Genus NEOPHEMA Salvadori, 1891
Neophema chrysogaster (Latham, 1790)
Verspreidingsgebied: Tasmanië en kustgebied van West-Victoria (Australië), ook op het eiland King en de eilandengroep Hunter in de Straat van Bass
Formaat: 20 cm.
Man: het voorhoofd toont een dubbele voorhoofdsband. De onderste band is diep ultramarijnblauw met vlak erboven een smalle weinig opvallende lichtblauwe streep, beide doorlopend tot aan het oog, Schedeldek, nek, mantel, rug, stuit en vleugeldek grasgroen. Teugels, wangen, keelstreek en borst groenachtig geel overgaand in dofgeel op buik, flanken, dijen en anaalstreek. Centraal op de buik bevindt zich een omvangrijke oranjerode buikvlek. Vleugelbocht en vleugelrand diep ultramarijnblauw, overeenkomend met donkerhemelsblauw. Slagpennen zwart met donkerblauwe buitenvlag. Bovenstaartdekveren grasgroen; onderstaartdekveren geel. Bovenzijde middelste staartveren grasgroen met een blauw waas; onderzijde grijszwart. Onderaanzicht trapsgewijs verlopende staartpennen bij gesloten staart geel. Oogiris donkerbruin. Snavel grijsachtig bruin. Neusdop bruingrijs. Poten grijs; nagels grijszwart.
Pop: lijkt in grote trekken op de man, doch mist de lichtblauwe streep van de voorhoofdsband. Het rugdek is donkergrasgroen. De buikvlek is aanmerkelijk kleiner en bleker oranje getint.
Algemene info
Uiterst zeldzaam in gevangenschap, komt thans waarschijnlijk niet meer in Europese collecties voor, wordt in Australië nog incidenteel door enkele liefhebbers in het zuiden van het continent gehouden. Ook zijn er een jaar of vijftien geleden in het zuiden van Australië onder deskundige leiding enkele volièrecomplexen gebouwd met als doel met de vogels te fokken en op die manier de oranjebuikparkiet voor de totale ondergang te behoeden. De eerste jaren stierf het grootste gedeelte van de gefokte jongen aan snavel- en veerrotziekte, een beruchte virusziekte die we ook in Europa kennen. Ook de koude winters in het gebied waar men het project had opgestart, hadden een ongunstige uitwerking op het uiteindelijke resultaat. Nadat de volières waren verplaatst en in aantal nog waren uitgebreid, ging het beter en kunnen jaarlijks enkele tientallen oranjebuiken aan de natuur worden teruggegeven.
Rustig, vredelievend, maakt nauwelijks geluid. Behoort tot de minst actieve vogels van het geslacht Neophema, waardoor ze aanleg hebben vet te worden. Vogels komen veel op de grond. Baden gewoonlijk één keer per dag, maar dan wel gedurende langere tijd. Planten zich redelijk goed in gevangenschap voort. Buitengewoon gevoelig voor allerlei infecties, o.a. darmparasieten, vogels sterven ook vaak zonder aanwijsbare reden.
Huisvesting en
verzorging
Paarsgewijs in grote volière van minimaal (lxbxh) 5 x 2 x 2
m met daaraan verbonden een te verwarmen nachtverblijf van ongeveer 2 x 2 m²
vloeroppervlakte dat in het koude jaargetijde op ongeveer 20°
C gehouden moet worden; de buitenvlucht beplanten met wat grotere
grassoorten en enkele stevige struiken (A. Brummelen Nederland, die begin
zeventiger jaren enkele oranjebuikparkieten bezat, geeft een volièrelengte van
5 m aan en zegt dat zijn vogels gedurende de gehele winter 1970/71 buiten
hebben overnacht; Fred Lewitzka, Australië, hield in de jaren 1968-1974 drie
koppels in een met gras en struiken beplante volière van 9,5 x 2,5 x 2,5 m met
aansluitende binnenvlucht van 2,5 m lengte). Geen huisvesting in kistkooien.
Dagelijks vers badwater geven. Regelmatig ontlasting laten nakijken in verband
met gevoeligheid voor allerhande ziekten.
Voeding
Vetarm zaadmengsel, allerlei gierst- en milletsoorten, ook Japanse millet, witzaad, haver, padi, boekweit, rode en witte dari, allerlei graszaden, weinig negerzaad, hennep, en zonnebloempitten. Verder eivoer (gerantsoeneerd) en allerlei halfrijpe gras- en onkruidzaden o.a. lepeltjeskruid, perzikkruid en muur evenals trosgierst, ook halfrijpe zonnebloempitten. Dagelijks vers drinkwater, maagkiezel en grit. In de broedtijd meer eivoer geven, in melk geweekt oud bruinbrood en gekiemd zaad, o.a. gekiemde trosgierst.
Fok
Blijkt mogelijk in gevangenschap, maar fokresultaten zijn zeldzaam. A. Brummelen, Nederland verkreeg in twee broedseizoenen van een oranjebuik man en een blauwvleugel pop uiteindelijk een jonge bastaard op stok. J. Postema, Nederland fokte in 1972 van zijn koppel oranjebuiken vijf jongen, slechts één jong uit dit nest kwam uiteindelijk op stok. Fred Lewitzka bezat eind zestiger jaren drie koppels oranjebuikparkieten. Twee poppen legden vijf jaar lang onbevruchte eieren. In januari 1973 had één van de poppen opnieuw gelegd. Dit keer vier eieren. Drie jongen kwamen na 21 dagen broeden uit, één jong stierf nog dezelfde dag. Een ei bleek onbevrucht te zijn. Na een nestperiode van 38 dagen verliet het eerste jong het nest, vier weken later waren beide jongen zelfstandig. In 1974 begon hetzelfde ouderpaar aan een nieuw broedsel. Een jong uit dit broedsel kwam tenslotte op stok. Het broedblok (natuurstam) dat door de oudervogels gebruikt werd was 23 cm hoog en had een diameter van 10 cm; doorsnede invlieggat 5 cm. Bij het instandhoudingsprogramma in Australië (zie algemene informatie) worden eveneens natuurbroedblokken gebruikt met een diameter van 10 cm. De oranjebuikparkieten schijnen een duidelijke voorkeur te hebben voor natuurstammen. De ringmaat voor deze vogels is 4 mm.
Neophema chrysostoma (Kuhl, 1820)
Verspreidingsgebied: Zuidoost-Australië, Tasmanië, tevens op de eilanden in de Straat van Bass, uitgezonderd op het eiland Kangoeroe.
Formaat: 21 cm.
Man: het voorhoofd is getooid met een dubbele voorhoofdsband. De onderste band is donkerblauw met vlak erboven een smalle lichtblauwe streep doorlopend tot aan het oog. Teugels en omgeving van het oog zijn geel. Schedeldek, nek, mantel, centrale vleugeldek, rug en stuit olijfgroen. Keelstreek, hals, en bovenborst matolijfgroen overgaand in dofgeel op borst, buik, flanken, dijen en anaalstreek. De buikkleur is dikwijls vaal oranjegeel getint. Vleugelbocht, vleugelrand en vleugeldekveertjes diep koningsblauw; het koningsblauw beslaat ongeveer de halve vleugelbreedte. Slagpennen zwart met donkerblauwe buitenvlag. Bovenstaartdekveren olijfgroen; onderstaartdekveren geel. Bovenzijde middelste staartveren blauw met een zwaar olijfgroen waas, aan de uiteinden donkerblauw; onderzijde grijszwart. Onderaanzicht trapsgewijs verlopende staartpennen bij gesloten staart geel. Oogiris donkerbruin. Bovensnavel blauwgrijs; ondersnavel een nuance lichter. Neusdop variërend van bruin tot bruingrijs. Poten lichtbruingrijs; nagels grijszwart.
Pop: het geheel is wat fletser van kleur. Het geel van borst, buik, flanken, dijen en anaalstreek is enigszins olijfgroenachtig bewaasd. Het blauw van de vleugels is veelal doorweven met olijfgroene veertjes. De dubbele voorhoofdsband is iets smaller en minder sprekend. Grote slagpennen bruinzwart.
Let wel: als gevolg van het domesticatieproces zijn de in gevangenschap geboren en opgegroeide blauwvleugels gemiddeld 10% groter dan in de wildbaan; formaat in gevangenschap ca 23 cm.
Algemene informatie
Wet budep
Betrekkelijk stille vogel met weinig bewegingsdrang, zeer vreedzaam en rustig van aard; gemakkelijk te houden, ook voor beginners; knaagbehoefte nauwelijks aanwezig; de behoefte om te baden verschilt per individu; goed bestand tegen het Nederlandse klimaat en zeker niet zwakker dan de meer algemeen gehouden neophemasoorten, echter gevoelig voor mist en natte kou zoals we dat hier in herfst en winter kennen; aanleg tot vet worden; vogels scharrelen graag op de grond en zijn mede daardoor gevoelig voor worminfecties
Huisvesting en verzorging
Paarsgewijs in buitenvolière, best overdekt; minimale afmetingen (lxbxh) 2 x 1 x 2 m (beter 3 m lang) met een liefst vorstvrij te houden nachthok van minimaal 1,5 m² vloeroppervlakte. Overjarige vogels kunnen onder genoemde voorwaarden zomer en winter buiten gehouden worden, jongen vogels kan men beter de eerste herfst en winter in een binnenvlucht onderbrengen. Huisvesting in kolonieverband is goed mogelijk, maar alleen in ruime volières, ook tesamen met bijv. vinkachtigen; blauwvleugels zijn actiever in gezelschap van soortgenoten. De blauwvleugelparkiet is niet geschikt voor een langdurig verblijf in een kooi. De vogels dagelijks vers badwater verstrekken. Geef zo mogelijk zitstokken van vers hout. Tweemaal per jaar een wormkuur geven.
Voeding
Gevarieerd zaadmengsel voor grote parkieten, waarin slechts een matig percentage vetrijke zaden zoals negerzaad, hennep en zonnebloempitten zit. Verder eivoer (gerantsoeneerd), allerhande groenvoer, vooral halfrijpe graszaden, halfrijpe onkruidzaden en trosgierst. Dagelijks vers drinkwater, maagkiezel en grit. In de broedtijd meer eivoer geven eventueel rul maken met gekiemd zaad of geraspte wortel; voorts in melk geweekt oud bruinbrood en gekiemd zaad, met name gekiemde trosgierst wordt graag genomen.
Fok
Lukt regelmatig en is niet moeilijk. Het samenstellen van een broedpaar is minder gemakkelijk want lang niet elke pop accepteert de man die wij voor haar hebben uitgezocht. Het beste is de vogels als ze nog jong zijn zelf hun partner te laten uitzoeken. Fokvogels moeten ongeveer 1 jaar oud zijn. Broedbegin in buitenvolière vanaf eind april, in binnenvluchten vanaf maart. Een natuurbroedblok met een diameter van 15 cm en een hoogte van 30 cm of een zelfgemaakte nestkast met een binnenwerkse oppervlakte van 20 x 20 en een hoogte van 30 cm en een invlieggat van 5 à 6 cm doorsnede voldoet uitstekend. Ook horizontaal uitgevoerde nestkasten voldoen goed. Op de bodem een laag vermolmd hout of een mengsel van turfmolm en spaanhout aanbrengen. De nestkast bij voorkeur in het overdekte gedeelte van de volière ophangen. De eieren worden om de andere dag gelegd; legselgrootte variërend van 4 tot 6 eieren, bij oudere poppen oplopend tot 9 in uitzonderingsgevallen tot 10. De pop broedt alleen; broedduur 18 dagen; nesttijd ca. 4 weken; na het uitvliegen worden de jongen nog ongeveer 2 weken door de oudervogels gevoerd, een week later zijn ze zelfstandig. Ringmaat 4 mm. Drie broedsels per jaar zijn geen uitzondering. Na twee broedsels broedblok wegnemen om uitputting van de ouderdieren te voorkomen.
Mutaties
Blauw: autosomaal recessief
Misty (of faded): waarschijnlijk gaat het bij deze mutatie
om de misty, in dat geval is de vererving autosomaal co-dominant. Zou het
onderzoek uitwijzen dat het om een faded gaat dan is de vererving autosomaal
recessief.
Neophema elegans (Gould, 1837)
Verspreidingsgebied: Zuidwest- en Zuidoost-Australië
Formaat 23 cm.
Man: het voorhoofd toont een dubbele voorhoofdsband. De onderste is donkerblauw met vlak erboven een wat smallere lichtblauwe band doorlopend tot iets achter het oog. Aangezichtsveerveld tussen snavel, oog en voorhoofdsband diepgeel. Schedeldek, nek, mantel, vleugeldek, rug en stuit olijfgroen met goudgele gloed. Keelstreek, hals en bovenborst olijfgroenachtig geel overgaand in warmgeel op borst, buik, flanken, dijen en anaalstreek. Tussen de poten bevindt zich een kleine oranjekleurige buikvlek. Vleugelbocht en vleugelrand donkerblauw. Middelste vleugeldekveertjes turquoiseblauw. Slagpennen zwart met donkerblauwe buitenvlag. Bovenstaartdekveren olijfgroen met goudgele glans; onderstaartdekveren diepgeel. Bovenzijde middelste staartveren matblauw met een olijfgroen waas overgoten; onderzijde grijszwart. Onderaanzicht trapsgewijs verlopende staartpennen bij gesloten staart diepgeel Oogiris donkerbruin. Bovensnavel donkergrijs; ondersnavel lichtgrijs. Neusdop bruingrijs. Poten lichtbruingrijs; nagels grijszwart.
Pop: mist de goudgele gloed van de man en is daardoor iets matter en over het geheel genomen groener getint, wat vooral tot uiting komt op borst, buik, flanken, dijen en anaalstreek. De oranjekleurige buikvlek ontbreekt veelal of is beperkt tot enkele oranje veertjes. De slagpennen zijn bruinzwart.
Let wel: de in gevangenschap geboren en opgegroeide vogels zijn gemiddeld 10% groter dan hun soortgenoten in de wildbaan en meten ca 25 cm.
Algemene informatie
Elegantparkieten
behoren tot de meer algemeen gehouden soorten
waarmee veelvuldig wordt gefokt. Ook zeer geschikte vogel voor beginnende
vogelhouders.
Wet budep
Vredelievende volièrevogel die nauwelijks geluid maakt; ietwat schrikachtig en schuw, wordt echter op den duur vertrouwelijk tegenover verzorger; gemakkelijk te houden; knaagbehoefte is iets sterker dan van andere neophemasoorten, maar leidt nimmer tot vernielingen; de behoefte om te baden verschilt per individu; goed bestand tegen droge vorst, echter gevoelig voor natte kou en mist; vogels scharrelen graag op de grond en zijn mede daardoor gevoelig voor worminfecties. De elegantparkiet is bovendien gevoelig voor ooginfecties.
Huisvesting en
verzorging
Paarsgewijs in buitenvolière, best overdekt; minimale afmetingen (lxbxh) 2 x 1 x 2 m (beter 3 m lang) met beschut en vooral vochtvrij nachthok van minimaal 1,5 m² vloeroppervlakte. Overjarige vogels kunnen onder genoemde voorwaarden zomer en winter buiten gehouden worden, jonge vogels kan men beter de eerste herfst en winter in een binnenvlucht onderbrengen. Huisvesting in kolonieverband is goed mogelijk, maar alleen in ruime volières. De elegantparkiet is minder geschikt voor een langdurig verblijf in een kooi. De vogels dagelijks vers badwater verstrekken. Regelmatig verse takken aanbieden van wilg, berk of fruitbomen (onbespoten). Tweemaal per jaar een wormkuur geven.
Voeding
Gevarieerd zaadmengsel voor grote parkieten, waarin slechts een matig percentage vetrijke zaden zoals negerzaad, hennep en zonnebloempitten zit. Verder eivoer (gerantsoeneerd), allerhande groenvoer, vooral halfrijpe graszaden, halfrijpe onkruidzaden en trosgierst. Dagelijks vers drinkwater, maagkiezel en grit. In de broedtijd meer eivoer geven eventueel rul maken met gekiemd zaad of geraspte wortel; voorts in melk geweekt oud bruinbrood en gekiemd zaad, vooral gekiemde trosgierst wordt graag genomen.
Fok
Lukt bij een goede verzorging bijna altijd en verloopt
meestal probleemloos. De elegantparkiet is gemakkelijk in de partnerkeuze,
d.w.z., man en pop accepteren elkaar vrijwel altijd. Voor de fok moeten de
vogels ongeveer 1 jaar oud zijn. Broedbegin in buitenvolière vanaf eind april,
in binnenvluchten vanaf maart. Een natuurbroedblok met een diameter van 15 cm
en een hoogte van 30 cm of een zelfgemaakte nestkast met een binnenwerkse
oppervlakte van 20 x 20 en een hoogte van 30 cm en een invlieggat van 5 à 6 cm
doorsnede voldoet uitstekend. Ook horizontaal uitgevoerde nestkasten voldoen
goed. Op de bodem een laag vermolmd hout of een mengsel van turfmolm en spaanhout aanbrengen.
De nestkast bij voorkeur in het overdekte gedeelte van de volière ophangen. De
eieren worden om de andere dag gelegd; legselgrootte variërend van 4 tot 6
eieren, soms oplopend tot 7. De pop broedt alleen; broedduur 18 dagen; nesttijd
ca. 4 weken; na het uitvliegen worden de jongen nog ongeveer 2 weken door de
oudervogels gevoerd, een week later kunnen de jongen worden uitgevangen.
Ringmaat 4 mm. Drie broedsels per jaar zijn mogelijk. Na twee broedsels
broedblok wegnemen om uitputting van de ouderdieren te voorkomen.
Mutaties
Ino (lutino): autosomaal recessief
Pastel (grijsvleugel): autosomaal recessief
Cinnamon: geslachtsgebonden recessief
Fallow (bronze fallow): autosomaal recessief
Dominant bont: autosomaal dominant
Grijs: autosomaal dominant
Faded: autosomaal recessief
Neophema petrophila (Gould, 1840)
Verspreidingsgebied: kustgebied van Zuid- en Zuidwest-Australië en op de in die gebieden voor de kust liggende eilanden.
Formaat: 22 cm.
Man: De voorhoofdsband is donkerblauw en zowel van boven als van onderen afgezet met een weinig opvallende ultramarijnblauwe rand; het blauw loopt door tot iets achter het oog. De teugels, de omgeving van de ogen en het voorste gedeelte van de wangen zijn eveneens ultramarijnblauw. Schedeldek, nek, mantel, rug, stuit en vleugeldek bruinachtig olijfgroen. Wangen – met uitzondering van het voorste randje – keelstreek en borst mat grijsachtig olijfgroen. Buik, flanken, dijen en anaalstreek dofgeel. Vleugelbocht, duimvleugel en middelste vleugeldekveertjes ultramarijnblauw. Slagpennen zwart met donkerblauwe buitenvlag. Bovenstaartdekveren bruinachtig olijfgroen; onderstaartdekveren geel. Bovenzijde middelste staartveren matblauw met een olijfgroenachtig waas; onderzijde grijszwart. Onderaanzicht trapsgewijs verlopende staartveren in gesloten toestand geel. Oogiris donkerbruin. Snavel donkergrijs. Neusdop bruinachtig. Poten grijs; nagels grijszwart.
Algemene informatie
Uiterst zeldzaam in gevangenschap, komt waarschijnlijk thans
niet meer in Europese collecties voor, wordt in Australië nog incidenteel door
enkele liefhebbers gehouden.
Wet budep
Uitmate traag en sloom en stellig de minst actieve vogel van het geslacht Neophema, waardoor de vogels aanleg hebben vet te worden wat de fertiliteit schaadt. Rotsparkieten zijn vreedzaam van aard; maken weinig geluid; komen veel op de grond; baden regelmatig. De eerste generaties in gevangenschap zijn erg gevoelig voor allerlei infecties, o.a. darmparasieten, vogels sterven ook vaak zonder aanwijsbare reden.
Huisvesting en
verzorging
Paarsgewijs in ruime volière van minimaal (lxbxh) 4,5 x 1 x
2 m met daaraan verbonden een te verwarmen nachtverblijf van ongeveer 2 x 2 m²
vloeroppervlakte dat in het koude jaargetijde tenminste vorstvrij gehouden moet
worden; de buitenvlucht beplanten met wat grotere grassoorten en enkele stevige
struiken. Enkele rotspartijen zijn nuttig voor het afslijpen van snavel en
nagels, ook zijn er praktijkgevallen bekend dat de vogels de openingen tussen
de stenen als nestplaats uitkozen. Rotsparkieten blijken ook goed met meerdere
paren in een grote volière te houden, dit wordt zelfs door enkele liefhebbers
in Australië, die met deze vogels ervaring hebben, aangeraden. Rotsparkieten
horen niet in kistkooien thuis. De vogels dagelijks vers badwater geven.
Regelmatig ontlasting laten nakijken in verband met gevoeligheid voor
allerhande ziekten.
Voeding
Vetarm zaadmengsel, allerlei gierst- en milletsoorten, ook Japanse millet, witzaad, haver, padi, boekweit, rode en witte dari, allerlei graszaden, weinig negerzaad, hennep, en zonnebloempitten. Verder eivoer (gerantsoeneerd) en allerlei halfrijpe gras- en onkruidzaden o.a. lepeltjeskruid, perzikkruid en muur evenals trosgierst, ook halfrijpe zonnebloempitten. Dagelijks vers drinkwater, maagkiezel en grit. In de broedtijd meer eivoer geven, in melk geweekt oud bruinbrood en gekiemd zaad, o.a. gekiemde trosgierst.
Fok
Is verschillende keren in gevangenschap gelukt, maar geldt
als uiterst zeldzaam. Fred Lewitzka, die ook met de oranjebuikparkiet (Neophema
chrysogaster) succes boekte geeft de volgende details over de fok met de
rotsparkiet: bij hem maakten de vogels gebruik van een nestkast van 37 cm hoog
en een bodemoppervlakte van 13 x 15 cm, natuurlijke broedblokken van ongeveer
gelijke grootte werden eveneens aanvaard; de blokken worden schuin onder een
hoek van ongeveer 45° opgehangen. De gemiddelde legselgrootte is 4 à 5 eieren,
de eieren worden om de andere dag gelegd, meestal zijn maar enkele eieren bevrucht;
de pop broed alleen; broedduur 18 dagen. Vreemd genoeg helpt de man pas met het
voeren als de jongen aan de nestingang verschijnen. Rotsparkieten blijven
gewoonlijk ca. dertig dagen in het nest. Ringmaat 4 mm.
Mutaties: geen
Neophema pulchella (Shaw, 1792)
Verspreidingsgebied: Zuidoost-Australië, van Zuidoost-Queensland tot Noord-Victoria.
Formaat: 20 cm.
Man: voorhoofd ultramarijnblauw overgaand in turquoiseblauw tot aan de donkergrasgroene kleurscheiding op de voorkruin. Teugels, oogstreek, wangen en kin turquoiseblauw. Kruin, achterschedel, nek, mantel, rug stuit, bovenstaartdekveren en centrale gedeelte van het vleugeldek donkergrasgroen. Keel, borst, buik, flanken, dijen, anaalstreek en onderstaartdekveren diepgeel. Keelstreek en bovenborst tonen een ragfijne zwarte golftekening (de afzonderlijk veertjes tonen smalle zwarte zoompjes). Buitenste vleugelrand donkerblauw, vervolgens een ca. 1½ cm brede turquoiseblauwe strook met aansluitend erboven een smalle donkerrode, ca. 3 cm lange vleugelbalk, die a.h.w. een scheidslijn vormt tussen het groen en het blauw van de vleugel. Slagpennen zwart met donkerblauwe buitenvlag. Bovenzijde middelste grote staartveren donkergrasgroen met groenzwarte staarttippen; onderzijde grijszwart. Onderaanzicht trapsgewijs verlopende staartveren bij gesloten staart diepgeel. Oogiris donkerbruin. Bovensnavel grijszwart; ondersnavel donkergrijs. Neusdop donkervleeskleurig. Poten grijs; nagels grijszwart.
Pop: over het geheel genomen iets matter van kleur dan de man. Het voorhoofd is effen turquoiseblauw evenals de wangvlekken en de kinstreek, doch het turquoise is iets anders van tint, meer donkerhemelsblauw en minder uitgebreid dan bij de man. Teugels en omgeving van de ogen bleekgeel, bijna geelwit. De donkerrode vleugelbalk ontbreekt. Keelstreek en borst mat grasgroen. De kleurscheiding tussen de mat grasgroene borst en de diepgele buik ligt ongeveer 1 cm boven de pootinplant. De snavelkleur is en nuance lichter dan die van de man.
Let wel: de in gevangenschap geboren en opgegroeide vogels zijn gemiddeld 20% groter dan hun soortgenoten in de wildbaan en hebben een formaat van ongeveer 24 cm.
Van de turqoisine kennen we momenteel twee roodbuikvariëteiten, geen directe mutatievormen, maar het resultaat van jarenlange selectie van turqoisineparkieten met wat rood op de buik, die in het begin van de zestiger jaren van de vorige eeuw vanuit de wildbaan in Europa belandden.
Algemene informatie
Behoort tot de algemeen gehouden soorten waarmee veelvuldig wordt gefokt. Ook zeer geschikt voor beginnende vogelhouders.
Wet budep
Tamelijk sterke vogel met een zacht melodieus stemgeluid; niet schuw; gemakkelijk te houden; in de broedtijd onverdraagzaam tegenover soortgenoten en andere neophema’s, vooral de man vertoont agressie. De knaagbehoefte is gering; de behoefte om te baden verschilt per individu; goed bestand tegen droge vorst, echter gevoelig voor natte kou en mist; vogels scharrelen graag op de grond en zijn mede daardoor gevoelig voor worminfecties.
Huisvesting en
verzorging
Paarsgewijs in buitenvolière, best overdekt; minimale afmetingen (lxbxh) 2 x 1 x 2 m (beter 3 m lang) met beschut en vooral vochtvrij nachthok van minimaal 1,5 m² vloeroppervlakte. Overjarige vogels kunnen onder genoemde voorwaarden zomer en winter buiten gehouden worden, jonge vogels kan men beter de eerste herfst en winter in een binnenvlucht houden. Huisvesting met soortgenoten of andere neophema’s moet worden ontraden, ook moet men geen turqoisineparkieten in de aangrenzende volières onderbrengen omdat er dan van broeden weinig terecht zal komen; een koppel turqoisines in gezelschapsvolière met niet-parkietachtigen kan zonder bezwaar. Tijdelijke onderbrenging in ruime broedkooien (bijv. 100 x 60 x 80 cm hoog) tijdens fokperiode is eveneens mogelijk, maar daarna moeten de vogels weer over een grotere ruimte kunnen beschikken, teneinde conditieverlies te voorkomen. De vogels dagelijks vers badwater verstrekken. Regelmatig verse takken aanbieden van wilg, berk of fruitbomen (onbespoten). Tweemaal per jaar een wormkuur geven.
Voeding
Gevarieerd zaadmengsel voor grote parkieten, waarin slechts een matig percentage vetrijke zaden zoals negerzaad, hennep en zonnebloempitten zit. Verder eivoer (gerantsoeneerd), allerhande groenvoer, vooral halfrijpe graszaden, halfrijpe onkruidzaden en trosgierst. Dagelijks vers drinkwater, maagkiezel en grit. In de broedtijd meer eivoer geven eventueel rul maken met gekiemd zaad of geraspte wortel; voorts in melk geweekt oud bruinbrood en gekiemd zaad, vooral gekiemde trosgierst wordt graag genomen.
Fok
Lukt bij een goede verzorging bijna altijd en de jongen
groeien meestal probleemloos op. Fokvogels moeten tenminste
een jaar oud zijn. Broedbegin in buitenvolière vanaf april/mei, in binnenvluchten
vanaf maart. Een broedblok met een diameter van 15 cm en een hoogte van 30 cm
of een zelfgemaakte nestkast met een binnenwerkse oppervlakte van 20 x 20 en
een hoogte van 30 cm en een invlieggat van 5 à 6 cm doorsnede voldoet
uitstekend. Ook horizontaal uitgevoerde nestkasten voldoen goed. Op de bodem
een laag vermolmd hout of een mengsel van turfmolm en spaanhout aanbrengen. De
nestkast bij voorkeur in het overdekte gedeelte van de volière ophangen. De
eieren worden om de andere dag gelegd; legselgrootte variërend van 4 tot 7
eieren. De pop broedt alleen; broedduur 18 dagen. Turqoisineparkieten broeden
van nature in een vochtiger omgeving dan de meeste andere neophemasoorten
daarom is het raadzaam bij langdurig droog weer de nestkast regelmatig met
water te besproeien om uitdroging van het legsel tegen te gaan. De nestperiode
is ca. 4 weken; de eerste dagen na het uitvliegen zijn de jongen erg schuw en
schrikachtig en vliegen overal tegenaan, zodat de kans op letsels groot is;
bovenzijde en kopse kant van de volière met dennentakken of brem afdekken.
Nadat de jongen uitgevlogen zijn worden ze nog ongeveer 2 weken door de oudervogels
gevoerd, een week later zijn ze zelfstandig. Sommige mannen gedragen zich na
het uitvliegen van de jongen agressief tegenover de jonge mannen, de jonge
poppen worden meestal met rust gelaten; zonodig de jongen uitvangen en indien mogelijk in een aangrenzende volière of kooi
onderbrengen, zodat ze wel door de man gevoerd kunnen worden maar niet belaagd.
Aanbevolen ringmaat 4 mm. Drie broedsels per jaar zijn geen uitzondering. Na
twee broedsels broedblok wegnemen om uitputting van de ouderdieren te voorkomen.
Mutaties
Dilute (geel): autosomaal recessief
Fallow (bronze fallow: autosomaal recessief
Opaline: geslachtsgebonden recessief
Cinnamon: geslachtsgebonden recessief
Faded: autosomaal recessief
Grijsfactor: autosomaal dominant
Donkerfactor:
autosomaal co-dominant
Violet: autosomaal co-dominant
Recessief bont: autosomaal recessief
Neophema splendida (Gould, 1840)
Verspreidingsgebied: het binnenland van West- en Zuid-Australië
Formaat: 19 cm
Man: voorhoofd glanzend violetblauw, overgaand in donkerhemelsblauw tot op de achterkop vervolgens geleidelijk ineenvloeiend met de donkergrasgroene kleur van de nek. Zijden van de kop en het grootste gedeelte van de wangen donkerhemelsblauw; het voorste gedeelte van de wangen evenals de bef glanzend violetblauw. Het blauw van de kop begint op de overgang kop/nek en loopt vandaar in een gelijkmatige boog via de oorstreek naar de kleurscheiding bef/bovenborst. Nek, zijden van de hals, mantel, rug en centrale vleugeldek donkergrasgroen. Kropstreek en bovenborst, zich uitstrekkend van vleugelbocht tot vleugelbocht scharlakenrood; het rood van boven scherp afgegrensd van de violetblauwe bef en de donkergrasgroene zijden van de hals, van onderen op een horizontale lijn ter hoogte van de duimvleugels scherp gescheiden van het diepgele onderlichaam. Onderborst, buik, flanken,, dijen en anaalstreek diepgeel. Vleugelbocht en duimvleugels violetblauw, aansluitend erboven een ca. 1½ cm brede diep hemelsblauwe strook langs de gehele vleugel. Slagpennen zwart met violetblauwe buitenvlag, de buitenste vleugelpennen tonen een uiterst smalle hemelsblauwe rand. Bovenstaartdekveren donkergrasgroen; onderstaartdekveren diepgeel. Bovenzijde middelste staartpennen donkergrasgroen met groenzwarte uiteinden; onderzijde grijszwart. Onderaanzicht trapsgewijs verlopende staartpennen bij gesloten staart diepgeel. Oogiris donkerbruin. Bovensnavel grijszwart; ondersnavel donkergrijs. Neusdop bruingrijs. Poten grauwbruin; nagels grijszwart.
Pop: over het geheel genomen iets matter van kleur dan de man. Het rood van kropstreek en bovenborst is vervangen door mat grasgroen. Het blauw van de kop is effen donkerhemelsblauw, bovendien minder uitgebreid dan bij de man. De kin is matgrasgroen, de oorstreek donkergrasgroen.
Let wel: de in gevangenschap geboren en opgegroeide vogels
zijn gemiddeld 20% groter dan hun soortgenoten in de wildbaan en meten ca 23
cm.
De zogeheten roodbuiksplendid is geen directe mutatievorm, maar het resultaat van jarenlange selectie van splendidparkieten die rood op de buik toonden. Het rood van de buik is overigens minder intens van kleurdiepte dan dat van de borst.
Algemene informatie
Behoort tot de algemeen gehouden
soorten waarmee veelvuldig wordt gefokt. Ook geschikt voor beginnende vogelhouders.
Wet budep
Vredelievende volièrevogel; maakt weinig geluid. Vertrouwelijk en op den duur bijna tam tegenover verzorger; gemakkelijk te houden; knaagbehoefte is gering; de behoefte om te baden verschilt per individu; goed bestand tegen droge lichte vorst, echter zeer gevoelig voor tocht, natte kou en mist; vogels scharrelen graag op de grond en zijn mede daardoor gevoelig voor worminfecties. Gevoelig voor ooginfecties.
Huisvesting en
verzorging
Paarsgewijs in buitenvolière op zonnige standplaats, best
overdekt; minimale afmetingen (lxbxh) 2 x 1 x 2 m (beter 3 m lang) met een
liefst vorstvrij te houden nachthok van minimaal 1,5 m² vloeroppervlakte. Jonge
vogels de eerste herfst en winter vorstvrij houden. Voor langdurig verblijf in
kooi minder geschikt. Huisvesting in gemeenschapsvolière samen met
niet-parkietachtigen behoort echter wel tot de mogelijkheden. Dagelijks vers
badwater verstrekken. Geef zo
mogelijk zitstokken van vers hout. Tweemaal per jaar een wormkuur
geven.
Voeding
Gevarieerd zaadmengsel voor grote parkieten, waarin slechts een matig percentage vetrijke zaden zoals negerzaad, hennep en zonnebloempitten zit. Verder eivoer (gerantsoeneerd), allerhande groenvoer, vooral halfrijpe graszaden, halfrijpe onkruidzaden en trosgierst. Dagelijks vers drinkwater, maagkiezel en grit. In de broedtijd meer eivoer geven eventueel rul maken met gekiemd zaad of geraspte wortel; voorts in melk geweekt oud bruinbrood en gekiemd zaad, met name gekiemde trosgierst wordt graag genomen.
Fok
Lukt bij een goede verzorging bijna altijd en de jongen
groeien meestal probleemloos op. Fokvogels moeten tenminste
een jaar oud zijn. Broedbegin in buitenvolière vanaf april/mei, in binnenvluchten
vanaf maart. Een broedblok met een diameter van 15 cm en een hoogte van 30 cm
of een zelfgemaakte nestkast met een binnenwerkse oppervlakte van 20 x 20 en
een hoogte van 30 cm en een invlieggat van 5 à 6 cm doorsnede voldoet
uitstekend. Ook horizontaal uitgevoerde nestkasten voldoen goed. Op de bodem
een laag vermolmd hout of een mengsel van turfmolm en spaanhout aanbrengen. De
nestkast bij voorkeur in het overdekte gedeelte van de volière ophangen. De
eieren worden om de andere dag gelegd; legselgrootte variërend van 4 tot 7
eieren. De pop broedt alleen; broedduur 18 dagen. De nestperiode is ca. 4
weken; de eerste dagen na het uitvliegen zijn de jongen erg schuw en
schrikachtig en vliegen overal tegenaan, zodat de kans op letsels groot is;
bovenzijde en kopse kant van de volière met dennentakken of brem afdekken.
Nadat de jongen uitgevlogen zijn worden ze nog ongeveer 2 weken door de
oudervogels gevoerd, een week later zijn ze zelfstandig. Aanbevolen ringmaat 4
mm. Drie broedsels per jaar zijn geen uitzondering. Na twee broedsels broedblok
wegnemen om uitputting van de ouderdieren te voorkomen.
Mutaties
Aqua: autosomaal recessief
Turquoise: autosomaal recessief
Blauw: autosomaal recessief
Pastel: autosomaal recessief (niet in Europa)
Cinnamon: geslachtsgebonden recessief
Pallid: geslachtsgebonden recessief
Misty :
autosomaal co-dominant (niet in Europa)
Dominant bont:
autosomaal dominant
Grijs: autosomaal
dominant
Recessief bont: autosomaal recessief
Fallow
(bronze fallow): autosomaal recessief
Ino: geslachtsgebonden recessief
Platinum: geslachtsgebonden recessief
Violet: autosomaal co-dominant
Tekst: H.W.J. van der Linden