2. OPMARS VAN DE GRASPARKIET
Gould was niet alleen de man die ons als eerste
informeerde over het leven van de grasparkiet in de vrije natuur, hij is
waarschijnlijk ook de man geweest die de eerste grasparkieten in Europa introduceerde.
In zijn “Handbook of the Birds of Australia” - een groots werk met
schitterende gekleurde platen van de vogels, geschilderd door zijn vrouw -
schrijft hij woordelijk:
,,I believe I was
one of the first who introduced living exemples to this country, having
succeeded in bringing home several on my return in 1840.'' De grasparkieten die Gould in dat voor
grasparkietliefhebbers gedenkwaardige jaar meebracht, waren door zijn zwager
Charles Coxon in Australië in gevangenschap gefokt. Kennelijk waren er in die
tijd in Australië al mensen, die op de hoogte waren van de broedgewoonten en
verzorging in gevangenschap van deze vogels. Nochtans schrijven we als
beginjaar van het domesticatieproces van de grasparkiet 1840. Immers, de opmars
van de grasparkiet begon niet in Australië, maar in Europa, waarnaar hij vanaf
dat jaar, volgens de toenmalige literatuur, in steeds groter wordende aantallen
werd verscheept. Het grote aanpassingsvermogen en prettige karakter, de
eenvoudige huisvesting- en verzorgingeisen en de gemakkelijke fokbaarheid
hebben er verder toe bijgedragen, dat de grasparkiet binnen enkele decennia tot
meest gehouden kooivogel werd en volledig domesticeerde.
De eerste grasparkieten verwisselden voor een fors bedrag van eigenaar. De in die dagen bekende Londense vogelhandelaar Chr. Jamrach kocht het eerste paartje van Gould voor £26 (toentertijd ƒ260,- thans ongeveer € 118) en verkocht de vogels voor £27 (in die tijd 270,- thans ruim € 122) weer door aan een zekere Dr. Buttler te Woolrich. U moet deze bedragen zien tegen de achtergrond van het toenmalige weekloon van een gewone werkman van vijf à zes gulden (ca. € 2,50).
Zoals bekend, bleef het niet bij die ene transaktie.
Zo rond het jaar 1850 waren er al vele duizenden grasparkieten in Europa.
Fokresultaten bleven dan ook niet lang uit. In 1854 doet een zekere Jules Delon
in “Bulletin de la Soc. imp. d'acclimation de France” onder de titel “Note
sur la Perruche ondulée” uitvoerig verslag van zijn ervaringen met
grasparkieten. Dit vermoedelijk oudste
verslag over de fok met grasparkieten bevat alle wezenlijke informatie
aangaande voeding, verzorging en broedverloop. Delon schrijft sedert 1849/1850
grasparkieten te fokken en maakt verder melding van twee andere liefhebbers,
een zekere Saulnier uit Saint-Brice en ene Bissent uit Belleville, die net als
hij sinds 1850 met grasparkieten fokken.
Ook in de dierentuin van Antwerpen werd omstreeks 1850
al op kleine schaal met grasparkieten gefokt, zo blijkt uit een aantekening van
de toenmalige directeur J. Vekemans. Rond 1860 werd de fok van grasparkieten in
de Antwerpense Zoo in het groot opgezet. Ook werden er jaarlijkse vogelbeurzen
gehouden, waar zelfs bestellingen binnen kwamen uit Berlijn en Petersburg. De
nafok bracht een goede prijs op en het kon dus niet uitblijven, dat ook
particulieren probeerden een graantje mee te pikken. Bekende grasparkietfokkers
uit die tijd waren L. van der Snick uit Brussel, Kessels en Limbosch beiden uit
Ukkel, J. Boone, mw Bodinud, Gheude-Petit uit Binche.
Het eerste broedsucces in Duitsland dateert van 1855.
Het staat op naam van ene gravin von Schwerin uit Berlijn. Detailinformatie
over dit broedsucces geeft Karl Bolle in “Cabanis Journal für Ornithologie”
in 1859. In dit verslag merkt Bolle tevens op dat de grasparkiet toen al in
elke grote stad een gewilde kooivogel was.
Wanneer de eerste grasparkieten in Nederland zijn
beland, is niet precies bekend. In zijn boek “De Vogelwereld” dat in
1886 verscheen, vermeldt Nuyens dat zijn broer ruim dertig jaar tevoren een paartje
grasparkieten uit Australië had meegebracht. Dat moet dus omstreeks 1855 zijn
geweest.
Ofschoon ertussen 1850 en 1860 op tal van plaatsen met
grasparkieten werd gefokt, nam de import vanuit Australië nog steeds toe. Per
zending kwamen vaak meer dan 10.000 grasparkieten mee. De prijzen zakten dan
ook behoorlijk. Volgens Ruß importeerde de firma Bills in Londen in 1878 van
midden februari tot eind juli 14.069 paar grasparkieten en van september tot
januari 1879 maar liefst 79.655 paar. Frankrijk importeerde in die jaren
ongeveer 100.000 paar grasparkieten per jaar. Dat aan dergelijke massale
aanslagen op de Australische fauna een einde moest komen, was te voorzien. In
1894 verbood de Australische regering dan ook de uitvoer van alle inlandse
vogels. Toen werd er echter in Europa al zo intensief met de grasparkiet
gefokt, dat dit nauwelijks nog van invloed was op de prijzen.
In de Zuidfranse stad Toulouse ontstonden vanaf 1880
enorme fokkerijen waar per jaar tienduizenden grasparkieten werden gefokt. Tot de
bekendste fokkerijen in die dagen behoorden L'Etablissement Bastide met
een gemiddeld grasparkietenbestand van tussen de 80.000 en 100.000 stuks en Les
Etablissements Ornithologiques Blanchard waar men gedurende het hele jaar
enkele tienduizenden grasparkieten hield.
Inmiddels waren ook de eerste kleurmutaties een feit.
In 1872 werd in België een gele grasparkiet met zwarte ogen geboren, zes jaar
later de eerste blauwe. Spoedig daarna volgden de eerste lutino's. De nieuwe
kleurslagen ontketenden een ware rage onder de mensen waardoor de fok een
nieuwe stimulans kreeg. De massafokkerijen beleefden gouden tijden, mede
doordat er steeds nieuwe kleuren bijkwamen, die vaak voor fabelachtige prijzen
werden verhandeld. Zoals het altijd gaat wanneer ergens veel geld mee verdiend
kan worden, kwamen er steeds meer 'liefhebbers' bij die grasparkieten als
bijverdienste hielden. Dat moest vroeg of laat natuurlijk fout gaan. Tegen het
einde van de twintiger jaren was het dan ook zover en stortte de markt
definitief ineen. Het betekende het einde van de massafok.
Eén van de redenen waaraan de grasparkiet zijn enorme
populariteit dankt, is de verscheidenheid aan kleurslagen waarin de vogel te
fokken is. De geschiedenis van de domesticatie van de grasparkiet is dan ook
niet compleet, zonder een overzicht van de voornaamste mutaties die tijdens dit
proces zijn opgetreden. In chronologische volgorde ziet dit overzicht er als
volgt uit:
1864 Een zekere Huber beschrijft een grasparkiet
waarvan de slagpennen wit en de lichaamskleur opgebleekt is.
1864 Een zekere Dr. E Rey maakt melding van een bonte
die hij gefokt heeft.
1872 Bij J. Boone in België ontstaat de eerste echte
kleurmutatie, de zogenaamde gele grasparkiet.
1878 Bij Limbosch in België wordt de eerste blauwe
grasparkiet geboren uit twee groene oudervogels. Van deze vogel wordt echter
geen nafok
verkregen.
1879 Bij Kessel in België worden drie gele
grasparkieten met rode ogen geboren, naar alle waarschijnlijkheid de eerste
lutino's.
1884 Ook de Engelsman J. Abrahams maakt melding van
lutino's.
1886 De Engelsman J.Abrahams ontvangt een paartje gele
grasparkieten uit Australië. Het betreft in het wild gevangen vogels.
1887 In het 'British Museum' wordt een balg
tentoongesteld van een donkergroene grasparkiet afkomstig uit de wildbaan.
1910 Uit het Franse Le Mans worden blauwe
grasparkieten gemeld. Met deze vogels wordt voor het eerst nafok behaald.
1915 De Fransman Blanchard fokt de eerste
donkergroenen.
1917 De eerste witte grasparkiet is een feit.
1919 De Fransman Blanchard fokt de eerste olijfgroene.
1920 Uit de paring hemelsblauw x olijfgroen vallen de
eerste kobaltblauwe vogels.
H.D.Astley
uit Engeland en mevr. Ephrussi uit Frankrijk melden kort na elkaar nafok van
witte grasparkieten.
1921 Blanchard uit Frankrijk fokt de eerste
mauvekleurige grasparkiet.
1927 In de fokkerij van mevr. P. Weisz uit Oostenrijk
wordt de eerste grijsvleugel geboren.
1928 Bij Mertens, Duitsland, ontstaat de eerste
violet.
1929 Uit Zwitserland wordt de Duitse fallow gemeld Van
deze vogel wordt geen nafok verkregen.
1930 Ook in de fokkerij van B. O'Brien te Sydney
(Australië) worden fallows geboren.
H. Piers
uit Sydney maakt melding van 'blankvleugels'
Volgens
Enehjelm treden in dat jaar in België tevens de eerste geelmaskers op.
1931 Bij Schumacher in Maagdenburg worden fallows
geboren.
In
Californië, USA, is sprake van een zelfde mutatievorm.
De
Engelsman G.F. Porter meldt de eerste cinnamons.
De eerste
halfsider wordt gemeld.
1932 Op een tentoonstelling in Denemarken wordt de
eerste recessief bonte ontdekt; herkomst onbekend.
1932 Bij een zekere Coulsen in Lincoln ontstaat de
faded.
1933 Uit Australië wordt een lichtgroene opaline pop
gemeld, afkomstig uit de wildbaan.
1934 In de kwekerij van de Amerikaan A.Brown wordt de
eerste opaline geboren. Het betreft een kobalt opaline pop.
1935 Op de 'Royal Zoological Society Show' te
Sydney, Australië, wordt een lichtgroene
dominant bonte man tentoongesteld.
Een zekere
mevr. S. Harrison uit Murrumbeena, Australië, koopt in een winkel te Melbourne
een grijsgroene grasparkiet. De herkomst
is
onbekend.
1937 Uit Canada en Engeland worden geelmaskers gemeld.
1939 Mertens, Duitsland, fokt een grasparkiet met
bevederde poten. Van deze vogel is geen nafok.
In Engeland
en Canada ontstaan de eerste kuifparkieten.
1940 In Nederland en België treden ongeveer
gelijktijdig de eerste Hollands bonten op.
1943 Uit Australië wordt de leigrijze grasparkiet
gemeld.
Mevr. S. Harrison
uit Murrumbeema krijgt uit de paring grijsgroen x hemelsblauw een grijs jong op
stok. Deze dominant verervende kleur
wordt thans
Australisch grijs genoemd.
Bij de
Engelsman E.W. Brooks wordt de eerste recessief verervende grijze geboren,
later bekend onder de naam Engels grijs. Thans
vermoedelijk uitgestorven.
1947 In Nederland, België en Denemarken worden
ongeveer gelijktijdig de eerste gele en witte zwartogen geboren.
1948 Vermoedelijk omstreeks deze tijd ontstaat in
Engeland de zogeheten buff-bevedering.
1953 In Engeland worden de eerste lacewings geboren.
1954 Uit de Verenigde Staten worden de eerste
clearbodies gemeld.
1960 Uit Australië, Engeland en Duitsland komen de
eerste meldingen over de 'feather duster'.
1967 In de fokkerij van Ethel J. Dobie, Australië,
komt de 'mottled' grasparkiet tot ontwikkeling. Het betreft een recessieve
bontvorm die
pas na de
jeugdrui zichtbaar wordt.
1972 Uit Australië wordt de eerste spangle gemeld. De
herkomst is niet bekend.
1975 Uit Australië wordt de zogeheten 'saddleback'
gemeld. Het betreft een verschijningsvorm waarbij de mantel een vage grijze
tekening toont op
een gele
(groenserie) of witte (blauwserie) ondergrond, terwijl de kleur en
ondulatietekening voor de overige lichaamsdelen onveranderd zijn
gebleven.
1984 In de kwekerij van G. Visser te Bilthoven wordt
een clearbody geboren met dominante kenmerkvorming.
1991 Bij Garry Heuval te
Brisbane, Australië wordt de zogeheten cleartail geboren, een variëteit van de
spangle. In Denemarken(1992) en Israël
(1995) is sprake van eenzelfde
verschijningsvorm.
1992 D. van Dijk,
een grasparkietkweker uit Glanerbrug ontdekt op een vogelbeurs te Weerselo
tussen een bonte verzameling gewone grasparkieten twee
blauwe mannen met een zwart gekleurd
masker en zwarte pigmentstrepen op het onderlichaam. Ze krijgen de naam
zwartmasker.
1998 In de kwekerij van Hans
Jürgen Lenk een bekende Duitse keurmeester
ontstaat de eerste antraciet grasparkiet.
2000 Uit de USA wordt de pearly
gemeld. Deze mutatie wordt bij toeval ontdekt tussen een aantal
‘winkelparkietjes’.
2001 Uit Australië wordt de
zogeheten darkwing gemeld.
2001 In de kwekerij van Gino
de Geest te Moerbeke-Waas België ziet de eerste
misty grasparkiet het levenslicht.
Zowel op het Europese vasteland als in Engeland, fokte
men de grasparkiet aanvankelijk uitsluitend op kleur. In Engeland kwam hierin
rond 1910 verandering toen een groepje grasparkietenfokkers de standaard van
uitmuntendheid ontwierp en zich ging toeleggen op de postuurkweek. In februari
1925 werd in Londen 'The Budgerigar Club' opgericht. Men startte met 18 leden.
Eén van de eerste taken van de club was de standaardeisen van 1910 herzien,
terwijl deze verder werd aangevuld met een standaardmodel en een kleurstandaard,
waarin acht kleurslagen waren opgenomen. In 1930, men had inmiddels 500 leden,
werd op verzoek van koning George V de naam van de club gewijzigd in 'The
Budgerigar Society'. Thans, ruim zeventig jaar later, telt deze oudste en meest
bekende grasparkieten-speciaalclub ter wereld ongeveer 7000 leden.
In Nederland bleef men het fokken van kleurvogels nog
een tijd trouw en het duurde nog tot de tweede helft van de vijftiger jaren dat
hierin verandering kwam. In die tijd werden de eerste postuurvogels uit
Engeland geïmporteerd en men begon schoorvoetend het Engelse systeem over te
nemen, waarbij de nadruk op het formaat en type kwam te liggen. Vandaar de
thans door de leek nog gebruikte (foutieve) benaming Engelse grasparkiet. De
eerste die van het fokken kleurvogels overstapte op de fok van postuurvogels
was de heer Korver uit Alkmaar. Deze liefhebber kocht eind 1957 twee stel
grasparkieten in de kleuren grijs en grijsgroen van Mr. Jack Burman, in die
dagen een bekende Engelse champion-breeder. Met deze vogels werd een stam
opgebouwd, die binnen enkele jaren aan de top stond van het Nederlandse
grasparkietenbestand. Andere kleurfokkers volgden spoedig. Tot de bekendste
fokkers die veel hebben bijgedragen tot de verbetering van het Nederlandse
grasparkietenbestand behoren de heren Dijkman en Verbeem. Zij betrokken de
eerste postuurvogels van de in die dagen zeer bekende Engelse topkweker T.
North. Later werden ook vogels geïmporteerd van andere Engelse topfokkers als
Watmough, Holland, Mason, Barlass en Mrs Kirby. Geleidelijk aan gingen steeds
meer fokkers over op postuurvogels, temeer omdat ze wel inzagen dat ze met
louter kleurvogels op de tentoonstellingen niet meer aan de bak kwamen.
In mei 1965 werd in Utrecht de Nederlandse Parkieten
Club (N.P.C) opgericht. Mede door toedoen van deze club heeft de ontwikkeling
van de postuurfok in Nederland de afgelopen decennia een enorme opgang gemaakt.
De talrijke liefhebbers die zich thans bezig houden met de fok van
standaardvogels getuigen hiervan.
Het fokken van standaardgrasparkieten, zoals we de
huidige tentoonstellingsparkieten noemen is uitgegroeid tot een liefhebberij
waarin veel mensen een actieve vorm van vrijetijdsbesteding gevonden hebben die
ze voor geen goud zouden willen missen.
Speciaal het houden, fokken en tentoonstellen van
standaardgrasparkieten wil ik in de hierna volgende artikelenreeks behandelen.