DE SAFFIERLORI
Vini peruviana (P.L.S. Müller, 1776)
De
lorisoort waar ik het deze keer over wil hebben, behoort tot een van de mooiste
van de papegaaiachtigen en, afhankelijk door welke bril men het bekijkt,
misschien wel van het gehele vogelrijk. Jammer genoeg zijn er op de hele wereld
slechts twee plaatsen waar deze extreem zeldzame vogels in volièremilieu te
zien zijn. In Europa is dat Vogelpark Walsrode, in de USA San Diego Zoo.
Verspreidingsgebied
Het
uiterste westen van de
Genootschapseilanden op de atollen Scilly en Bellinghuizen, alsmede op enkele
kleine eilandjes van de Touamotou archipel met name op de eilandengroepen Tikahau
en Rangiroa en op de eilandengroep Aitutaki welke deel uitmaakt van de
Cookeilanden.
Soortbeschrijving
Formaat
Man
en pop: algemene lichaamskleur donker violetblauw met een diepe glans; de veren
van schedeldek en achterkop tonen opvallend glanzende lichtblauwe
schachtstrepen. Oorstreek, wangen, teugels, hals en bovenborst zijn wit. De
handpennen en bovenzijde van de staartpennen zijn zwart met een donkerblauwe
gloed; de onderzijde van de staart is grijs. De snavel is oranjekleurig. De ogen zijn
nagenoeg zwart met een geelachtige iris; rondom het oog bevindt zich een smalle grijskleurige naakte
oogring. De poten zijn oranjerood, de nagels donkergrijs.
De
man heeft een iets forsere kop en snavel; de snavel is ook een weinig dieper
van kleur.
Biotoop
Het
leven van deze kleine lori speelt zich voornamelijk af in gebieden met veel kokospalmen
(Cocos nucifera), doch ook wel waar
naast kokospalmen ook grote loofbomen voorkomen zoals mangobomen (Mangifera indica). Op Aitutaki wordt de saffierlori
ook wel aangetroffen in hibiscusbossen. Men treft ze echter ook wel aan op gecultiveerde
kokos- en bananenplantages. Soms naderen
ze de mens zelfs tot in hun nederzettingen en tuinen.
Buiten
de broedtijd leeft de saffierlori in kleine groepen tot zo’n 20 stuks. ’s
Morgens vroeg en in de namiddag zijn de vogels het meest actief. Ofschoon ze
beslist niet schuw zijn, laten ze zich in het dichte bladerdek van de palmbomen
moeilijk bekijken. Meestal verraden ze hun aanwezigheid door hun metalliek
klinkende contactroep.
Het voedsel in de wildbaan bestaat voornamelijk
uit bloesems van de kokospalm en van de mangoboom, stuifmeel, nectar en zachte
vruchten. Het opnemen van insecten in de vrije wildbaan is nooit waargenomen,
maar ook niet uit te sluiten.
Het
broedseizoen valt in het droge jaargetijde en loopt van mei tot augustus. Het
nest bevindt zich in holten van halfvergane kokospalmen, okselnissen van
palmbladeren of andersoortige geschikte holtes zoals hangen gebleven verrotte
kokosnoten in de kruinen van de palmbomen doch altijd op een hoogte van
Status
wildpopulatie
Helaas
wordt de saffierlori in de wildbaan in hoge mate met uitsterven bedreigd. Niet
voor niets staat hij op Lijst A van de Conventie van Washington.
Een
van de belangrijkste oorzaken van de dreigende teloorgang van deze lorisoort is
de zeer bescheiden leefruimte. De
saffierlori komt, zoals ik al aangaf, alleen voor op een aantal kleine, ver uit
elkaar gelegen eilandengroepen middenin de Grote Oceaan. Er zijn voorbeelden
genoeg te noemen, dat populaties van vogels op dergelijke kleine eilandjes
buitengewoon kwetsbaar zijn gebleken. Natuurlijke verstoringen van hun biotoop door
zware stormen en de daarmee gepaard gaande ontbossingen hebben ongetwijfeld
bijgedragen aan het teruglopen van de vogelstand op dergelijke kleine locaties.
Maar ook ingrepen van de mens zoals het binnenslepen van scheepsratten (Rattus rattus) en het uitzetten van de
moerashavik (Circus approximans) ter
bestrijding van de ratten, hebben
stellig ook bijgedragen aan de decimering en menigmaal volledige verdwijning
van vogelsoorten op een aantal van deze eilandjes. Ook het gebruik van
insecticiden in de bananenplantages kan hier worden genoemd. Mogelijk hebben
ook de atoomproeven, die in de vorige eeuw in de Grote Oceaan werden uitgevoerd
een rol gespeeld in de teloorgang van een aantal vogelsoorten.
De saffierlori
in volièremilieu
Een
zekere Eastham Guild bracht in 1936 de eerste saffierlori’s mee naar Engeland. De
meeste vogels kwamen terecht bij de Hertog
van Bedford. Tijdens de reis werden de vogels gevoerd met water verdunde
gecondenseerde melk aangezoet met wat suiker en een beetje fruit wat gedurende
de tocht voorhanden was. Hoewel de vogels in goede gezondheid hun bestemming
bereikten, werd hun voeding geleidelijk aangepast. Als fruit kregen de vogels
druiven, appel, peer en zo nu en dan tomaat. Het fruit werd van binnenuit
uitgehold waarbij het vruchtvlees werd opgenomen, de schil bleef steeds
onaangeroerd. Verder kregen de vogels ook tomatensap te drinken. Met groenvoer
hadden ze weinig op, alleen van het aangeboden kruiskruid (Senecio) haalden ze het stuifmeel van de bloemen.
Nadat
ongeveer een halfjaar verstreken was, werd de een na de andere lori ziek en een
aantal ervan ging dood. Pas nadat men de gecondenseerde melk verdunde met eenzelfde
hoeveelheid water, herstelden de vogels
weer en stopten de verliezen.
In
1937 schreef de hertog van Bedfort in Avicultural Magazine dat sommige
saffierlorimannen zonder aanwijsbare
reden plotseling agressief werden en niet zelden met dodelijke afloop de pop aanvielen
waarmee ze voorheen in pais en vree geleefd hadden. In één geval kon het paar
tijdig van elkaar gescheiden worden door de pop in een naastliggende volière
onder te brengen. Pas toen hij waargenomen had dat de man de pop door het gaas
weer voerde werden ze herenigd.
In
1938 geeft de hertog in Avicultural Magazine enkele bijzonderheden prijs over
’s werelds eerste broedsucces met deze vogels die hij in 1937 had behaald. Het
legsel bestond uit 2 eieren; een ei was beschadigd, het andere kwam uit.
Volgens de hertog broeden man en pop beurtelings. Tijdens de opfok van het jong
kregen de oudervogels naast het gebruikelijke dieet elk vier meelwormen per
dag.
Bij
het uitvliegen beschrijft hij het jong als mooi, sterk en prachtig volgroeid en
zijn grootste triomf in zijn leven als vogelliefhebber. Uit het tweede legsel
dat kort hierop volgde, kwamen beide jongen op stok. Een derde legsel bleek
onbevrucht te zijn.
Tegelijkertijd
met de hertog van Bedford kreeg ook Dr. Remscheid, een Belgische liefhebber,
enkele saffierlori’s in zijn bezit, vrijwel zeker afkomstig uit dezelfde
zending. Dr. Remscheid hield de vogels op een papje van gecondenseerde melk en
kindermeel, aangezoet met rietsuiker. Daarnaast kregen de lori’s appel, druiven
en peer. Verder bleken ze dol op muur (Stellaria
media) te zijn waarvan ze zowel de blaadjes, de knoppen, de bloempjes
alsook de onrijpe zaadjes aten. Verder kregen de vogels gewoonlijk een beetje
kokosmelk en elke dag een meelworm, die ze met gretigheid verorberden. De
vogels deden het, zo op het oog, goed op
dit dieet en waren zeer actief. Na verloop van tijd kregen ze echter
overgewicht, zelfs toen de vloeibare voeding ’s avonds vervangen werd door
alleen suikerwater, kwam hierin geen verandering.
Net
als de hertog van Bedford kreeg ook Dr. Remscheid te maken met de agressiviteit
van sommige mannen tegenover de pop. Hij loste dit op door de vleugelpennen van
de man aan een kant te korten, zodat de pop in de grote volière gemakkelijk aan
haar belager kon ontsnappen.
Met
het broeden van de saffierlori was Dr.
Remscheid minder gelukkig. Eind 1936
werd er al eens ei gelegd. Daar de vogels in grote verwarmde binnenvluchten
verbleven werden bij twee paren verticale natuurbroedblokken opgehangen met een
binnenwerkse diameter van slechts
In
een poging het produceren van windeieren te stoppen werden kalkwater en
sepiaschalen aangeboden, maar dit had geen effect. Beide poppen stierven
uiteindelijk aan legnood.
Van
ene mevrouw Lee in de USA is nog een gedeeltelijk broedresultaat uit 1938 bekend.
Het paar broedde weliswaar de eieren uit, maar de jongen werden daarna niet
gevoerd.
Tot
1977 worden er dan verder geen saffierlori’s meer in volièremilieu gehouden,
behoudens misschien in hun geboortestreek, maar daar zijn geen gegevens over
bekend.
In
de herfst van dat jaar werd er een kleine zending saffierlori’s op illegale
wijze in de USA ingevoerd. Volgens de bestaande wettelijke bepalingen moeten
alle illegaal en in beslag genomen
vogels worden afgemaakt. Dit was stellig ook gebeurd als de leiding van
San Diego Zoo niet tussenbeide was gekomen en aanbood de vogels in zijn
collectie op te nemen. Dit werd toegestaan op voorwaarde dat de vogels buiten
de USA gedurende 90 dagen in quarantaine zouden komen. De bekende Engelse
ornithologe en latere curator van Loro Park Tenerife Rosemary Low was bereid
die taak op haar schouders te nemen en zo kwamen de vogels na hun
quarantaineperiode in Engeland terecht in San Diego Zoo. Tijdens hun
acclimatisering- en quarantaineperiode kregen de vogels hoofdzakelijk nectar,
biscuit in nectar gedoopt en fruit te eten. Het fruit bestond vooral uit
granaatappels (Punica granatum),
druiven, harde peren en appels. De vogels werden dagelijks beregend wat ze,
gelet op hun gedragingen, wel scheen te bevallen. Later leerden ze ook in een
aan het gaas opgehangen waterbak te baden. Het kunstmatig geproduceerde geluid
van vallende regen stimuleerde de vogels daarbij.
In
San Diego Zoo werd eind zeventiger- begin tachtigerjaren van de vorige eeuw een
klein bestand saffierlori’s opgebouwd. In 1983 telde de collectie 16 vogels,
waarvan 6 paren. Door ziekten was dit aantal in 1986 tot twee vogels
gereduceerd.
Rosemary
Low kon van haar vogels ook enkele broedsuccessen
melden. Twee paartjes uit Low’s bestand waren in
Tony
Silva, een bekende Amerikaanse ornitholoog, oud-curator van Tenerife’s Loro
Park en auteur van "A Monograph of
Endangered Parrots" geeft in 1989 een aantal details over de
ontwikkeling van een saffierlori in het nest. Deze gegevens, samen met die van
de andere hierboven genoemde houders van saffierlori’s stelden mij in staat
een, naar ik hoop, vrij compleet
overzicht
te schetsen van het voortplantingsproces van deze lori.
Het
natuurbroedblok dient ongeveer
Het
legsel bestaat gewoonlijk uit twee eieren. Het broeden begint na het leggen van
het tweede ei. Beide oudervogels broeden; broedduur 24 dagen, mogelijk een dag
langer. Als de jongen uitkomen hebben ze een roze huidkleur, het kleine
snaveltje toont bruinrood met zwarte vlekjes
de pootjes zijn bleekgrijs. Een dag later komt het nestdons tevoorschijn; kleur
wit. Pootjes en nageltjes tonen donkerder dan
bij het uitkomen. Als de jongen een week oud zijn, laat de huid
minuscule kleine puntjes zien en beginnen de veervelden zich al af te tekenen.
Een dag of vijf later komen tussen het witte nestdons de eerste stoppeltjes te
voorschijn en beginnen zich de ogen te openen. Vanaf dit tijdstip verandert het eerste nestdons langzaam in een
grijskleurige donsbevedering. Op de leeftijd van ongeveer drie weken zijn de
ogen geheel geopend en worden tussen het grijze dons op de rug blauwe
veerstoppeltjes zichtbaar. Een week later beginnen de veerstoppels van de arm-
en handpennen en die van de staart open te gaan. Ruim een maand na het uitkomen
komen ook de veren van kop, borst en rug door. Na een nesttijd van zes weken is de bevedering compleet. Een
goede week later vliegen de jongen uit. De algemene lichaamskleur van de jongen
is duidelijker doffer en minder donker dan die van de oudervogels, masker en
bef zijn grijswit, de poten donker roodbruin, de snavel is nagenoeg zwart.
In
de lente van 2005 kreeg het Vogelpark Walsrode vijf saffierlori’s in bezit met de bedoeling ermee
te broeden. De groep bestond uit een man en vier poppen. Na een
quarantaineperiode werden de vogels in de zomer gehuisvest in het Lori Atrium
van het park.
Begin
2006, bij een bezoek aan het park, kreeg ik deze zeldzame lori voor het eerst
in levende lijve te zien. Ik moet eerlijk bekennen, het deed me wel wat.
Eind
juli 2007 brak in de lori-onderkomens een bacteriële infectie uit waaraan twee
saffierloripoppen stierven. Tot overmaat van ramp, viel enkele maanden
later het mannetje zonder enige
aanleiding plotseling zijn favoriete popje aan waarbij hij haar doodde. De druk
om met het resterende paartje te broeden is thans bijzonder groot, temeer omdat
in de San Diego Zoo de fok met deze soort compleet is komen stil te liggen.
Maar
zelfs als het lukt met het overgebleven paartje in Walsrode te broeden en komt
ook in San Diego de fok weer op gang,
zal het mijns inziens vrijwel onmogelijk zijn met het aanwezige bestand een
levensvatbare stam op te bouwen. Het aantal beschikbare saffierlori’s is gewoon
te weinig. Heel, heel erg jammer.
Tekst:
H.W.J. van der Linden
Geraadpleegde literatuur
R. Low: Parrots
their care and breeding
R. Low: Lories
and lorikeets
F. Robiller: Papageien
Band 1