzoming. Wangen en keel zijn zuiver wit.
Schoudervlekken, vleugelbocht, vleugelpennen en de bovenzijde van de
staartpennen tonen nagenoeg wit, doch zijn overgoten met een beigeachtig waas;
onderaanzicht van de staart wit met beige waas en witte staarttippen. De snavel
is hoornkleurig. De ogen zijn rood. De poten zijn vleeskleurig, de nagels
hoornkleurig.
De SL-ino mutatie veroorzaakt
zwaar misvormde en onderontwikkelde melanosomale matrixen in de bevedering. De
tyrosinase activiteit wordt door deze mutatie echter niet aangetast, vandaar de
term tyrosinase positief albinisme (TYR-pos). Door de gebrekkige grootte en
vorm van de matrixen wordt er nauwelijks eumelanine aangemaakt, in ieder geval
geen met het blote oog waarneembare hoeveelheden. Wat we zien is een
pigmentloze bevedering, hetgeen albinisme wordt
genoemd.
De ino-mutatie vererft
geslachtsgebonden of beter, is gekoppeld aan het Z-chromosoom en recessief ten opzichte van de wildfactor (lees: ongemuteerde
inofactor).
Genetisch symbool ino; wildvorm ino+
De ino-man wordt als Zino/Zino
geschreven de ino-pop als Zino/W
Blauw
De blauwe mutant is het
gevolg van een zogeheten psittacinemutatie waarbij de vogel het vermogen mist
psittacine aan te maken. Daar waar de wildvorm rood is, toont de blauwe mutant
grijsachtig wit. Voor het overige volkomen gelijk aan de wildkleur.
De blauwfactor is een
autosomaal verervende mutatie met een recessieve kenmerkvorming. Het allelisch
symbool van deze mutatie is bl; wildvorm bl+
Aqua
De aqua mutant toont een zalmrode lichaamskleur. Dit
wordt veroorzaakt door een ongeveer 50% sterke reductie
van het psittacine in de lichaamsbevedering. De zwarte schoudervlekken en het
zwart van de vleugeldekveertjes worden door de aquamutatie niet aangetast.
Hetzelfde geldt voor het blauw van wangen en kin, alsook vleugels en staart.
De aqua wordt in liefhebberskringen nog vaak met de oude
benaming “oranje” aangeduid. Aqua of oranje, het gaat dus om dezelfde
kleurslag.
De aqua vererft autosomaal recessief en vormt, samen met
de hierna beschreven turquoise, een multipele allele-reeks met de blauwfactor.
Het allelisch symbool van de aqua is blaq.
Turquoise
Het zalmrood van de turquoise
mutant toont op de bovenzijde van het lichaam dezelfde kleurdiepte als die van de aqua. Op het
onderlichaam echter is de psittacinereductie
aanmerkelijk sterker (ongeveer 75-80%) waardoor de kleur hier meer naar
zalmroze neigt. Voor het overige zijn de kleuruitingen van de
turquoise gelijk aan de aqua.
De turquoise vererft
autosomaal recessief en vormt, samen met de turquoise, een multipele allele-reeks
met de blauwfactor. Het allelisch symbool van de aqua
is bltq.
Pastel
De pastel heeft een
helderrode lichaamskleur. Achterkop, nek, mantel en het centrale gedeelte van
het vleugeldek zijn grijs; de afzonderlijke veertjes hebben helderrode
veerzoompjes. Schoudervlekken donkergrijs. Wangen en een klein aansluitend
veerveld onder de snavel zijn licht kobaltachtig blauw. Buitenste
vleugeldekveertjes vanaf de vleugelbocht en verder langs de gehele vleugel zijn
lichtvioletblauw. De grote slagpennen zijn grijs met lichtblauwe buitenvlag.
Primaire staartpennen lichtblauw met donkergrijs; de onderzijde is grijs.
Secundaire zowel boven- als onderzijde zijn lichtblauw met aan de uiteinden een
witte omzoming. De snavel is lichtgrijs. Oogiris donkerbruin. Poten donker
vleeskleurig, nagels grijs.
Dilute (overgoten)
Deze mutant toont een sterk
opgebleekte rode lichaamskleur. Achterkop, nek, mantel en het centrale gedeelte
van het vleugeldek zijn bleekgrijs; de afzonderlijke veertjes hebben
opgebleekte rode veerzoompjes. Schoudervlekken bleekgrijs. Wangen en een klein
aansluitend veerveld onder de snavel tonen een flets kobaltachtig blauwe kleur.
Buitenste vleugeldekveertjes vanaf de vleugelbocht en verder langs de gehele
vleugel zijn flets violetblauw. De grote slagpennen zijn bleekgrijs grijs met
flets blauwe buitenvlag. Primaire staartpennen fletsblauw met bleekgrijs; de
onderzijde is bleekgrijs. Secundaire zowel boven- als onderzijde zijn
fletsblauw met aan de uiteinden een witte omzoming. De snavel is een ietwat
bleekgrijsachtig getint. Oogiris donkerbruin. Poten vleeskleurig, nagels
vrijwel hoornkleurig.
De verschijningsvormen pastel
en dilute (overgoten) worden veroorzaakt door mutaties die de hoeveelheden
eumelanine in de bevedering reduceren. In de bevedering van de pastel en de
dilute wordt normaal eumelanine gevormd, ergo de omzetting van het aminozuur
tyrosine naar eumelanine vindt normaal plaats zodat de kleur van het melanine
van kleur noch van vorm verandert. Wat wel verandert is het aantal geoxydeerde
eumelaninekorrels. Bij de wildvorm Pennant is de eumelanineconcentratie het
grootst. Anders gezegd: de kleurdiepte wordt bepaald door de hoeveelheid aanwezige
eumelanine. Door de reductie van het eumelanine in de
bevedering wordt minder licht geabsorbeerd met als gevolg sterk opgebleekte
kleuren. Bij de pastel is de reductie van het
eumelanine ongeveer 50%, bij de dilute is dit ongeveer 80%.
Pastel
en dilute zijn autosomaal verervende mutaties met een recessieve
kenmerkvorming. Het symbool
voor pastel is dilpa
dat van de wildvorm dil+.
Het
symbool voor dilute is dil, wildvorm dil+. Sommigen
veronderstellen dat dilute een selectieve vorm van de pastel is. Zelf ben ik
van mening dat pastel en dilute multipele allelen van elkaar zijn, hetgeen door het volgende wordt ondersteund.
Paren
we een pastel aan een dilute of omgekeerd een dilute aan een pastel, dan
krijgen we in F1 een tussenvorm van pastel en dilute. Paren we nu deze
tussenvormen weer aan elkaar dan zien we in F2 weer de normale Mendelsplitsing;
25% pastel; 50% tussenvorm; 25% dilute.
Fallow
Kenmerkend voor de fallows is de rode oogkleur. De vleugelpennen zijn donker grijsbruin met een blauwgrijze buitenvlag. De algemene lichaamskleur is lichtkarmozijnrood. De kleur van achterkop, nek, mantel en centrale vleugeldek is donkergrijsbruin met scherp afstekende lichtkarmozijnrode veerzoompjes. Wangen en keelstreek zijn witachtig met een blauwachtige schijn. De schoudervlekken zijn donkergrijsbruin. De buitenste vleugeldekveertjes vanaf de vleugelbocht en verder langs de gehele vleugel tonen blauwgrijs geleidelijk overgaand in iets lichter getint blauwgrijs. De bovenzijde van de primaire staartveren zijn violetblauw met een bruinachtige gloed; onderzijde donker grijsbruin. Boven- en onderzijde secundaire staartveren sterk opgebleekt blauw met witte tippen; De snavel is hoornkleurig. De poten zijn vleeskleurig, de nagels hoornkleurig.
Waarschijnlijk
gaat het bij de Pennantrosella om de zogeheten *bronze *fallow. Wat uiterlijk
betreft, lijkt het daar op, maar
zonder gedegen onderzoek is dat niet met zekerheid te zeggen. Hoe dan ook, alle
fallowmutaties vererven autosomaal en zijn recessief ten opzichte van
de wildvorm.
Als het
vermoeden bevestigd wordt dat het inderdaad om het *bronze fallowtype* gaat dan is het genetisch
symbool abz; voor de wildvorm schrijft men dan a+.
Dominantbont
Het bontpatroon is zeer variabel, maar zelden meer dan
50% van het geheel, soms slechts minimaal aanwezig in de vorm van enkele witte
pennen of ook wel hier en daar enkele verspreid
voorkomende bonte veertjes.
Deze mutatie vererft
autosomaal en heeft een dominante kenmerkvorming. Bijgevolg kennen we
enkelfactorige en dubbelfactorige dominantbonten. De dubbelfactorige dominant
bonten tonen beduidend meer bont dan de enkelfactorige dominantbonten. Het
streven dient erop gericht te zijn dat men een bontpercentage tussen de 40 en
60 procent verkrijgt. Het is de kunst d.m.v. selectie het bontpatroon zo
symmetrisch mogelijk te krijgen. Een bonte vogel met bont gekleurde snavel
en/of bonte poten of nagels maakt dat ze ongeschikt zijn voor de
tentoonstelling.
Tekst: H.W.J. van der Linden