GOUDSCHOUDERPARKIET - Psephotus chrysopterygius Gould, 1858
Verspreidingsgebied
Een
kleine honderd jaar geleden bewoonden deze vogels nog vrijwel het gehele zuidelijke
en centrale deel van het schiereiland Cape York, Queensland, Australië. Thans
vindt men alleen nog een kleine populatie in de omgeving van Musgrave op Artimes station en het
iets ten westen hiervan gelegen Dixie. Voorts is er nog een bescheiden
populatie in het meest zuidelijke gedeelte van het oorspronkelijke
verspreidingsgebied even ten noordwesten van Chillagoe.
Soortbeschrijving
Formaat:
Man:
voorhoofdsband, teugels en de directe omgeving van de ogen bleekgeel, op het
bovengedeelte van de wangen overgaand in geelachtig groenblauw. Schedeldek en
nek zwart, het lagere gedeelte van de nek meer bruinzwart met blauwe
veerzoompjes. Onderste gedeelte van de wangen, hals,
borst, bovenste gedeelte van de buik en de flanken turquoiseblauw; kin en keel
turquoiseblauw met grijsachtig waas. Onderbuik, dijen en anaalstreek rood, de
afzonderlijke veertjes zijn geelachtig wit gezoomd. Rug en stuit
turquoiseblauw. Mantel, schouderdekverven en kleine vleugeldekveren grijsbruin;
middelste vleugeldekveren goudgeel; hand- en armpennen grijsbruin met blauwe
buitenvlaggen, meest buitenste armpennen en ondervleugeldekveren blauw.
Bovenstaartdekveren turquoiseblauw; onderstaartdekveren rood, geelachtig wit
gezoomd. Bovenzijde primaire staartpennen olijfgroen met blauwzwarte uiteinden;
secundaire staartpennen bleek groenblauw met blauwachtig witte tippen. Ogen
nagenoeg zwart met bruine iris, omgeven door een smalle naakte oogring. Snavel
grijsachtig hoornkleurig. Poten grijsbruin; nagels donkergrijs
Pop:
voorhoofd en teugels mat geelachtig wit. Kruin en nek bleek
bronsbruin. Algemene lichaamskleur mat grijsgeelachtig groen; wangen en keel
tonen bronsgroen met een grijs waas; achternek en kopzijden mat grijsgroen;
bovenborst mat geelachtig grijsgroen; onderborst, buik en bovengedeelte van de
flanken bleekblauw, de lagere flanken, buik, dijen en anaalstreek tonen een nog
fletsere kleur, meer witachtig, enigszins grijsachtig blauw bewaasd, het midden
van de buik, anaalstreek, de lagere flanken en de dijen tonen bovendien
onregelmatig voorkomende flets rood getinte veertjes met witachtige omzomingen.
Vleugelbocht en buitenvlaggen van de grote vleugelveren tonen een bleekblauwe
aanslag; ondervleugeldekveren bleekblauw. Rug, stuit en bovenstaartdekveren
turquoisekleurig; onderstaartdekveren witachtig, grijsachtig blauw bewaasd.
Voor het overige geheel analoog aan de man.
Jonge
vogels en overjarige poppen bezitten aan de onderzijde van de grote
vleugelpennen een rij witte vlekken, die een soort vleugelband de zogeheten
vleugelstreep vormen. Bij de mannen komen deze vlekken na de eerste grote rui
niet terug.
Biotoop
Het
leefgebied van de goudschouderparkiet bestaat uit heuvelachtige halfdroge open
boslandschappen, plateaus en grassavannen niet hoger dan
Status wildpopulatie
De
goudschouderparkiet wordt ernstig met uitsterven bedreigd. Men schat de totale
populatie verdeeld over een drietal kleine locaties thans tussen de 2000 en
3000 vogels. De voornaamste oorzaak van de dreigende teloorgang is de drastische
verandering van
hun leefgebied, voornamelijk als gevolg van de veehouderij waardoor het
oorspronkelijke open grasland in de afgelopen 100 jaar veranderde in open
bosgebieden met hoge bomen (Melaleuca)
en hoogopgeschoten grassoorten. Ook de illegale vogelvangst in de zestiger en zeventiger jaren van de vorige eeuw wordt vaak als oorzaak
van de teloorgang van de populatie genoemd. Het is aannemelijk dat stroperij
plaatselijk gevolgen heeft gehad voor het bestand, maar zeker niet
verantwoordelijk kan worden gehouden voor het teruglopen van de gehele
goudschouderpopulatie. De aanwezigheid van talrijke natuurlijke vijanden hebben
ongetwijfeld een veel grotere rol gespeeld. Dr. Stephen Garnett en dr. Gabriël
Crowly die het leefgebied van de goudschouderparkiet diepgaand onderzochten,
schrijven 50% van de nestroof van nesten met eieren of jongen toe aan de zwartkopvaraan (Veranus tristis). 25% nestroof van
nesten met jongen geschiedt door de bonte klapekster (Cracticus nigrogularis) en de zwartrugklapekster (Cracticus mentalis) die de opgroeiende
jongen met hun lange snavel uit het nest of de ingangstunnel trekken en
vervolgens opeten. Menigmaal worden ook overjarige vogels en ook wel
oudervogels door een zwartkopvaraan, klapekster maar ook wel door een Australische
boomvalk (Falco longipennis)
verschalkt.
Ook
de talrijke rondstruinende wilde katten vormen een ernstige bedreiging voor de
goudschouderpopulatie.
De
goudschouderparkiet is opgenomen in het CITES-verdrag Appendix I
Europese regelgeving inzake het bezit van en de handel in bedreigde in het wild
voorkomende dier- en plantensoorten
De
goudschouderparkiet is opgenomen in de Bijlage
A van de Europese Basisverordening. In de Basisverordening (EG) nr. 338/97 zijn de regels gesteld omtrent invoer, uitvoer, wederuitvoer, doorvoer,
eigendomsoverdracht en commerciële handelingen.
Indien
men deze vogels bezit is men tevens gehouden aan de regels gesteld in de Uitvoeringsverordening (EG) 865/2006.
In
de Uitvoeringsverordening wordt o.a. beschreven aan welke
voorwaarden vergunningen en certificaten moeten voldoen, welke merktekens
(ringen) moeten worden gebruikt. Voorts worden in deze verordening
verschillende begrippen nauwkeuriger verklaard, zoals in welke gevallen er
sprake is van in gevangenschap gefokte en geboren dieren.
Voor
de volledige teksten van de Basisverordening
en de Uitvoeringsverordening verwijs
ik naar www.hetinvloket.nl
Leefwijze
Goudschouderparkieten
worden gewoonlijk paarsgewijs of samen met hun jongen aangetroffen als ze op de
grond naar voedsel zoeken. Deze parkieten gedragen zich voornamelijk als
standvogel. Lokaal komen er echter wel schommelingen van het bestand voor als
gevolg van tijdelijke voedselschaarste in een gebied, meestal tijdens de eerste
weken van het regenseizoen..
Het
voedsel bestaat voor driekwart uit graszaden van het laaggroeiende Schizachyrium fragile en Schizachyrium pachyarthron en van het
hooggroeiende Themeda triandra,
Heteropogon contortus, en Andropogan
scoparius. Voor het overige eten ze allerhande onkruidzaden, groenteachtige
plantendelen en bloesems van Grevillea
pteridifolia alsmede insekten en hun larven.
Zodra
het licht wordt trekken de vogels naar de dichtstbijzijnde drinkplaats om te
drinken en zich te baden. Ze hebben de voorkeur voor drinkplaatsen met een
glooiende oever zodat ze er zo in kunnen lopen. Als ze gedronken en zich gebaad
hebben, gaan ze op zoek naar voedsel tussen de grassen en kruidachtige gewassen
op de grond. Ofschoon goudschouders niet echt schuw zijn, vluchten ze bij de
minste storing onmiddellijk naar de dichtst bijstaande bomen om zodra het
gevaar geweken is het foerageren te hervatten.
Tegen
de middag trekken de vogels zich terug tussen het tegen de zon beschermende bladerdek van Eucalyptus- , Melaleuca- en Grevillea-bomen. Laat in de middag keren ze terug op de grond om
te foerageren en brengen nogmaals een bezoek aan de
drinkplaats.
Het
broedseizoen in de wildbaan voor de eerste ronde begint omstreeks half maart
direct na de regentijd en bereikt het hoogtepunt in mei en loopt vervolgens
door tot juli/augustus
voor het tweede broedsel.
Goudschouderparkieten
nestelen uitsluitend in door hen zelf uitgegraven holten in termietenheuvels.
Van de drie in het leefgebied voorkomende modellen termietenheuvels maken deze
parkieten voor de nestbouw alleen gebruik van de kegelvormige termietenheuvels
van de termiet Armitermes scopulus en
het onregelmatige halfcirkelvormige heuveltype van Armitermes laurensis.
Ongeveer
95 procent van de nesten wordt in het kegelvormige heuveltype aangetroffen, de overige 5 procent in het halfcirkelvormige model.
De
toegangstunnel tot de nestkamer van het kegelvormige type zit gemiddeld op
ongeveer
Als
de broedtijd nadert kiezen de mannen een geschikte broedruimte. Meestal wordt
in verschillende termietenheuvels een begin gemaakt met het uitgraven van een
tunnel. Het maken van een dergelijke uitholling gaat zo vlak na het
regenseizoen nog vrij goed doordat de termietenbouwsels door de vele plensbuien
en langdurige regenval veel minder hard zijn dan in het droge seizoen. Zodra de
broeddrift sterk genoeg is wordt in de meest uitverkoren termietenheuvel een volledige
toegangstunnel uitgegraven van ongeveer
Het
legsel bestaat
uit 3 tot 7 eieren, varieert in de regel echter van 4 tot 6 stuks. De eieren
worden om de andere dag gelegd en komen zonder ondergrond direct op de bodem
van de nestkamer te liggen. De pop broedt alleen. Tijdens de broedperiode wordt
ze door de man van voedsel voorzien. Zodra de man de nestholte nadert lokt hij
de pop naar buiten en voert haar vervolgens buiten het nest. Na een week broeden komt de pop vaker en langduriger van het nest om
gevoerd te worden en zich te verpozen. Bij onraad verlaat de
pop onmiddellijk het nest en brengt zich in veiligheid. Pas als alles
weer veilig is – menigmaal pas na enkele uren - keert de pop op het nest terug. De opgeslagen
warmte in het binnenste van de termietenheuvel voorkomt dat dit gedrag geen
nadelige gevolgen heeft voor het broedsel, maar wel tot een wat langere
broedduur kan leiden, niet zelden tot wel enkele dagen. De broedduur varieert
van 20 tot 23 dagen. Als er jongen zijn worden ze ongeveer elk uur afwisselend
door de beide ouders gevoerd. De jongen blijven ruim 4 weken in het nest. Na
het uit vliegen worden ze nog 3 weken door beide ouders bijgevoerd. De jongen
trekken dan nog een poosje samen met hun ouders op.
In
de wildbaan leeft de goudschouder soms in symbiose met de mot Trisyntopa scatophaga.
Deze nachtvlinderachtige mot legt haar eitjes in het nest van de
goudschouderparkiet. Wanneer de larven uitkomen, voeden ze zich met de
uitwerpselen en de veerschilvers van de jongen en
houden zo het nest schoon.
Algemene informatie
De
goudschouderparkiet is altijd een zeldzame gast in de volières van de
parkietenhouders geweest. Toch worden er, wereldwijd gezien, tegenwoordig meer
goudschouderparkieten in volièremilieu gehouden dan er in de vrije natuur
leven.
De
goudschouder is echter geen vogel voor beginners. De prijs die men voor een koppel
vraagt, zal trouwens de meeste onervaren parkietenhouders wel van de aanschaf
afhouden.
In
1897 kwam een klein groepje goudschouders, bestaande uit één man en zeven
poppen, in Engeland aan. Het was de eerste zending die Europa levend bereikte.
Het eerste broedresultaat met de goudschouder in volièremilieu dateert pas van
1961 en staat op naam van Alan Lendon, Australië.
In
1966 had W. Etterich uit Essen, Duitsland als eerste in Europa succes. Wijlen dr. R. Burkard uit Zürich, Zwitserland was in 1968 de
tweede in Europa die met succes met deze vogels broedde.
Overigens,
al in 1954 kreeg
Sir Edward Hallstrom, Australië van 2 goudschoudermannen, die hij verpaard had
met hoodedpoppen, 16 hybride nakomelingen op stok.
Helaas
zijn er ook van de goudschouder rasonzuivere vogels in omloop. Vooral jonge
poppen uit de kruising goudschouderman x hoodedpop worden nogal eens als zijnde
goudschouderpoppen aangeboden. Deze hybride poppen missen echter de matgele
voorhoofdsband en zijn derhalve goed te herkennen van
de raszuivere poppen die een matgele voorhoofdsband en een bleek bronsbruin
schedeldek tonen.
Gedrag
De
goudschouderparkieten kunnen niet zo goed tegen ons klimaat. Ze reageren
gevoelig op kille weersomstandigheden. Het zijn rustige vogels;
beweeglijk en actief; niet schuw; raken snel vertrouwd met hun verzorger; het stemgeluid
is melodieus en niet storend; komen graag en veel op de grond; baden graag;
niet bijzonder knaaglustig. In de broedtijd agressief tegenover andere
vogels; ook buiten de broedtijd is het samenhouden met soortgenoten of andere vogelsoorten vaak problematisch,
beter niet doen dus.
Huisvesting en
verzorging
Paarsgewijs
in buitenvolière met minimale afmetingen van (lxbxh) 2,5 x 1 x
Gebruik
in de buitenvolière grof rivierzand als bodembedekking. Nog beter alvorens het
rivierzand in de volière te doen eerst een laag grove grind aan te brengen,
zodat bij regenachtig weer het water direct wegzakt.
De
nestgelegenheid is een verhaal apart waarop ik zodadelijk nog terugkom. Wegens hun
agressiviteit tijdens de broedperiode tegenover andere soorten moet men geen
soortgenoten of andere Psephotussoorten direct naast elkaar zetten want dan
komt er waarschijnlijk van broeden weinig terecht. Dit kan natuurlijk wel als
de volières door ondoorzichtige tussenwanden van elkaar zijn gescheiden. Verse
wilgen- of fruitboomtakken (onbespoten) als zitstokken bevredigen hun knaaglust
en dragen ertoe bij dat de vogels het houtwerk van de volière met rust laten. De
takken regelmatig door verse vervangen. Dagelijks vers badwater verstrekken. Aangezien deze vogels veel op de grond komen is het raadzaam
de vogels regelmatig op wormen te controleren en zonodig een wormkuur te geven.
De nestgelegenheid
Deze
bestaat uit een dubbele nestkast met een binnenwerkse bodemoppervlakte van ca.
25 x
Voeding
De
goudschouderparkiet is net als alle andere Psephotussoorten een echte zaadeter.
Daarnaast komen allerhande soorten groenvoer vooral groenteachtig bladgroen en wat insecten in
aanmerking, vooral tijdens de broedperiode. Als basisvoedsel dient men de
vogels een gevarieerd zaadmengsel voor te zetten waarin de volgende zaden in de
aangegeven hoeveelheden zijn verwerkt: 30% witzaad, 10% graszaad, 6% gepelde en
gebroken haver, 10% padie, 8% boekweit, 10% Japanse millet, 10% rode millet, 5%
hennep, 4% zonnebloempitten, 2% lijnzaad en 5% negerzaad. Naast de droge
zaadmengeling dagelijks bladgroenten zoals sla, muur, paardenbloem,
herderstasje, perzikkruid, weegbree, enz. Indien men hierover beschikt kan men
ook verse toppen van tuinkruiden als oregano, mint, tijm, grove en fijne
basilicum, salie, rozemarijn, enz. aanbieden. Voorts een weinig fruit in de
vorm van appel, druiven, rozenbottels en lijsterbessen, maar sommige
goudschouders weigeren steevast van het fruit te eten. Ook gekiemd zaad of – in
het seizoen - halfrijpe graszaden, halfrijpe aren van haver, of een stuk
halfrijpe kolfmaïs zijn een welkome afwisseling voor de vogels. Geef verder elke
dag een beetje
eivoer (gerantsoeneerd). Men kan dit het beste rul maken met gekiemd zaad. Maak
het weekvoer echter niet te nat. Wen de vogels ook aan het eten van meelwormen.
In de wildbaan eten ze immers ook insecten en het is een uitstekende eiwit- ,
calcium- en fosforbron. Elke dag een paar meelwormen per vogel is voldoende.
Voorts elke dag zorgen voor schoon drinkwater. Ook maagkiezel, grit en een
mineralenblok moeten steeds ter beschikking staan.
In
de broed- en ruitijd worden dezelfde zaden aangeboden, maar zijn de percentages
als volgt aangepast: 40% witzaad, 10% graszaad, 8% gepelde en gebroken haver,
4% padie, 6% boekweit, 10% rode millet, 5% hennep, 7% zonnebloempitten, 2%
lijnzaad en 8% negerzaad. Als er jongen zijn dagelijks ongelimiteerd
eivoer geven, d.w.z. zoveel de vogels op willen nemen. Ook de hoeveelheid
meelwormen naar behoefte opvoeren. Het toevoegen van mierenpoppen aan het
eivoer zodra er jongen zijn is aan te bevelen.
Fok
Het
broeden met goudschouderparkieten lukt regelmatig, maar is verre van eenvoudig.
Desondanks zijn er elk jaar weer liefhebbers die jongen op stok krijgen.
Een
moeilijkheid waarmee de liefhebber wordt geconfronteerd, is het feit dat de
vogels in onze omgeving meestal tijdens de koude maanden broeden, d.w.z. in de
late herfst en/of het vroege voorjaar. Vandaar dat ik hierboven uitgebreid ben
ingegaan op de noodzakelijkheid van verwarmde broedkasten en waaraan ze moeten
voldoen. In de broedruimte zelf moet een temperatuur van minimaal 10° Celsius
heersen en de natuurlijke daglichtlengte kunstmatig tot ongeveer 15 uur worden
verlengd.
De
meeste kans op succes heeft men als de vogels zelf hun partner uit kunnen
zoeken. Men kan daar als de vogels nog niet geslachtsrijp zijn al mee beginnen.
Als men zelf de vogels koppelt, bestaat de kans dat man en pop elkaar niet
liggen en het broedseizoen mislukt.
Hoewel
in de praktijk is gebleken dat jonge goudschouders soms al na 12 maanden in
staat zijn jongen groot te brengen, is het raadzaam te wachten tot ze een maand
of zeventien, achttien oud zijn. Vogels die in de herfst van enig jaar geboren
zijn, zou men eigenlijk pas in het voorjaar van het daaropvolgende jaar voor de
fok in moeten zetten; met in het voorjaar van enig jaar geboren vogels zou men
dan tot in de herfst van het daaropvolgende jaar moeten wachten.
Zet
echter geen koppels bij elkaar waarvan de man bijv. in
de herfst geboren is en de pop in het voorjaar of omgekeerd. Dit omdat gebleken
is dat het tijdstip waarop man en pop van dergelijke koppels in broedstemming
komen dikwijls niet met elkaar overeenstemt.
Zodra
de vogels voldoende broedrijp zijn, moet de nestkast ophangen worden. Het beste kan men
twee nestkasten in verschillende posities ophangen zodat de vogels kunnen
kiezen. Als ze eenmaal een keuze gemaakt hebben kan men desgewenst de
overtollige nestgelegenheid wegnemen.
Op
de bodem van de broedkamer brengen we een ongeveer
Sommige
poppen werken het nestmateriaal gedeeltelijk of vrijwel geheel weer naar
buiten, maar dat is vergelijkbaar met de natuurlijke gang van zaken waarbij de
vogel de nestholte zelf uitgraaft. Als nu de vogels voldoende broedrijp zijn,
kan men 14 dagen later het eerste ei verwachten. De eieren worden om de andere
dag gelegd. Meestal begint de pop na het derde ei te broeden. De pop broedt
alleen, maar is allesbehalve een vaste broedster. Na een week broeden verlaat de pop regelmatig voor langere tijd het nest
om zich door de man te laten voeren en zich te verpozen. Ook bij het minste
teken van onraad verlaat de pop onmiddellijk het nest en keert vaak pas na lange tijd op het legsel
terug. Het is daarom noodzakelijk de temperatuur in de broedkamer gedurende het
broedproces op 20° Celsius te houden. Om de luchtvochtigheidsgraad voldoende
hoog te houden is het noodzakelijk de onderkant van het deksel van de nestkast
regelmatig met lauw water te besprenkelen; afhankelijk van de
luchtvochtigheidsgraad in
de binnenvlucht is 2 tot 3 keer in de week sproeien meestal wel
voldoende. De broedduur is variabel en schommelt
tussen de 20 en 23 dagen. Dit houdt verband met de grootte van het legsel, de niet constante bebroeding van het legsel, de
binnentemperatuur van de verwarmde broedkamer alsook de klimatologische
omstandigheden in het vogelverblijf. Gedurende de broedtijd wordt de pop door
de man gevoerd, die zich steeds in de nabijheid van de nestkast ophoudt.
Zodra
de jongen uitkomen moet de temperatuur in de
broedkamer naar 24° graden Celsius gebracht worden, een paar dagen later naar
28° en als het eerste jong 5 dagen oud is naar 30°. Dit is absoluut
noodzakelijk omdat de pop de jongen onvoldoende warm houdt en na een week, soms
al eerder het nest veelvuldig en voor langere tijd verlaat. Beide ouders voeren
de jongen.
Ongeveer
na een goede week gaan de ogen open en wordt het tijd
de jongen te ringen; ringmaat
Pas
uitgevlogen goudschouderparkieten lijken in grote trekken op de volwassen pop.
De jonge mannen zijn evenwel al goed te herkennen aan
de turquoiseblauwe wangen en het dieper bruin gekleurde schedeldek. Alle jongen tonen aan de onderzijde van de
grote vleugelpennen een witte streep. Na het uitvliegen worden de jongen nog
een week of twee, drie door de beide oudervogels gevoerd, ongeveer een week
daarna, moeten de jongen van de ouders worden gescheiden omdat de man ze
achtervolgt.
Dikwijls
begint het paar dan aan een volgende ronde.
Het
volwassen verenkleed krijgen de jongen als ze ongeveer
zestien maanden oud zijn.
Mutaties
Bij
de goudschouderparkiet is sinds kort een pastelachtige verschijningsvorm
bekend. Deze mutatievorm is beperkt tot Australië en nog uitermate zeldzaam.
De
verschijningsvorm pastel wordt veroorzaakt door een mutatie die de hoeveelheden
eumelanine in de bevedering reduceert. In de bevedering van de pastel wordt
normaal eumelanine gevormd, ergo de omzetting van het aminozuur tyrosine naar
eumelanine vindt normaal plaats zodat de kleur van het melanine van kleur noch
van vorm verandert. Wat wel verandert is het aantal geoxydeerde
eumelaninekorrels. Bij de wildvorm is de eumelanineconcentratie het grootst.
Anders gezegd: de kleurdiepte wordt bepaald door de hoeveelheid aanwezige
eumelanine. Door de reductie van het eumelanine in de
bevedering wordt minder licht geabsorbeerd met als gevolg een sterke opbleking
van de structuurkleuren. Bij de pastel is de reductie van het eumelanine
ongeveer 50%, hetgeen overeenkomt met het fenotype van
deze mutant. Als het vermoeden bevestigd wordt dat het bij deze
verschijningsvorm inderdaad om de pastel gaat dan is de vererving autosomaal
recessief.
Het genetisch symbool voor pastel is dilpa dat van de wildvorm dil+.
Tekst:
H.W.J. van der Linden