Hoodedparkiet
Psephotus dissimilis Collet, 1898
Verspreidingsgebied
Noordoostelijke
streken van het Noordelijk Territorium van de Macarthurrivier westwaarts tot
aan het Arnhem-Land-Plateau (Centraal Arnhem-Land), Australië.
Soortbeschrijving
Formaat
Man:
voorhoofd, teugels, schedeldek en nek zwart. Kin, keel, zijkanten van kop en
hals, alsook de bovenborst zijn diep turquoiseblauw. Onderborst, buik, flanken,
dijen en anaalstreek turquoiseblauw. Rug en stuit turquoiseblauw. Mantel en
centrale vleugeldek donker aardebruin, middelste en kleine vleugeldekveertjes
diep goudgeel. Hand- en armpennen donkergrijs met blauwe buitenvlag.
Bovenstaartdekveren turquoiseblauw; onderstaartdekveren rood met crèmewitte
veerzoompjes. Bovenzijde primaire staartpennen olijfgroenachtig aan de
uiteinden blauwachtig zwart; secundaire staartpennen blauwgroen met vuilwitte
tippen. Ogen nagenoeg zwart met bruine iris, de ogen omgeven door een smalle
naakte donkergrijze oogring. Snavel blauwgrijs. Poten grijsbruin; nagels donkergrijs.
Pop:
Voorhoofd, schedeldek en zijkanten van de kop bleek grijsachtig groen,
overgaand in de overwegend bleekgroene kleur van nek en mantel. Keelstreek en
borst zijn bleekgroen, buik, dijen, flanken en anaalstreek tonen bleekblauw.
Rug en stuit turquoiseblauw. Vleugeldek smaragdgroen, ietwat gehamerd aandoend.
Grote vleugelpennen grijsachtig met een lichtgrijsgroenachtige buitenvlag.
Bovenstaartdekveren turquoiseblauw; onderstaartdekveren vaalrood met crèmewitte
veerzoompjes. Bovenzijde primaire staartpennen bruingroen; secundaire
staartpennen blauwachtig grijs met witte tippen. Ogen vrijwel zwart met bruine
iris, de ogen omgeven door een smalle naakte donkergrijze oogring. Snavel
blauwgrijs. Poten grijsbruin; nagels donkergrijs.
Taxonomische
indeling
De hoodedparkiet werd in de wereld van de
ornithologie velen jaren gezien als een ondersoort van de goudschouderparkiet (Psephotus chrysopterygius). Diepgaand
taxonomisch onderzoek door Sibley & Monroe (1990), Christides & Boles
(1994), Colar (1997), Schodde (1997) Juniper & Parr (1998) en Dickinson
(2003) heeft ertoe
geleid dat men thans over voldoende bewijsmateriaal beschikt om de
hoodedparkiet de status van een zelfstandige soort te geven, ergo Psephotus dissimilis.
Biotoop
Het
milieu waarin de hoodedparkiet leeft, komt vrijwel overeen met dat van de
goudschouderparkiet (Psephotus
chrysopterygius). Men treft ze aan in heuvelachtige open bosgebieden
doorkruist met talrijke rivieren en beken, ruige halfdroge grassavannen met
verspreide boomgroei van vooral Eucalyptus en Melaleuca soorten en veel actieve
termietenheuvels. Deze vogels worden ook wel gezien rond rotsachtige hellingen
en in galerijbossen langs waterlopen. In het gehele verspreidingsgebied heersen
gedurende het gehele jaar tropische temperaturen tussen de 30° en 35° Celsius
waarbij de luchtvochtigheid waarden tussen de 90 en 100 procent bereikt.
Status wildpopulatie
De
hoodedparkiet wordt aan de randen van het verspreidingsgebied alleen nog maar
plaatselijk gesignaleerd. In de omgeving van Pine Creek en de Daly-rivier zijn
de vogels nog goed vertegenwoordigd. Algemeen voorkomend is de hooded in
gebieden waar de oorspronkelijke bevolking van Australië, (= Aboriginal) leeft
en waar de jaarlijkse grasbranden plaatsvinden en de beweiding minimaal is, of
rond rotsachtige hellingen, waar de beschikbaarheid van voedsel in het natte
seizoen relatief verzekerd is.
Hoewel
de totale populatie
grootte niet gekwantificeerd is, schat men de aanhoudende daling van de soort
in tien jaar op 10 procent. Om deze redenen kan de populatie beschouwd worden
als bedreigd, maar is de huidige bevolkingsdichtheid van de soort niet direct
alarmerend.
De
voornaamste oorzaak van de gestadige achteruitgang is de drastische verandering van hun
leefgebied, voornamelijk als gevolg van de veehouderij waardoor het
oorspronkelijke open grasland geleidelijk veranderde in open bosgebieden met
hoge bomen (Melaleuca) en allerlei
opslag van zaailingen van vreemde oorsprong. Menigmaal wordt ook de illegale
vogelvangst wel genoemd,
maar hoewel aannemelijk is dat dit plaatselijk gevolgen heeft
gehad voor de populatie, kan het zeker niet verantwoordelijk worden gehouden
voor het teruglopen van het gehele hoodedbestand. De aanwezigheid van talrijke
natuurlijke vijanden spelen ongetwijfeld een veel grotere rol. De nestroof van
eieren en jongen kan voor een groot deel toegeschreven worden aan de
zwartkopvaraan (Veranus tristis) en
de klapeksters (genus Cracticus ) die
in het levensgebied van de hooded voorkomen. Ook de
Australische boomvalk (Falco longipennis)
en wilde katten vormen een ernstige bedreiging voor de hoodedparkiet.
De
hoodedparkiet is opgenomen in het CITES-verdrag Appendix I
Europese regelgeving inzake het bezit van en de handel in bedreigde in het wild
voorkomende dier- en plantensoorten
De
hoodedparkiet is opgenomen in de Bijlage
A van de Europese Basisverordening. In de Basisverordening (EG) nr. 338/97 zijn de regels gesteld omtrent invoer, uitvoer, wederuitvoer, doorvoer,
eigendomsoverdracht en commerciële handelingen.
Omdat
er met de hoodedparkiet in gevangenschap veel wordt gefokt en er vrijwel geen
uit wildvang afkomstige vogels worden verhandeld, is de soort tevens opgenomen
in Bijlage X van de Uitvoeringsverordening. In de Uitvoeringsverordening (EG) 865/2006 wordt o.a. beschreven aan welke
voorwaarden vergunningen en certificaten moeten voldoen, welke merktekens
(ringen) moeten worden gebruikt. Voorts worden in deze
verordening verschillende begrippen nauwkeuriger verklaard, zoals in welke
gevallen er sprake is van in gevangenschap gefokte en geboren dieren.
Volgens
de nationale regelgeving is men niet verplicht Bijlage X-vogels, die
aantoonbaar in volièremilieu zijn gefokt van een naadloos gesloten pootring te
voorzien. Ook hoeft men geen registratie in een register bij te houden zoals
bedoeld in de Regeling administratie
bezit van en handel in beschermde dier- en plantensoorten.
Hoewel
het ringen dus geen verplichting is doet men er goed aan deze vogels altijd te
voorzien van een naadloos gesloten pootring voor beschermde vogels en daarbij
de maat aan te houden zoals aangegeven in bijlage 1 van de Regeling afgifte en kenmerken naadloos gesloten pootringen en andere merktekens t.b.v. beschermde
inheemse en beschermde uitheemse vogels .
De
volgens deze regelgeving geringde hoodedparkieten mogen vrij verhandeld worden.
Voor niet geringde of niet juist geringde vogels is bij overdracht of
commerciële handelingen steeds een EG-certificaat nodig.
De
volledige teksten van de Basisverordening
en de Uitvoeringsverordening zijn te
vinden op www.hetinvloket.nl
Leefwijze
Hoodedparkieten
leiden binnen het verspreidingsgebied een zwervend bestaan als gevolg van
periodieke voedselschaarse op bepaalde locaties.
Deze
parkieten leven meestal paarsgewijs of samen met hun jongen, maar buiten het
broedseizoen worden ze ook wel in kleine groepen aangetroffen. Ze worden ook
vaak in gezelschap gezien van spitsvogels of zwaluwspreeuwen behorend tot het genus Artamus.
Het
voedsel bestaat voor het grootste deel uit graszaden vooral uit het geslacht Eriachne, verder eten ze allerhande
onkruidzaden, die ze meestal van de grond oppikken. Menigmaal ritsen ze de
zaden ook wel rechtstreeks van de grashalm of zaadtros. Ook bessen, blad- en
bloemknoppen staan op hun menu, evenals insekten en hun larven.
Bij
het krieken van de dag trekken de vogels naar de dichtstbijzijnde drinkplaats
om te drinken en zich te baden. Hierna begint hun zoektocht naar voedsel tussen
de grassen en kruidachtige gewassen op de grond. Bij onraad vluchten ze
onmiddellijk naar de dichtst bijstaande struik of boom.
Zodra
het gevaar geweken is keren ze terug op de grond.
Tegen
de middag trekken de vogels zich terug in de hoge boomkruinen van een Eucalyptus of Melaleuca bij voorkeur in
de nabijheid van water. In de late namiddag
keren ze terug op de grond om te foerageren en een bezoek aan de
drinkplaats brengen.
Het
broedseizoen in de wildbaan loopt van mei tot januari.
Hoodedparkieten
nestelen vrijwel uitsluitend in door hen zelf uitgegraven holten in de hoge
termietenheuvels van de spinifextermiet, Nasutitermes
triodiae. Incidenteel zijn echter ook wel nesten gevonden in boomholten.
De
gemiddelde hoogte van de termietenheuvels in het verspreidingsgebied van de hooded varieert van 2 tot
Als
de broedtijd nadert wordt in verschillende termietenheuvels een begin gemaakt
met het uitgraven van een tunnel. Het maken van een dergelijke uitholling gaat
zo vlak na het regenseizoen nog vrij goed doordat de termietenbouwsels door de
vele en langdurige regenval zachter zijn dan in het droge seizoen. Zodra de
broeddrift sterk genoeg is wordt in de favoriete termietenheuvel een volledige
toegangstunnel uitgegraven met aan het einde een nagenoeg ronde of ietwat ovale
broedkamer met een gemiddelde doorsnede van ongeveer 14 à
Het
legsel bestaat
uit 3 tot 6 eieren, die om de andere dag gelegd worden. De pop broedt alleen.
Tijdens de broedperiode wordt ze door de man van voedsel voorzien. Zodra de man
de nestholte nadert lokt hij de pop naar buiten en voert haar vervolgens buiten
het nest. Na een week broeden komt de pop vaker en
langduriger van het nest om gevoerd te worden en zich te verpozen. Bij onraad verlaat de pop onmiddellijk het nest en brengt zich in
veiligheid. Pas als alles weer veilig is, keert de pop op het nest terug. De opgeslagen warmte in het binnenste
van de termietenheuvel voorkomt dat het broedsel niet teveel afkoelt. De
broedduur bedraagt ongeveer
20 dagen. Als er jongen zijn worden ze ongeveer elk uur door de
pop gevoerd. Na een dag of vijf zes wordt de pop hierbij door de man geholpen.
De jongen blijven ruim 4 weken in het nest, menigmaal tot ze 5 weken oud zijn.
Na het uit vliegen worden ze nog ongeveer 3 weken door beide ouders bijgevoerd.
De jongen trekken dan nog een poosje samen met hun ouders op. Nadien vormen ze
veelal kleine groepjes met andere pas uitgevlogen jongen.
In
de wildbaan leeft de hoodedparkiet tijdens de broedperiode samen met de
nachtvlinderachtige mot Trisyntopa neossophila.
Deze mot legt haar eitjes in het nest van de hoodedparkiet zodat het uitkomen
van de larven volkomen synchroon loopt met het uitkomen van het legsel van de vogel.
De larven voeden zich met de uitwerpselen en mogelijk
ook met veerschilvers van de jongen en houden op deze manier het nest schoon.
Zelfs de met fecaliën bevuilde pootjes van de jongen worden door de motten
schoongehouden. Als de jongen uitvliegen verplaatsen
de larven zich naar de wanden van de nestholte om te verpoppen.
Algemene informatie
Hoewel
de populariteit van de hoodedparkiet de laatste decennia een stijgende lijn
laat zien, staat de soort nog altijd op een bescheiden plaats in de avicultuur.
De voornaamste reden is waarschijnlijk dat ze niet zo gemakkelijk in
volièremilieu te houden en te fokken zijn en hoge eisen stellen aan
voorzieningen en verzorging. De hooded is dan ook geen vogel voor beginners.
Wanneer
deze vogels voor het eerst in Europa ingevoerd werden is niet precies bekend,
maar waarschijnlijk aan het begin van de vorige eeuw. In het najaar van 1912
broedde de Engelsman Hubert Astley als eerste met de hooded; zijn koppel bracht
uit een nest van vijf, vier jongen groot. In het voorjaar van 1913 kreeg hij nogmaals 2 jongen op stok. In Nederland broedde Dr. Polak al
voor de Tweede Wereldoorlog met de hooded. De jongen werden na het uitkomen
echter overgelegd bij een koppel roodrugparkieten, dat ze zonder problemen
groot bracht.
Van
de hooded zijn verschillende rasonzuivere vogels in omloop. Het gaat om
nakomelingen uit de kruising veelkleurenparkiet en hoodedparkiet en uit de paring hoodedparkiet
x goudschouderparkiet. Het is dus zaak bij aanschaf goed op de raskenmerken te
letten. Mocht u aan de raszuiverheid van de vogels twijfelen, raadpleeg dan
liever iemand die kennis van zaken heeft.
Gedrag
Hoodedparkieten
kunnen redelijk goed tegen ons klimaat., maar zijn
gevoelig voor kille en natte weersomstandigheden. Het zijn
rustige vogels; beweeglijk en actief; niet schuw; raken snel vertrouwd met hun
verzorger; hun stemgeluid is zeker niet storend; vogels komen graag en veel op
de grond; baden graag; niet knaaglustig. In de broedtijd agressief
tegenover andere vogels; ook buiten de broedtijd is het samenhouden met
soortgenoten of andere vogelsoorten niet aan te raden. Jonge vogels kan
men echter zonder problemen samen in een volière houden. Als vuistregel een vloeroppervlakte van een vierkante
meter per vogel aanhouden.
Huisvesting en
verzorging
Paarsgewijs
in buitenvolière met minimale afmetingen van (lxbxh) 2,5 x 1 x
Als
bodembedekking in de buitenvolière kan men het beste een dikke laag grof
rivierzand nemen.
Een
kennis van mij houdt zijn broedparen in kistkooien die
tegen de achterwand van een ruime te verwarmen binnenruimte zijn geplaatst. De
kistkooien zijn
De
hoodedparkiet kan men eenzelfde nestgelegenheid aanbieden als beschreven voor
de goudschouderparkiet. De hoodedparkiet zal net als in de natuur ook wel een
boomstam als nestgelegenheid accepteren. De goudschouder doet dat niet. Zover
mij bekend is er nog nooit een goudschouder in een natuurbroedblok geboren.
De
eigenlijke broedruimte van een zelfgemaakte nestkast moet een binnenwerkse
bodemoppervlakte van 15 x
Wegens
hun agressiviteit tijdens de broedperiode tegenover andere soorten moet men
geen soortgenoten of andere Psephotussoorten direct naast elkaar huisvesten
waarbij ze elkaar kunnen zien. Als de volières door ondoorzichtige tussenwanden
van elkaar zijn gescheiden kan men de vogels gerust naast elkaar zetten. Verse
wilgen- of fruitboomtakken (onbespoten) als zitstokken bevredigen hun knaaglust
en dragen ertoe bij dat de vogels het houtwerk van de volière met rust laten.
De takken regelmatig door verse vervangen. Dagelijks vers badwater verstrekken.
Aangezien deze vogels veel op de grond komen is het
zaak de vogels regelmatig op wormen te controleren en zonodig een wormkuur te
geven.
Voeding
Als
basisvoedsel dient men de vogels een gevarieerd zaadmengsel voor te zetten
waarin de volgende zaden in de aangegeven hoeveelheden zijn verwerkt: 30%
witzaad, 10% graszaad, 6% gepelde en gebroken haver, 10% padie, 8% boekweit,
10% Japanse millet, 10% rode millet, 5% hennep, 4% zonnebloempitten, 2%
lijnzaad en 5% negerzaad. Geef de vogels naast de droge zaadmengeling enkele
keren per week een beetje gekiemd zaad. Verder dagelijks bladgroenten zoals
sla, muur, paardenbloem, herderstasje, perzikkruid, weegbree, enz. een weinig
fruit in de vorm van appel, druiven, rozenbottels en lijsterbessen. In het
zomerseizoen halfrijpe graszaden en aren van haver, of een stuk halfrijpe
kolfmaïs zijn een welkome afwisseling voor de vogels. Geef verder elke dag een beetje eivoer (gerantsoeneerd)
eventueel vermengd met een gelijke hoeveelheid universeelvoer; desgewenst rul
maken met gekiemd zaad. Maak het weekvoer echter niet te vochtig. Wen de vogels
ook aan het eten van meelwormen. In de wildbaan eten ze immers ook insecten en
het is een uitstekende eiwit- , calcium- en fosforbron. Elke dag een paar
meelwormen per vogel is voldoende. Zorg er voor dat de vogels dagelijks schoon
drinkwater krijgen. Ook maagkiezel, grit en een mineralenblok dienen steeds ter
beschikking te staan.
In
de broed- en ruitijd worden dezelfde zaden aangeboden, maar zijn de
hoeveelheden als volgt aangepast: 40% witzaad, 10% graszaad, 8% gepelde en
gebroken haver, 4% padie, 6% boekweit, 10% rode millet, 5% hennep, 7%
zonnebloempitten, 2% lijnzaad en 8% negerzaad. Als er jongen zijn dagelijks ongelimiteerd eivoer geven, d.w.z. zoveel de vogels op
willen nemen. Ook de hoeveelheid meelwormen naar behoefte opvoeren. Het
toevoegen van mierenpoppen of pinkies aan het eivoer, zodra er jongen zijn,
verdient aanbeveling.
Fok
Het
fokken met de hoodedparkiet lukt regelmatig, maar is niet eenvoudig. De eerste
moeilijkheid waarmee de liefhebber wordt geconfronteerd, is het feit dat de
vogels in onze omgeving meestal tijdens de koude maanden broeden, d.w.z. in de
late herfst en/of het vroege voorjaar. Vandaar dat ik hierboven uitgebreid ben
ingegaan op de noodzakelijkheid van verwarmde broedkasten en waaraan ze moeten
voldoen. In de broedruimte zelf moet een temperatuur van minimaal 10° Celsius
heersen en de natuurlijke daglichtlengte kunstmatig tot ongeveer 15 uur worden
verlengd.
De
beste resultaten worden bereikt als men de vogels in de gelegenheid stelt zelf
hun partner uit te zoeken. Men kan daar als de vogels nog niet geslachtsrijp
zijn al mee beginnen. Als men zelf de vogels bij elkaar zet, bestaat de kans
dat man en pop elkaar niet accepteren en het broedseizoen mislukt. Ook vogels waarvan een van de partners is afgevallen, accepteren maar
zelden een andere partner.
Hoewel
in de praktijk is gebleken dat hoodedparkieten al na een jaar in staat zijn
jongen groot te brengen, doet men er goed aan met broeden te wachten tot ze een
maand of zeventien, achttien oud zijn. Vogels die in de herfst van enig jaar
geboren zijn, zou men eigenlijk pas in het voorjaar van het daaropvolgende jaar
voor de fok in moeten zetten; met in het voorjaar van enig jaar geboren vogels
zou men dan tot in de herfst van het daaropvolgende jaar moeten wachten.
Zet
echter geen koppels bij elkaar waarvan de man bijv. in
de herfst geboren is en de pop in het voorjaar of omgekeerd. Dit omdat gebleken
is dat het tijdstip waarop man en pop van dergelijke koppels in broedstemming
komen dikwijls niet met elkaar overeenstemt.
Het
verdient aanbeveling twee nestkasten op verschillende plaatsen in de
broedruimte op te hangen zodat de vogels kunnen kiezen. Op de bodem van de
nestkasten wordt een ongeveer
Sommige
poppen werken het nestmateriaal gedeeltelijk of vrijwel geheel weer naar
buiten, maar dat is vergelijkbaar met de natuurlijke gang van zaken waarbij de
vogel de nestholte zelf uitgraaft. Vrijwel gelijktijdig met het betrekken van
de uitverkoren nestkast kan men ook de eerste paringen waarnemen. Dit gebeurt
meestal ’s morgens vroeg.
Een dag of 10 -14 later kan men dan het eerste ei verwachten. De
eieren worden om de andere dag gelegd, legselgrootte van 3 tot 6 stuks. Meestal
begint de pop na het derde ei te broeden. De pop broedt alleen, maar is
allesbehalve een vaste broedster. Na een week broeden
verlaat de pop regelmatig voor langere tijd het nest om zich door de man te
laten voeren en zich te verpozen. Het is daarom noodzakelijk de temperatuur in
de broedkamer gedurende het eigenlijke broedproces op 20° Celsius te houden,
dit om afkoeling van het legsel zoveel mogelijk te voorkomen. Om de
luchtvochtigheidsgraad voldoende hoog te houden is het noodzakelijk de
onderkant van het deksel van de nestkast regelmatig met lauw water te
besprenkelen; afhankelijk van de luchtvochtigheidsgraad in de binnenvlucht is 2 tot 3 keer in de
week sproeien meestal wel voldoende. De broedduur is variabel en schommelt
tussen de 20 en 21 dagen. Dit houdt verband met de grootte van het legsel, de niet constante bebroeding van het legsel, de
binnentemperatuur van de verwarmde broedkamer alsook de klimatologische
omstandigheden in het vogelverblijf. Gedurende de broedtijd wordt de pop door
de man gevoerd, die zich steeds in de nabijheid van de nestkast ophoudt,
meestal voor de toegangstunnel naar het nest
Zodra
de jongen uitkomen moet de temperatuur in de nestkast
op ongeveer 30° Celsius worden gehouden.
Dit is absoluut noodzakelijk omdat de pop de jongen onvoldoende warm houdt en
na een week, soms al eerder het nest veelvuldig en voor langere tijd verlaat.
Beide ouders voeren de jongen.
Na
een goede week gaan de ogen open en wordt het tijd de
jongen te ringen; ringmaat
Pas
uitgevlogen hoodedparkieten lijken het meest op de volwassen pop. De jonge
mannen zijn lastiger te herkennen dan bij de goudschouderparkieten het geval
is, maar tonen soms het begin van een turquoiseblauwe kleuring op de wangen.
Alle jongen tonen aan de onderzijde van de grote vleugelpennen een witte
streep. Na het uitvliegen worden de jongen nog een week of twee, drie door de
beide oudervogels gevoerd, ongeveer een week daarna, moeten de jongen van de
ouders worden gescheiden omdat de man ze achtervolgt.
Dikwijls
begint het paar dan aan een volgende ronde.
Op
de leeftijd van anderhalf jaar, zijn de jongen volledig op kleur en in staat
zelf voor nageslacht te zorgen.
Mutaties
Van
de hoodedparkiet zijn inmiddels drie kleurmutaties
bekend. Ze komen, zover mij bekend, alleen voor in Australië. Het gaat om de
volgende kleurslagen:
Ino
De benaming ino is afgeleid van albino en
wordt in fokkerskringen veelal gebruikt als verzamelnaam voor de kleurslagen
lutino, aqua-ino en albino.
De
SL-ino mutatie (SL = Sex Linked = geslachtsgebonden) veroorzaakt zwaar
misvormde en onderontwikkelde melanosomale matrixen in de bevedering. De
tyrosinase activiteit wordt door deze mutatie echter niet aangetast, vandaar de
term tyrosinase positief albinisme (TYR-pos). Door de gebrekkige grootte en
vorm van de matrixen wordt er nauwelijks eumelanine aangemaakt, in ieder geval
geen met het blote oog waarneembare hoeveelheden. Wat we zien is een
pigmentloze bevedering waarbij het psittacine volledig tot ontwikkeling komt, hetgeen resulteert in de kleurslag lutino.
De
ino-mutatie vererft geslachtsgebonden of beter, is gekoppeld aan het Z-chromosoom (Z voorheen aangeduid als
X) en recessief ten opzichte van de wildfactor (lees: ongemuteerde inofactor).
Genetisch
symbool ino; wildvorm ino+
De
ino-man wordt als Z ino/Z ino
geschreven de ino-pop als
Z ino/W (W voorheen aangeduid als Y).
Cinnamon
De
cinnamonmutatie verhindert de laatste fase van de pigmentsynthese waardoor bruin
in plaats van zwart melanine wordt gevormd.
De
cinnamonfactor vererft geslachtsgebonden of beter, is net als de ino-mutatie
gekoppeld aan het Z-chromosoom en
recessief ten opzichte van de wildfactor (lees: ongemuteerde cinnamonfactor).
Genetisch
symbool cin; wildvorm cin+
De
cinnamon-man wordt als Z cin/Z cin geschreven
de cinnamon-pop als
Z cin /W .
Bont
Te
oordelen naar de foto’s die ik van deze mutatievorm heb gezien, houd ik het op
dominant bont. Dominant bont mutaties vererven autosomaal en hebben een
dominante kenmerkvorming.
Symbool voor dominant
bont: Pi; wildvorm Pi+
Tekst:
H.W.J. van der Linden