VEELKLEURENPARKIET - Psephotus varius Clark, 1910
Verspreidingsgebied
Het
binnenland van Zuid-Australië, vanaf het centrale en zuidelijke gedeelte van de
staat West-Australië oostwaarts via het zuiden van de staat Noord-Australië tot
aan Zuidwest-Queensland, West-Nieuwzuidwales alsmede
het noordwestelijke randgebied van Victoria.
Soortbeschrijving
Formaat:
ongeveer
Man:
Voorhoofdsband geel. Kruin, achterkop, nek, kopzijden, mantel en de hierbij
aansluitende veertjes van het centrale vleugeldek zijn blauwgroen; op de
bovenschedel bevindt zich een donkerrode vlek. De kleur van halszijden, bef, borst, het onderste gedeelte
uitlopend in een punt tussen de inplant van de poten, is grasgroen. Flanken,
dijen en de rest van het onderlichaam zijn geel
en doorlopen met variabele oranjerode vlekken. De middelste vleugeldekveren
zijn bleekgroen, de buitenste kleine vleugeldekveren variëren van geel tot
oranje. De binnenste kleine vleugeldekveren en de dekveren van de handpennnen,
de vleugelboeg en de ondervleugeldekveren zijn violetblauw. Buitenste
vleugeldekveren van de handpennen groen met brede violetblauwe zoom; de
binnenste armdekveren zijn eveneens groen, maar tonen een blauwe zoom. De arm-
en handpennen zijn bruinachtig zwart met violetblauwe buitenvlag. De stuit is
donkergroen en toont twee afwijkende gekleurde dwarsbanden: de bovenste is lichtgroen, de onderste rood. Het bovenstaartdek
is blauwgroen met een rode vlek; onderstaartdekveren geelgroen, De middelste,
primaire staartpennen zijn donkerblauw en overgoten met een groen waas, de
veertippen zijn zwart. De secundaire, trapsgewijs verlopende staartpennen zijn
bleekblauw tot wit en hebben zwarte uiteinden. Donkere ogen met bruine iris.
Snavel grijs met grijszwarte punt. Poten grijs; nagels grijszwart.
Pop:
Voorhoofdsband dof oranjegeel. Kruin, achterkop, nek, kopzijden en mantel zijn
donker olijfgrijs op de bovenschedel bevindt zich een roodbruine vlek. Bef en
borst tot aan de kleurscheiding op de onderborst zijn olijfgrijs, op de borst
bevindt zich een ragfijne zwarte schubtekening. Onderborst, buik, flanken,
dijen en anaalstreek bleekgroen. Vleugeldek overwegend donker olijfgrijs, de
schouderbalk, welke kleiner is dan bij de man, toont donkerrood. Duimveertjes
en dekveertjes van de handpennen blauwgroen, vleugelrand licht olijfgrijs.
Hand- en armpennen donkergrijs met groenblauwe buitenvlag. De stuit is
olijfgrijs met een vage groene en rode dwarsband. Bovenstaartdekveren
olijfgrijs, onderstaartdekveren geelgroen. De middelste staartveren zijn olijfgrijs, naar de uiteinden toe overgaand in blauw. De
secundaire, trapsgewijs verlopende staartpennen zijn bleekblauw met iets
lichter getinte buitenvlag. Donkere ogen met bruine iris. Snavel grijs met
donkergrijze punt. Poten grijs; nagels grijszwart.
Biotoop
De
veelkleurenparkiet is een bewoner van open vlaktes spaarzaam begroeid met
opgeschoten of in hun groei belemmerde acacia- en eucalyptusbosschages,
dorre met struiken begroeide grassavannen en open eucalyptusbossen, doch altijd
in gebieden waar ook water te vinden is. In het droge centrale gedeelte van het
woongebied is hun aanwezigheid sterk afhankelijk van de aanwezigheid van een op
vliegafstand betrouwbare waterbron aangezien buiten de regentijd veel
drinkplaatsen droog staan. Deze vogels worden ook vaak gezien langs waterlopen
met smalle boomstroken en soms ook wel in ontgonnen gebieden.
Status wildpopulatie
Veel
voorkomend, plaatselijk zeldzaam doordat de drinkplaatsen opgedroogd zijn
geraakt. Menigmaal door voedselschaarste als gevolg van de teloorgang van het
oorspronkelijke landschap in hoofdzaak door de zich alsmaar uitbreidende
veehouderij.
Deze
soort is opgenomen in het CITES-verdrag Appendix II
Europese regelgeving inzake het bezit van en de handel in bedreigde in het wild
voorkomende dier- en plantensoorten
De
veelkleurenparkiet is opgenomen in de Bijlage
B van de Europese Basisverordening. In de Basisverordening (EG) nr. 338/97 zijn de regels gesteld omtrent invoer, uitvoer, wederuitvoer, doorvoer,
eigendomsoverdracht en commerciële handelingen.
De
volledige tekst van de Basisverordening
is te vinden op www.hetinvloket.nl
Leefwijze
Deze
vogels worden gewoonlijk in paren aangetroffen, maar als het voedselaanbod goed
is, ook wel in familieverband. In tegenstelling met de roodrugparkiet verzamelen
ze zich buiten de broedperiode niet tot grote groepen. De vogels leiden tijdens
de grote droogteperioden veelal een nomaden bestaan en
trekken noodgedwongen naar gebieden waar voldoende water is. In normale
omstandigheden is de veelkleurenparkiet een vrij inactieve vogel. Eigenlijk
worden ze slechts twee keer per dag echt actief. ’s Morgens heel vroeg, als het
nog koel is, zoeken ze eerst de drinkplaats op, daarna gaan ze op zoek naar
voedsel wat ze in de schaduw van bomen en struiken voor het merendeel op de
grond vergaren. Het hoofdvoedsel bestaat uit allerhande gras- en onkruidzaden,
zaden van verschillende bomen en struiken vooral acaciazaden zoals die van Acacia cyanophilla, Acacia neura, Acacia
tetragonophilla, Acacia armata alsmede van de
zoutstruik Enchylaena tomentosa.
Verder eten ze allerlei vruchten, bessen, wilde groenten, insecten en hun larven. Als ze tijdens het foerageren gestoord worden
vliegen ze een stukje verder naar een nabijgelegen boom of struik en vervolgen daar hun
bezigheid.
Zodra
ze genoeg gegeten hebben, zoeken ze een rustige plekje
tussen het gebladerte van een boom. Daar blijven ze dan urenlang rustig zitten
totdat de temperatuur weer wat gezakt is, gewoonlijk tot in de late namiddag.
Tegen die tijd trekken ze er nog eens opuit om te foerageren en te drinken.
Het
broedseizoen in de vrije natuur begint gewoonlijk in juli en loopt in december
ten einde. In de meest droge gebieden van het verspreidingsgebied leiden
veelkleurenparkieten een nomadenbestaan, daar het broeden afhankelijk is van
regenval. Als ze op hun trektochten in een gebied komen met veel neerslag strijken ze daar neer.
Na een paar flinke plensbuien komt de plantengroei op gang die voor de vogels
de basis schept om in broedstemming te komen. Vandaar dat er voor de vogels uit droge gebieden geen
vaste broedperioden zijn, maar in principe het hele jaar kunnen plaats vinden.
Als
de broedtijd nadert kiezen de mannen een geschikte broedruimte, veelal een
holle tak of een holte in een levende of dode eucalyptusboom vaak dicht bij de grond, indien die er
niet zijn nemen de vogels ook wel genoegen met halfvergane boomstronken, holten
en spleten in rotswanden en zandbanken. De voorkeur gaat uit naar niet al te
ruime holten.
Het
legsel bestaat
uit 4 tot 6 eieren, gewoonlijk 5 stuks. De eieren worden om de andere dag
gelegd. Na het leggen van het tweede ei begint de pop te broeden, een taak die
ze alleen volbrengt.
Tijdens de broedperiode wordt ze door de man gevoerd. Daartoe verlaat ze
verschillende keren voor korte tijd het nest om door de man op een nabijgelegen
tak gevoerd te worden. De broedduur is 19 dagen. De jongen blijven ruim vier
weken in het nest. Na het uit vliegen worden ze nog 2 à 3 weken door beide
ouders bijgevoerd. Eenmaal zelfstandig blijven ze doorgaans tot aan het
volgende broedsel in familieverband bij elkaar.
Algemene informatie
Al
in1861 kwamen de eerste veelkleurenparkieten naar Europa. De London Zoo was de
eerste die ze binnenkreeg en aan het publiek toonde. Het eerste broedresultaat
met deze soort dateert van 1876 en staat op naam van een zekere Verviers in
Frankrijk.
In
het verre verleden golden deze vogels als zwak. Dit mag zo geweest zijn, maar
de huidige in Europa gehouden veelkleurenparkieten kunnen best
wel tegen een stootje, ofschoon ze toch wel iets minder sterk gebleken
zijn dan de roodrugparkiet (Psephotus
haematonotus). Mogelijk is dat ook een reden geweest dat ze altijd veel
minder in volièremilieu gehouden werden dan de roodrugparkiet. Niettemin kan ik
ze ook beginnende parkietenhouders aanbevelen
Veelkleurenparkieten
vertonen dikwijls kleine verschillen in kleur en tekening. Dat is niets
bijzonders want het is ook van de in het wild levende vogels bekend. Zelfs bij
vogels uit hetzelfde nest kan men, als men goed kijkt, menigmaal kleine
kleurverschillen waarnemen.
Deze
beweeglijke vogels lenen zich niet om als huisdier in een kooi te worden
gehouden.
Gedrag
Vrij
sterke vogel die ook tamelijk goed bestand is tegen koude, maar gevoelig is
voor kille weersomstandigheden. Het is een rustige vogel;
beweeglijk en actief; niet schuw; raak snel vertrouwd met zijn verzorger;
stemgeluid is melodieus en niet storend; broedlustig; komen graag en veel op de
grond en scharren daar wat rond; baden graag; niet bijzonder knaaglustig. In
de broedtijd agressief tegenover andere vogels; buiten de broedtijd geeft het
samenhouden met soortgenoten en andere grotere vogelsoorten nauwelijks
problemen, vooropgesteld dat de ruimte waarin de vogels ondergebracht zijn
groot genoeg is.
Huisvesting en
verzorging
Paarsgewijs
in buitenvolière met minimale afmetingen van (lxbxh) 3 x 1 x
Voeding
Net
als de roodrugparkiet is ook de veelkleurenparkiet een zaadeter.
Daarnaast komen allerhande soorten groenvoer vooral groenteachtig bladgroen en wat insecten in
aanmerking, vooral tijdens de broedperiode. Als basisvoedsel dient men de
vogels een gevarieerd zaadmengsel voor te zetten waarin de volgende zaden in de
aangegeven hoeveelheden zijn verwerkt: 6% tarwe, 4% gepelde haver, 4% padie, 8%
boekweit, 6% witzaad, 48%
In
de broed- en ruitijd worden dezelfde zaden aangeboden, maar zijn de percentages
als volgt aangepast: 6% tarwe, 8% gepelde haver, 4% padie, 6% boekweit, 12%
witzaad, 30%
Fok
Voor
de fok moeten de vogels minimaal een jaar oud zijn. Laat, als men daartoe de
mogelijkheid heeft, de vogels zelf hun partner uitzoeken; daarmee kan men op
vrije jonge leeftijd al
beginnen. Als men zelf een willekeurige man en pop bij elkaar zet, wil het koppelen nog
wel eens mis gaan doordat man en pop elkaar niet liggen. Hoewel in de praktijk
is gebleken dat het samenstellen van een broedkoppel bij deze soort in de
meeste gevallen probleemloos verloopt, blijkt uit dezelfde praktijk dat als de
vogels zelf hun partner uitgezocht hebben, de kans dat het broedseizoen mislukt
praktisch uitgesloten is.
Als
het weer meezit, het dus niet koud is, kan men half maart de broedblokken in
het binnenverblijf ophangen. Elk koppel krijgt twee broedblokken zodat de
vogels kunnen kiezen. De voorkeur gaat uit naar natuurbroedblokken met een
diameter van 12 tot
Wanneer
men voor
zelfgemaakte nestkasten kiest heeft men de mogelijkheid een warmtebron in de
vorm van een 40 Watt verwarmingselement tegen de buitenkant ter hoogte van het
nestgedeelte van de nestkast te bevestigen. Immers, bij een natuurbroedblok is
het doelmatig aanbrengen van een vlak verwarmingselement niet mogelijk. De
warmtebron dient tegen de achterkant of tegen de zijkant van de nestkast
gemonteerd te worden. De warmte zal zich door de houten wand verplaatsen zodat
het niet nodig is om gaten te boren naar de eigenlijke broedruimte. Plaats de
warmtebron in geen geval tegen de onderkant van de nestkast omdat de jongen dan
nergens heen kunnen als het te warm wordt. De jongen kunnen
dan uitdrogen of van uitputting sterven. Het broedblok of de nestkast kan men gewoon in de gewenste
stand 90 graden (rechtop) of 45 graden (schuin) ophangen. Op de bodem van het blok
moet een laag van ongeveer
Als
het paartje voldoende broedrijp is, kan men veertien dagen nadat de blokken
zijn opgehangen het eerste ei verwachten, maar als het eens wat langer duurt,
dan is er echt geen man overboord en komt het meestal wat later allemaal best in
orde. Gewoonlijk worden de eieren om de twee dagen gelegd, gewoonlijk 3 – 7
stuks. Oudere poppen produceren over het algemeen grotere legsels dan jonge
poppen.
Als
regel begint de
pop te broeden als het derde ei is gelegd, maar er zijn er ook die pas beginnen
als het legsel compleet is. De pop broedt alleen; broedduur 19 dagen. Gedurende
de broedtijd wordt de pop door de man gevoerd, die zich steeds in de nabijheid
van het broedblok ophoudt.
Als
de jongen uitkomen hebben ze van boven lang en dicht dons, van onder en op het
midden van de kop is het dons kort en spaarzaam.
Sommige
poppen, vooral jonge en onervaren poppen, verlaten als de jongen ongeveer een
week oud zijn al voor
langere tijd het nest, waardoor de jongen te veel afkoelen, dikwijls met fatale
gevolgen. Vandaar dat ik hierboven wees op de mogelijkheid een klein
verwarmingselement op de nestkast aan te brengen waardoor veel narigheid kan
worden voorkomen.
Ongeveer
12 dagen nadat de jongen uitgekomen zijn, gaan de ogen open en beginnen de
poten al wat donkerder te worden. Dat is ook ongeveer het tijdstip om de jongen
te ringen; ringmaat 4,5 -
Pas
uitgevlogen veelkleurenparkieten lijken in grote trekken op de ouders, maar
zijn duidelijk matter van kleur en hebben een kortere staart. Het geslacht kan
men bij het uitvliegen al goed vaststellen en door iemand met wat ervaring
zelfs al in het nest omdat man en pop duidelijk van elkaar verschillen.
Na
het uitvliegen worden de jongen nog een week of twee, drie door de beide
oudervogels gevoerd, ongeveer een week daarna, moeten de vogels van de ouders
worden gescheiden omdat de man de jongen achtervolgt.
Meestal
wordt er slechts één broedsel per seizoen grootgebracht, maar oudere paren
willen wel eens tweemaal broeden. De meeste broedparen echter houden het na een
ronde voor gezien.
Het
volwassen verenkleed krijgen de jongen als ze ongeveer
een jaar oud zijn.
Mutaties:
Geen
Tekst:
H.W.J. van der
Linden