1. DE GRASPARKIET IN DE WILDBAAN

 

De grasparkiet is ongetwijfeld de meest voorkomende parkiet van Australië en mogelijk zelfs de meest voorkomende vogel van dit werelddeel. De eerste onderzoeker, die deze kleine, van oorsprong lichtgroene papegaaiensoort met zijn gele masker en karakteristieke zwarte golftekening leerde kennen en beschreef, was de Engelse veldbioloog George Shaw. In Zoology of New Holland (1793), noemt Shaw zijn ontdekking "Undulated Parakeet" en geeft de vogel de wetenschappelijke naam Psittacus undulatus. Vervolgens beschrijft hij de grasparkiet in zijn oorspronkelijke vorm als volgt:

“De grasparkiet behoort tot de kleinere papegaaien, doch zijn lange staart doet hem groter lijken dan hij in werkelijkheid is.

Zijn lengte bedraagt 20 tot 22, zijn spanwijdte 26 tot 27, de vleugellengte 9, de staartlengte bijna 10 cm. Zijn gestalte is zeer sierlijk, het lichaam slank, de snavel hoger dan lang, aan de zijden en aan de bovenkant afgerond, de bovensnavel bijna loodrecht naar beneden gebogen, de onderkant diep ingekerfd vervolgens tot een spits versmald ver reikend tot over de ondersnavel, de laatste even hoog als de bovensnavel en aan de voorkant boven afgerond; de poten zijn dun, slank en naar verhouding hoog en voorzien van lange tenen en nagels, de vleugels lang en spits toelopend, van de slagpennen de tweede pen het langst, de vleugelpunt bijna even lang als het bovendeel van de vleugel, de lange staart waarvan de beide middelste veren ver voorbij de andere uitsteken, trapvormig, zodat het buitenste paar slechts een derde deel is van de lengte der middelste, de bevedering buitengewoon zacht en zeer sprekend getekend, naar geslacht nauwelijks, naar leeftijd weinig verschillend. Voorhoofd, bovenkop, teugels en de streek rond de ondersnavel zijn zwavelgeel, aan weerszijden begrensd en versierd met elk vier, zich aan de top van verlengde veertjes bevindende diepblauwe vlekken, waarvan die op de wangen zit de grootste is, terwijl de drie overige er uitzien als ronde stippen; oorstreek, achterkop, nek, mantel, schouders en het grootste deel van de vleugeldekveren hebben een groenachtig gele kleur, elke veer echter is voorzien van vier smalle, op de schouders en vleugeldekveren van twee bredere zwarte dwarsbanden; onderrug, stuit en bovenstaartdekveren alsmede de onderzijde vanaf de kin zijn prachtig grasgroen, de handpennen en de dekveren hiervan dofgroen, aan de buitenzijde smal geel, aan de binnenzijde zwartachtig gezoomd, in het midden met brede wigvormige geelachtige vlekken getekend, de armpennen aan de buitenzijde groen, smal geelachtig gerand, binnenzijde geel, aan de basis zwartachtig, de laatste armpennen en de laatste schouderveren bruinzwart met brede, gele eindzoom, de beide lansvormige veren van de staart dof donkerblauw, de overige stuurpennen groenblauw met in het midden een brede, citroengele vlek welke zich over beide vlaggen van de veer uitstrekt, en brede zwarte zomen aan de basis van de binnenvlaggen. Het oog is bleekgeel, de snavel hoorngeel, aan de basis groenachtig grauw, de washuid donkerblauw en de poot blauwachtig groen. Het iets kleinere wijfje onderscheidt zich van het mannetje doordat de keelvlekken niet helemaal zo groot zijn en de washuid als regel grauwgroen gekleurd is.”

Vergelijken we bovenstaande beschrijving met het beeld dat we thans van de oorspronkelijke wildvorm hebben, dan wijkt de beschrijving die Shaw bijna 200 jaar geleden van de grasparkiet maakte op slechts een onderdeel wezenlijk af. De ronde keelstippen zijn immers niet diepblauw maar zwart. Kennelijk heeft Shaw zich op dit punt dus vergist. Ter verduidelijking nog een opmerking bij de door Shaw opgegeven lengtemaat. Bedoeld wordt de lengte gemeten vanaf de snavelpunt via de schedel tot aan het uiteinde van de staart en niet, zoals we thans de maat van onze grasparkieten aangeven, van kruin tot staartuiteinde. 

 

Was het Shaw die de eerste beschrijving gaf van de grasparkiet, aan de beroemde natuurhistoricus John Gould komt de eer toe de eerste te zijn geweest die iets over het leven van de vogel in de vrije natuur op papier heeft gezet. Hieraan zijn later door andere auteurs die het leven en de gewoonten van de grasparkiet in de wildbaan hebben bestudeerd maar weinig nieuwe feiten toegevoegd. Het is ook Gould geweest die de wetenschappelijke naam, die Shaw oorspronkelijk aan de grasparkiet gaf, omdoopte in Melopsittacus undulatus.

Tegenwoordig weten we dat de grasparkiet bijna over het gehele Australische continent is verspreid en eigenlijk alleen de kuststreken en dichte bosgebieden mijdt. Ook op het eiland Tasmanië komt hij niet voor (zie kaart fig. 1). Grasparkieten zijn typische bewoners van de binnenlandse savannen en halfwoestijnen, waar uitgestrekte grasvlakten en boomgroepen elkaar afwisselen. Met voorliefde houden ze zich echter op langs de met eucalyptusbomen begroeide waterlopen en aan de oevers van meren en plassen, die eveneens bijna altijd begroeid zijn met metershoge eucalyptusbomen. Het zijn vooral deze bomen met hun spaarzame bladkronen en talrijke holten waarin de grasparkiet schuil- en nestgelegenheid vindt. Grasparkieten zijn uitgesproken kolonievogels die een trekkend bestaan leiden. De trekrichting en de groepsgrootte worden bepaald door het voorhanden zijn van water en het aanbod van graszaden, waarmee hij zich voornamelijk voedt en zijn jongen grootbrengt. Onder min of meer normale omstandigheden leven grasparkieten in groepen van 10 tot 50 stuks. Tijdens lange periodes van droogte, ondernemen de vogels verre vluchten op zoek naar water en verzamelen zich uiteindelijk bij de laatst overgebleven drinkplaatsen. Hierbij ontstaan dan menigmaal enorme vluchten van honderdduizenden grasparkieten, die een indrukwekkend schouwspel vormen. 

Wat de voortplanting betreft richt de grasparkiet zich uitsluitend op de regenval. Dit heeft te maken met het feit dat hij voor het grootbrengen van zijn jongen aangewezen is op halfrijpe gras- en onkruidzaden, die er alleen dan zijn, wanneer er overvloedig regen valt. Komen ze tijdens hun omzwervingen in een gebied waar het pas geregend heeft, dan beginnen ze daar te broeden. Ze blijven op een bepaalde plaats zolang er water en voldoende voedsel is en brengen als de omstandigheden erg gunstig zijn vaak verschillende nesten achter elkaar groot. Zodra de voedselvoorraden opraken of er een tekort aan water dreigt, krijgt hun zwerflust weer de overhand en trekken ze verder; de voortplantingscyclus begint dan vaak honderden kilometers verderop weer opnieuw.

Hoewel zich deze vogels in principe in alle windstreken van het continent kunnen voortplanten en ook qua broedtijd niet aan bepaalde maanden van het jaar zijn gebonden, liggen de voornaamste broedplaatsen van de grasparkiet in het zuidoosten en het zuidwesten van Australië (zie kaart fig. 2). Als hier na een natte winter ook in het voorjaar, dus eind september en in oktober, nog veel regen valt, dan schiet het gras uit de grond en ontwikkelt zich tot formidabele hoogte. Onder invloed van de warme voorjaarszon ontwikkelt zich de bloei erg snel en niet lang daarna dragen de aren zaden en vindt de grasparkiet hier een rijk gedekte tafel.

Zodra de dagtemperatuur stijgt tot boven de 30 graden Celsius en er geen regen valt, veelal in de maanden november en december, sterft de plantengroei snel af en loopt de broedperiode ten einde. In sommige jaren als de herfstregens zeer vroeg aanvangen, wordt wel eens opnieuw met broeden begonnen totdat de invallende winter ook aan deze tweede broedperiode een einde maakt.

In de jaren dat de neerslag in het zuiden belangrijk beneden het gemiddelde blijft, trekken de vogels naar het binnenland of naar het noorden aldoor op zoek naar gebieden met de beste levensvoorwaarden.

 

Zoals ik al opmerkte, kiezen grasparkieten hun broedplaats bij voorkeur in holten van dikke takken in hoge eucalyptusbomen.

Ze gebruiken geen enkel nestmateriaal. De pop legt haar eieren op de houtmolm die zich op de bodem van de holte heeft verzameld. Meestal broeden verschillende koppels in één boom zo dicht mogelijk bij elkaar. Dit broedgedrag vertonen ze ook als in de directe omtrek genoeg andere geschikte bomen staan.

Het legsel varieert van vier tot zes eieren. Soms worden legsels tot acht eieren aangetroffen. De broedduur is achttien dagen. De pop broedt alleen. De man voert de pop op het nest en houdt haar soms een tijdlang gezelschap. Ongeveer 32 dagen na het uitkomen verlaten de jonge grasparkieten de nestholte. Niet lang daarna zijn ze geheel zelfstandig. De pas uitgevlogen jongen lijken op de ouders, maar zijn duidelijk matter van kleur. Aan weerszijden op de borst is een vage dwarstekening zichtbaar. Het groen van onderrug en stuit toont een vage geelachtige golftekening. De fijne golftekening van de achterkop en nek loopt door tot aan de neusdop. Over het geheel genomen is het zwart van de tekening valer en minder scherp afstekend. De keelstippen ontbreken nog of zijn onduidelijk. De ogen zijn zwart, de oogiris ontbreekt. De snavel is zwartachtig, de neusdop nagenoeg hoornkleurig. De poten zijn bleek blauwachtig grijs.

De jeugdrui begint wanneer de jongen ongeveer drie maanden oud zijn en duurt ongeveer een maand. Dat is tevens het tijdstip waarop grasparkieten geslachtsrijp worden.