Genus
GUAROUBA Lesson 1831
GOUDPARKIETEN
Guarouba guarouba
(Gmelin 1788)
Goudparkiet
Verspreidingsgebied: Noordoost-Brazilië
Soortbeschrijving
Formaat:
34 cm.
Man
en pop: algemene lichaamskleur goudgeel; een uitzondering vormen de arm- en
handpennen deze zijn donkergroen. De opvallend forse snavel is zo goed als
hoornkleurig de bovensnavel aan de basis enigszins blauwgrijs getint en
voorzien van een donkere snavelpunt. Ogen zwart met bruine iris. Naakte oogring
wit. Poten vleeskleurig; nagels grijs.
Biotoop
Goudparkieten
zijn bewoners van het regenwoud.
Status wildpopulatie
Met
uitsterven bedreigd, als gevolg van de alsmaar voortschrijdende ontbossing van
het regenwoud.
Leefwijze
Paarsgewijs
en in kleine groepen, ook wel in gezelschap van andere papegaaiachtigen. De
vogels houden zich voornamelijk in de hoge boomkruinen op. Hun voedsel bestaat
uit allerlei vruchten, bessen, noten en zaden. In de broedtijd zonderen de
paren zich af. Ze nestelen op vrij grote hoogte in holten van afgestorven
bomen. Legselgrootte in de wildbaan 2 à 3 eieren.
Algemene informatie
In
de oudere literatuur is de goudparkiet ondergebracht in het genus Aratinga.
Vorm, kleur en gedrag van deze vogels, rechtvaardigen de plaatsing in een
afzonderlijk genus, dat dezelfde naam kreeg als de wetenschappelijke soortnaam.
Het
eerste broedresultaat met deze soort dateert van 1939, Sri Lanka (Ceylon).
Wet budep
Behoort
tot de met uitsterven bedreigde soorten; valt onder
artikel 3 Wet budep Lijst I.
Gedrag
Volledig
geacclimatiseerde vogels en in gevangenschap geboren goudparkieten zijn vrij
sterk, maar kunnen niet tegen kou; gevoelig voor verkoudheidsziekten. In het
begin schuw, worden echter spoedig vertrouwelijk met hun verzorger, vaak ook
geheel tam; nieuwsgierig, intelligent en verspeeld; zeer luidruchtig en storend
voor omgeving, geen vogels voor een stadstuin. Buitengewoon gevoelig voor
veranderingen aan, in of rond hun behuizing. Sommige vogels ontpoppen zich als
verenplukkers, een nare eigenschap waar ze niet gauw vanaf komen en die
mogelijk het gevolg is van een psychische storing. Goudparkieten zijn matige
knagers, ze baden graag, maar zich nat laten regenen heeft hun voorkeur; ’s
nachts slapen ze in een broedblok. In de broedtijd gevoelig voor neststoringen,
tonen dan vaak ook agressief gedrag.
Huisvesting en
verzorging
Paarsgewijs
in ruime metalen volière van minimaal (lxbxh) 4 x 2 x 2 m en bespannen met een
zware kwaliteit gaas bv. nertsengaas. Het aangebouwde nachtverblijf dient minimaal 2 x2x2 m te zijn en moet
gedurende het koude jaargetijde verwarmd kunnen worden tot ongeveer 15° C
waarbij de luchtvochtigheidsgraad niet onder de 60 mag
komen; de daglengte kunstmatig verlengen tot ca. 12 uur. Aan het broedblok
stellen ze geen grote eisen, waarschijnlijk omdat ze het gehele jaar door ’s
nachts het blok opzoeken en per se niet de nacht op
een zitstok willen doorbrengen. Ze accepteren zowel een natuurbroedblok als een
zelfgemaakte nestkast, ook het horizontale model wordt aanvaard. Geschikte
afmetingen voor het natuurbroedblok zijn ca. 60 cm hoog, binnenwerkse diameter
23 cm, wand- en bodemdikte 6 cm, doorsnede invlieggat 7 cm; de afmetingen voor
de zelfgemaakte nestkasten dienen van vergelijkbare afmetingen te zijn en van
hardhout vervaardigd. Houd rekening met de wanddikte (balkhout gebruiken)
aangezien goudparkieten in broedconditie de nestkast van binnenuit afknagen. Op
de bodem van de nestkast een laag vermolmd hout van ca 5 cm aanbrengen. Het
blok op een zo donker mogelijke plaats in het nachtverblijf ophangen. Om de
vogels keuzemogelijkheden te laten, verdient het
aanbeveling verschillende modellen broedblokken aan te bieden. In de praktijk
is namelijk gebleken dat ze voor hun legsel soms een ander broedblok kiezen,
dan waarin ze steeds de nacht hebben doorgebracht..
Bij
geschakelde binnenverblijven ondoorzichtige tussenschotten plaatsen, tussen de
volières dubbel gaas gebruiken.
Veelvuldig
verse knaagtakken aanbieden. Elke dag zorgen voor fris badwater. Eventueel
regeninstallatie aanbrengen.
Voeding
Fok
Het
fokken met goudparkieten is verschillende keren gelukt, maar is allesbehalve
eenvoudig. De meeste jongen die uiteindelijk op stok kwamen, werden kunstmatig
uitgebroed en met de hand grootgebracht. Ook werden wel pleegouders ingezet,
die de eieren uitbroedden en de jongen na het uitkomen een week of drie onder
hun hoede hadden, vervolgens werd alsnog overgegaan op handopfok. Vooral
kakariki’s (Cyanoramphus) blijken in de
praktijk goede pleegouders voor de goudparkiet te
zijn. Slechts enkelen zijn er in geslaagd uitsluitend via natuurbroed jongen op
stok te krijgen.
Zekerheid
over de aard van het geslacht kan alleen door endoscopie of een DNA-onderzoek
worden verkregen.
Maar
ook als we een man en een pop bezitten, zijn we er nog niet. Het grootste probleem
is het samenstellen van een harmoniërend broedpaar. Vogels die als jonge vogel
zelf hun partner hebben kunnen uitzoeken, blijken als broedpaar het meest
succesvol te zijn. Goudparkieten zijn theoretisch op een leeftijd van 3 jaar
geslachtsrijp, maar in de praktijk is gebleken dat de fokparen gemiddeld vijf
tot zes jaar zijn alvorens ze voor het eerst aanstalten om te broeden maken.
Vaak begint de pop al in februari met de leg, maar soms nog eerder. De eieren
worden met tussenpozen van drie dagen gelegd; legselgrootte 3 - 5 eieren. Als
om wat voor reden dan ook het legsel in de steek wordt gelaten, is de kans
groot dat de pop later in het jaar nog weer opnieuw gaat leggen. De pop broedt
alleen; broedduur 23 dagen. Ze verlaat het blok zelden en wordt de gehele
broedperiode door de man op het nest gevoerd. Als de jongen uitkomen is
uiterste voorzichtigheid geboden. Goudparkieten zijn zeer gevoelig voor
nestcontroles en andere storingen rond het nest, menigmaal worden de eieren of
de jongen dan in de steek gelaten. Plaats het blok dus zodanig dat men er van
buitenaf gemakkelijk bij kan. Met list en afleidingsmanoeuvres moet men dan
maar proberen bij de jongen te geraken, zonder daarbij de oudervogels te
storen. Als de ogen open gaan, zo tussen de tweede en derde levensweek, moeten
de jongen geringd worden; ringmaat 10 mm. Na ruim zeven weken vliegen de jonge
goudparkieten uit. Ze zitten dan geheel in de veren, maar zijn nog beduidend
kleiner dan de oudervogels. Drie weken na het uitvliegen zijn de jongen zelfstandig.
Er
is slechts een broedsel per jaar.
Mutaties: geen