TWENTY-EIGHT
PARKIET
Van deze grootste
van de Australische platstaartparkieten luidt de wetenschappelijke benaming Barnardius zonarius semitorquatus. De
twenty-eight is een ondersoort van de port-lincoln-parkiet Barnardius zonarius
en van laatstgenoemde te onderscheiden door de groene buikkleur en de rode
veertjes boven de snavel.
Herkomst:
Zuidwest-Australi.
Beschrijving: Formaat ongeveer
40 cm.
Man:
Het voorhoofd toont een scherp afgelijnde voorhoofdsband. Boven- en
achterschedel zijn matzwart, in de nek afgebakend door een gele sikkelvormige
nekkraag. Wangen en kin zijn violetblauw, evenals de vleugelrand. Mantel, rug,
stuit, bovenstaartdekveren en het centrale vleugeldek glanzend donkergroen, de
middelste vleugeldekveertjes voorzien van smalle, iets lichtere groene
veerzoompjes wat ietwat gehamerd aandoet; de kleine vleugeldekveertjes aan de
vleugelbocht lichtgroen; grote vleugelpennen zwart met groene buitenvlag;
keelstreek en bovenborst donkergroen, de afzonderlijke veertjes voorzien van
een ragfijne zwarte omzoming wat een geschubd aanzien geeft; onderborst en buik
middengroen, de kleurscheiding is vrij strak en loopt van vleugelbocht naar
vleugelbocht; dijen, anaalstreek en onderstaartdekveren geelgroen; bovenzijde
grote staartveren donkergroen uitlopend in donkerblauw; onderzijde grote
staartveren bleekblauw met nagenoeg witte uiteinden. De oogiris is bruin, de
snavel heeft een lichtgrijze hoornkleur. Potengrijs; nagels zwart.
De
pop lijkt sterk op de man, maar is iets minder briljant van kleur. Het rood op
het voorhoofd is veel minder nadrukkelijk aanwezig en beperkt zich meestal tot
slechts enkele rode veertjes. De kopvorm is minder fors dan die van de pop en
op de schedel meer rond van vorm. De snavel is duidelijk kleiner.
Biotoop
Het
leefgebied van de twenty-eight beperkt zich tot het uiterste zuidwesten van
Australi. Het is een tamelijk vochtig gebied ongeveer zo groot als ons land
met deels hoge boomgroei, voornamelijk eucalyptusbossen. Klimatologisch is de
streek vergelijkbaar met het Middellandse Zee gebied. Behalve in de dichte
eucalyptusbossen langs de kust treft men deze vogels ook aan in
landbouwgebieden en zelfs wel in tuinen en parken. Ze zijn meestal paarsgewijs,
maar worden ook wel in kleine groepen gesignaleerd. In de vrije natuur voeden
twenty-eight parkieten zich op de eerste plaats met noten, zaden en
boomvruchten, daarnaast met grassen. Verder schijnen ze zich ook tegoed te doen
aan nectar, die ze uit de bloesems halen, die ze afbijten en in hun snavel uitpersen.
De vogels hebben een duidelijke voorkeurvoor halfrijpe, nog zachte zaden en
noten. Voorts zijn deze vogels verzot op de granen en vruchten die de
gecultiveerde landbouwgebieden voortbrengen. Vandaar dat ze bij de farmers niet
erg geliefd zijn en vaak fel bejaagd worden.
De
natuurlijke broedperiode strekt zich uit van augustus tot februari. Alleen als
de natuurlijke omstandigheden gunstig zijn, worden twee legsels grootgebracht.
Als broedplaats zoeken de vogels een holle tak of boomholte uit, doorgaans op
zeer grote hoogte. Met hun sterke snavel maken ze de nestruimte verder
geschikt. Het hout dat ze aan de binnenzijde wegknagen valt op de bodem van de
nestruimte en dient als ondergrond voor de eieren. Het legsel bestaat uit vier
tot zeven, doorgaans echter vier eieren.
Huisvesting en
verzorging
Ofschoon
de twenty-eight in 1862 al in de dierentuin van Londen te zien was, is hij in
de volire van de liefhebber nooit een algemene verschijning geworden. Stellig
heeft dat voor een deel gelegen aan het uitvoerverbod dat aan het begin van de
zestigerjaren door de Australische regering werd afgekondigd. Men moest het
doen met de op dat moment in Europa aanwezige exemplaren en dat waren er niet
zo erg veel; bijgevolg zeer hoge prijzen. Gelukkig zijn de broedresultaten
steeds vrij goed geweest waardoor de prijs de laatste jaren vrij constant is
gebleven en de vogels ook binnen het bereik van de gewone liefhebber zijn
gekomen.
De
twenty-eight parkiet heeft vrij veel ruimte nodig. Een vlucht van 4 5 m,
inclusief nachtverblijf moet dan ook wel als minimum eis gesteld worden. Verder
dient men aan weerszijden van hun vlucht geen andere Barnardius-soorten te
huisvesten, want ze zijn nogal vechtlustig van aard, zeker tijdens de
broedtijd.
De
beste broedblokken voor dit soort vogels zijn natuurstammen van 75 90 cm
hoogte met een inwendige diameter van ca. 25 cm; doorsnede invlieggat 8 cm. Als
bodembedekking brengen we een laagje vermolmd hout of grof zaagsel aan. Hang
het blok in het aan de voorzijde open nachtverblijf op.
Als
basisvoer krijgen deze vogels een goed zaadmengsel voor grote parkieten. Naast
het zaadmenu dient men de vogels regelmatig eivoer, groenvoer en een stukje
wortel of appel aan te bieden.Ook rozenbottels en lijsterbessen worden graag
gegeten en kunnen van tijd tot tijd in bescheiden mate worden aangeboden. Een
bakje met maagkiezel en een met grit en dagelijks vers drink- en badwater zijn
natuurlijk steeds aanwezig. Zorg verder regelmatig voor wat verse knaagtakken.
Als
er jongen zijn dient elke dag vers eivoer gegeven te worden.
De fok
Het
eerste broedresultaat met de twenty-eight parkiet dateert van 1881 en staat op
naam van de Belgische graaf Celle de Sprimont. In hetzelfde jaar broedde de
Franse markies de Brisay eveneens met deze soort. Tot de zestiger jaren zijn de fokresultaten met de twenty-eight echter zeer
bescheiden gebleven. Vanaf 1965 is er vooral in Belgi regelmatig mee gefokt.
De
broedstemming kondigt zich aan als man en pop beide met de staart beginnen te
schudden, zoals we dat van de platstaartparkieten kennen en de man de pop
begint te voeren. Dit kan al vroeg in het voorjaar het geval zijn. Na deze
gedragingen worden meestal na enige tijd de eerste paringen waargenomen, maar
dit kan soms ook nog een hele tijd op zich laten wachten.
Na
de paring volgt vrij spoedig het eerste ei. De eieren worden om de andere dag
gelegd. Na het leggen van het derde ei gaat de pop gewoonlijk zitten; broedduur
21 dagen. Tijdens de broedperiode wordt de pop door de man gevoerd. De man
houdt zich daartoe bijna de gehele dag in de buurt van het blok op. Soms houdt
hij de pop in het blok gezelschap. De pop broedt echter alleen.
De
jongen groeien vrij snel. Rond de tiende dag kunnen ze geringd worden; ringmaat
6 mm. De nestduur van de jonge vogels is ongeveer vijf weken. De eerste dagen
worden de jongen alleen door de pop gevoerd, later door beide oudervogels.
Naarmate de jongen ouder worden, neemt het voeren af. Zodra de jongen
zelfstandig zijn dienen ze uitgevangen te worden. Soms volgt er dan nog een tweede
legsel. Pas uitgevlogen vogels lijken op de pop. Ze komen pas het tweede jaar
volledig op kleur en zijn dan ook geslachtsrijp.
Mutatie
Van
de twenty-eight parkiet is een blauwe mutant bekend. Deze mutatie trad in 1980
op in Tschechoslowakije. Uit een nest van vier, afkomstig van uiterlijk groene
oudervogels, kwamen twee groene en twee blauwe jongen tevoorschijn. Waar de
wildvorm donkergroen is, is de mutant donkerblauw, waar de wildvorm lichtgroen
toont, is de mutant hemelsblauw; voorhoofd en nekkraag zijn zuiver wit. Uit de
verdere nakweek is inmiddels komen vast te staan dat de blauwe mutant recessief
is ten opzichte van de groene wildkleur. Overigens is de blauwe twenty-eight
nog uiterst zeldzaam.
Ten slotte
"En
de gele twenty-eight dan, hoor ik sommigen al roepen, "hoe staat het dan
daarmee? Welnu, hierover kan ik kort zijn.
De
gele twenty-eight bestaat niet. De verschijningsvorm die hiermee wordt bedoeld
is niets anders dan een kruising tussen een twenty-eight en een Port-Lincoln en
dus een bastaardvorm.
De
Port-Lincoln leeft in zijn geboorteland Australi noordelijk van de
twenty-eight. In het raakgebied komen door bastaarderingovergangsvormen voor
die onderling ook nogal van elkaar verschillen. In het zuiden is de invloed van
de twenty-eight sterker, in het noorden die van de Port-Lincoln.
Naast
de verschillen in kleur zijn de twenty-eight en de Port-Lincoln ook duidelijk
van elkaar te onderscheiden door hun roep.
Bij
de Port-Lincoln is de roep tweelettergrepig, bij de twenty-eight bestaat de
lokroep uit drie lettergrepen, die zich met wat fantasie laat aanhoren als
'twen-ty-eight', vandaar ook de benaming. De lokroep van de bastaardvormen is
steeds tweelettergrepig en komt overeen met die van de Port-Lincoln.
Dus
nogmaals voor alle duidelijkheid: de raszuivere twenty-eight heeft een groene
buik, een rode voorhoofdsband en een drielettergrepige roep.
Tekst:
H.W.J. van der Linden