Genus
NEOPSEPHOTUS Matthes, 1912 – BOURKE PARKIETEN
Neopsephotus bourkii
(Gould, 1841)
Verspreidingsgebied: binnenland van Centraal- en Zuid-Australië
Formaat: 19 cm.
Man: voorhoofdsband en wenkbrauwstreep bleek ultramarijnblauw. De teugels het voorste gedeelte van de wangen en een smalle rand rondom de ogen, achter het oog spits toelopend, vuilwit. Schedeldek, achterkop en nek donkerbruin met donkerroze aanslag. Wangen, hals, keelstreek en het centrale gedeelte van de borst dieproze met donkerbruine schubtekening (donkerbruine veertjes met een ca. 2 mm brede dieproze zoom); de zijkanten van de borst zijn wat donkerder, meer bruin, minder roze. Mantel, rug en stuit aardebruin. Buik rozerood. Dijen, flanken en anaalstreek bleek ultramarijnblauw; het blauw loopt door tot op de zijkanten van de stuit. Vleugeldek aardebruin, de afzonderlijke veertjes zijn geel omrand wat het vleugeldek een regelmatig geschubd aanzien geeft. Vleugelbocht, duimveertjes en vleugelrand ultramarijnblauw. Slagpennen en primaire vleugeldekveren aardebruin met violetblauwe buitenvlag. Bovenstaartdekveren aardebruin; onderstaartdekveren bleekhemelsblauw. Bovenzijde middelste staartpennen aardebruin, de buitenvlaggen zijn met een blauw waas overgoten; onderzijde middelste staartpennen zwartbruin. Onderkant trapsgewijs verlopende staartpennen in gesloten toestand vuilwit. Oogiris donkerbruin. Snavel grijsachtig hoornkleurig; neusdop variërend van bruin tot bruingrijs. Poten grijsachtig bruin; nagels grijszwart.
Pop: zeer smalle vuilwitte voorhoofdsband. De vuilwitte rand om de ogen en op het voorste gedeelte van de wangen is iets uitgebreider dan bij de man. Over het geheel genomen iets fletser van kleur. Poppen tonen onder de vleugels een witte vleugelstreep. Voor het overige geheel gelijk aan de man.
Let wel: als gevolg van het domesticatieproces, dat bij de Bourke’s parkiet al zeer ver gevorderd is, zijn de in gevangenschap geboren en opgegroeide vogels al gauw 25% groter dan hun in het wild levende soortgenoten. Een goed geproportioneerde vogel haalt momenteel gemakkelijk 24 cm.
Naast Bourke’s parkieten met geel gezoomde
vleugeldekveertjes, kennen we in gevangenschap ook een variëteit met roodbruin
gezoomde vleugeldekveertjes.
Algemene informatie
Lange tijd was de Bourke’s parkiet ingedeeld in het genus Neophema. Een toenemend aantal ornithologen is van mening dat de Bourke’s parkiet niet thuishoort in het geslacht Neophema en hebben de soort ingedeeld in een apart geslacht, genaamd: Neopsephotus.
Bourke’s parkieten behoren tot de meer algemeen gehouden soorten waarmee veelvuldig wordt gefokt. Ook zeer geschikte vogel voor beginnende vogelhouders.
Wet budep
Vredelievende voličrevogel die nauwelijks geluid maakt en alleen in de vroege morgen- en late avonduren actief wordt; vertrouwelijk en rustig van aard; gemakkelijk te houden; knaagbehoefte nauwelijks aanwezig; de behoefte om te baden verschilt per individu; goed bestand tegen droge vorst, echter gevoelig voor natte kou en mist zoals we dat hier in herfst en winter kennen; vogels scharrelen graag op de grond en zijn mede daardoor gevoelig voor worminfecties. Ook gevoelig voor ooginfecties.
Huisvesting en
verzorging
Paarsgewijs in buitenvoličre, best overdekt; minimale afmetingen (lxbxh) 2 x 1 x 2 m (beter 3 m lang) met een liefst vorstvrij te houden nachthok van minimaal 1,5 m˛ vloeroppervlakte. Tijdelijke onderbrenging in ruime broedkooien (bijv. 100 x 60 x 80 cm hoog) tijdens fokperiode is mogelijk, maar daarna moeten de vogels weer over een grotere ruimte kunnen beschikken, teneinde conditieverlies te voorkomen. Ook huisvesting in gemeenschapsvoličre behoort tot de mogelijkheden. Dagelijks vers badwater verstrekken. Geef zo mogelijk zitstokken van vers hout. Tweemaal per jaar een wormkuur geven.
Voeding
Gevarieerd zaadmengsel voor grote parkieten, waarin slechts een matig percentage vetrijke zaden zoals negerzaad, hennep en zonnebloempitten zit. Verder eivoer (gerantsoeneerd), allerhande groenvoer, vooral halfrijpe graszaden, halfrijpe onkruidzaden en trosgierst. Dagelijks vers drinkwater, maagkiezel en grit. In de broedtijd meer eivoer geven eventueel rul maken met gekiemd zaad of geraspte wortel; voorts in melk geweekt oud bruinbrood en gekiemd zaad, vooral gekiemde trosgierst wordt graag genomen.
Fok
Lukt bij een goede verzorging bijna altijd en is dan ook niet moeilijk. Fokvogels moeten tenminste een jaar oud zijn. Broedbegin in buitenvoličre vanaf april/mei, in binnenvluchten vanaf maart. Een broedblok met een diameter van 15 cm en een hoogte van 30 cm of een zelfgemaakte nestkast met een binnenwerkse oppervlakte van 20 x 20 en een hoogte van 30 cm en een invlieggat van 5 ŕ 6 cm doorsnede voldoet uitstekend. Ook horizontaal uitgevoerde nestkasten voldoen goed. Op de bodem een laag vermolmd hout of een mengsel van turfmolm en spaanhout aanbrengen. De nestkast bij voorkeur in het overdekte gedeelte van de voličre ophangen. De eieren worden om de andere dag gelegd; legselgrootte variërend van 4 tot 8 eieren. De pop broedt alleen; broedduur 18 dagen; nesttijd ca. 4 weken; de eerste dagen na het uitvliegen zijn de jongen erg schuw en schrikachtig en vliegen overal tegenaan, zodat de kans op letsels groot is; bovenzijde en kopse kant van de voličre met dennentakken of brem afdekken. Nadat de jongen uitgevlogen zijn worden ze nog ongeveer 2 weken door de oudervogels gevoerd, daarna zijn ze zelfstandig. Ringmaat 4 mm. Drie broedsels per jaar zijn geen uitzondering. Na twee broedsels broedblok wegnemen om uitputting van de ouderdieren te voorkomen.
Bourke’s parkieten zijn uitstekende pleegouders voor andere neophemasoorten.
Mutaties
Fallow
(bronze fallow): autosomaal recessief
Pale fallow: autosomaal recessief
Bont: autosomaal recessief
Opaline (roze): geslachtsgebonden recessief
Faded: autosomaal recessief (niet in Europa)
Lutino: geslachtsgebonden recessief
Violet: autosomaal co-dominant
Gezoomd: autosomaal recessief
Recessief bont: autosomaal recessief
Cinnamon (? Bestaan staat niet onomstotelijk vast): cinnamon vererft per definitie geslachtsgebonden recessief
Pallid: (? Mutatie wordt nader onderzocht) geslachtsgebonden recessief.
Tekst: H.W.J. van der Linden