PURPERKAPLORI
Aan het einde van de negentiende eeuw behoorde
de purperkaplori, Lorius domicellus
(Linnaeus, 1758), tot de populairste lori's die samen met de geelmantellori (Lorius garrulus) het meest op de
Europese vogelmarkten aangeboden werden. Al in 1872 waren de eerste
purperkappen in de London Zoo te bewonderen. In tegenstelling tot de
geelmantellori zijn er na de Tweede Wereldoorlog slechts enkele keren
purperkaplori's geïmporteerd. Thans is de invoer van deze lorisoort wettelijk
verboden (Conventie van Washington, Lijst II) en moeten we het doen met het
hier te lande aanwezige bestand.
Herkomst
Het Molukkeneiland Ceram. Kwam vroeger ook
voor op het eiland Ambon, maar is daar vanwege de ontbossing waarschijnlijk
uitgestorven.
Beschrijving
Man en pop tonen geen geslachtelijke
verschillen. Het formaat is ongeveer 28 cm. Algemene lichaamskleur
karmozijnrood, iets donkerder van tint op de mantel. Voorhoofd, teugels en
kruin zwart, aansluitend een violet veerveld op de achterkop. Vleugels
grasgroen, behoudens een klein wit met blauw geschubd veerveld in de
vleugelbocht. Onderkant vleugels (dekveertjes) blauw met dwars over de
vleugelpennen een brede gele band. Over de bovenborst loopt een onregelmatige,
veelal onderbroken gele dwarsband. Dijen violetblauw. Grote staartveren rood,
naar de uiteinden toe overgaand in bruinrood. Donkere ogen met oranje tot
roodbruin gekleurde iris; naakte oogring grijszwart. Snavel oranjekleurig met
een donkere vlek aan de basis van de bovensnavel; washuid donkergrijs. Poten
donkergrijs; nagels zwart.
Biotoop
De purperkaplori is oorspronkelijk een bewoner
van de primairebergwouden. Ook zijn ze wel gesignaleerd aan de rand van nederzettingen.
Thans is het 'Manusela Nationalpark' op Ceram het belangrijkste leefgebied van
de soort. Deze vogels worden meestal in paren aangetroffen, maar er zijn ook
meldingen van alleen rondtrekkende purperkaplori's. Over hun levenswijze en broedgedrag
in de vrije natuur is slechts weinig bekend. Ze broeden in boomholten. Het
legsel bestaat uit 2 eieren.
Het bestand van de purperkaplori in het
verspreidingsgebied is uiterst klein. Tijdens een in 1990 gehouden veldstudie
op Ceram van enige weken, konden slechts zeven waarnemingen worden geregistreerd.
Gevreesd wordt dan ook dat, wanneer er niet spoedig een zeer intensieve
bescherming voor de soort van de grond komt, het binnen niet al te lange tijd
met de purperkaplori op Ceram gedaan is.
Fok
Het eerste broedresultaat met de purperkaplori
dateert uit 1922 en staat op naam van prins Takatsukasa, Japan. In 1939 lukte
de fok in de USA bij een zekere mevr. Bonestell; later lukte het ook in de
dierentuin van San Diego en in de dierentuinen van Beira, Mozambique en
Dhrangadhra, India.
Het eerste broedresultaat in Europa was in
1954 bij Tom Spencer, Engeland. Beide eieren van het legsel kwamen uit, maar
hij kreeg slechts een jong op stok.
Bij Th. Pagel, Duitsland lukte de kweek in
1965 gedeeltelijk. Het
jong werd 11 weken oud. Het stierf in het nest aan de gevolgen van zuur
geworden loribrij.
Armin Brockner, Duitsland geeft details over
enkele behaalde broedresultaten met zijn purperkaplori's aan het einde van de tachtiger
jaren van de vorige eeuw.
Het broedkoppel is gehuisvest in buitenvolière
met aansluitend nachthok. De volière is 7 m lang, 1 m breed en 2 m hoog en
geheel met bomen en struiken omgeven. Gedurende warme zomerdagen is het er nog
aangenaam koel en de vogels zitten er rustig. De nestkast
had de volgende afmetingen: 50 cm breed, 30 cm
hoog en 25 cm diep.
In april 1987 werden met een tussenpoos van
drie dagen, twee eieren gelegd. Het broeden begon op de tweede dag na het
leggen van het eerste ei. Deze taak verricht de pop alleen. Na 14 dagen broeden
werd vastgesteld dat beide eieren bevrucht waren.
Vanaf dat moment werd de voeding van de vogels
enigszins bijgesteld. Naast de bekende loribrij werd CéDé-eivoer verstrekt
waaraan geraspte wortels en hardgekookte eieren waren toegevoegd.
Als groenvoer kregen de vogels kropsla die in
het midden was opengesneden. Vooral kropsla die onder de bladluis zat, had de
voorkeur. Brockner stelde vast dat eerst de luis werd veroberd, daarna pas
begonnen de lori's aan het vaste hart van de slakrop te knabbelen.
Begin mei werd het eerste jong geboren, een
dag later kwam het tweede ei uit. Broedduur 24 dagen. Bij de geboorte zijn de
jongen overdekt met wit dons. De pop voerde goed. Ook de man was actief bij het
voeren van de jongen betrokken. Bij elke nestcontrole bleken de jonge
lorikropjes goed gevuld. De jongen groeiden dan ook voorspoedig. Op de twaalfde
dag werden de vogels geringd; ringmaat 7,5 mm. Na veertien dagen kon men onder
de huid al de eerste kleine veerstoppeltjes zien zitten. Drie weken na het
uitkomen wogen de jonge purperkaplori's al 132 gram en was het eerste nestdons
geheel vervangen door grijs dons, na 4 weken braken op rug en buik de eerste
rode veertjes door. Dit is ook zo ongeveer het tijdstip waarop de ogen
opengaan. Na vijf weken wogen de jongen 170 gram. Overal begonnen nu de
veertjes door te komen. Met zeven weken waren de jongen geheel bevederd, alleen
de staart was nog niet op lengte. Na ruim negen weken en met een gewicht van
230 gram vlogen de beide jongen uit.
Jonge purperkaplori's lijken in grote trekken
op hun ouders. Ze zijn echter wat matter van kleur en hebben een donkere oogiris
en een bruinzwarte snavel. Ook ontbreekt de gele borstband. De
ondervleugeldekveerjes zijn zwart gezoomd.
Ongeveer 14 dagen na het uitvliegen nemen de
jongen zelf voedsel op. Een week later zijn ze geheel zelfstandig. Na een jaar
zijn de jonge vogels geheel op kleur en niet meer van de ouderdieren te
onderscheiden.
Tekst: H.W.J. van der Linden