6. DE VOEDING
Een ieder weet dat een auto niet zomaar vanzelf
kan rijden. De noodzakelijke energie voor de voortbeweging wordt verkregen door
verbranding van benzine. Verbranding is het onder opname van zuurstof
uiteenvallen van een chemische stof waarbij energie vrijkomt.
Een minder stormachtige, doch in wezen zelfde
verbrandingsproces vindt in een vertraagd tempo plaats in de cellen van levende
organismen. De benodigde brandstof hiervoor is suiker. Dit komt u misschien
wonderlijk voor, maar ook onze dagelijkse boterham wordt door onze
spijsvertering omgezet in suiker; ik kom hier later nog op terug. De suiker,
die in het bloed wordt opgelost, zou er echter net zo gauw weer uit zijn als ze
er was ingekomen wanneer ze niet door de cellen werd vastgehouden. Dit
'vasthouden' wordt mogelijk gemaakt doordat enkele suikermoleculen samengevoegd
worden tot een molecuul glycogeen, een suiker van een
hogere samenstelling, die in de cel achterblijft om als energiebron te kunnen
worden gebruikt. De omzetting van suiker in glycogeen geschiedt door enzymen of
fermenten. Met de wijze waarop de enzymen werken, zullen we ons hier niet
ophouden.
We weten dus dat een levend organisme, evenals een
auto die arbeid moet verrichten, van brandstof moet worden voorzien: benzine
voor de auto, glycogeen voor de spiercel. Een levend wezen onderscheidt zich
echter van de auto doordat het zichzelf op kan bouwen. Behalve bedrijfsstoffen
heeft het daarom ook bouwstoffen nodig en dit laatste niet alleen tijdens de
groei doch ook gedurende de volwassen levensstaat, omdat cellen door slijtage
steeds vervangen moeten worden door nieuw te vormen cellen. Sommige dieren
echter, die als ze volwassen geworden zijn een zeer korte levensduur hebben,
zoals de vlinders, voeden zich uitsluitend met suiker die ze in de nectar van
bloemen vinden. Ze hebben dus enkel bedrijfsstof nodig die de energie moet
leveren voor hun arbeid.
Elk ander groeiend organisme heeft aan suiker niet
voldoende. Het protoplasma van de cellen bezit als belangrijkste bestanddeel
eiwitten. Eiwitten zijn opgebouwd uit aminozuren welke stikstof bevatten die in
suiker geheel ontbreekt. Ook vet, onmisbaar als bedrijfsstof maar ook van
essentieel belang voor wat betreft de meervoudig onverzadigde vetzuren, bevat
geen stikstof, zodat eiwitten in de voeding voor het groeiende organisme en ter
uitwisseling van verbruikte cellen onmisbaar zijn.
In wezen is al het leven op aarde afhankelijk van
het groene plantenrijk. Zouden er enkel vleeseters bestaan, dan was de
dierenwereld spoedig uitgestorven. Het is daarom maar goed dat de meeste dieren
planteneters zijn. De planten op hun beurt hebben ook voedsel nodig. Uit
kooldioxide, een chemische verbinding van koolstof met zuurstof (CO2),
dat in kleine hoeveelheden in de lucht aanwezig is, en water (H2O),
bouwen zij door fotosynthese met behulp van de groene bladkleurstof chlorofyl
en onder gebruikmaking van zonlichtenergie suiker en zetmeel op. De hierbij
geproduceerde zuurstof wordt daarbij weer aan de atmosfeer afgegeven. Men schat
dat het groene plantenrijk per jaar op deze wijze 400 miljard ton zuurstof
vrijmaakt.
Uit de aldus verkregen koolhydraten en bepaalde
anorganische zouten, zoals fosfaten en nitraten en mineralen uit de bodem,
worden door de plant eiwitten, vetten en andere organische verbindingen
opgebouwd. Door verbranding van koolhydraten wordt de benodigde energie voor
deze synthesen geleverd.
Uit het bovenstaande en uit het feit dat geen
enkel dier kan assimileren zoals de groene planten, moge blijken dat het
plantenrijk de bron is van alle voedsel, waardoor we in feite alle vegetariërs
zijn.
De voornaamste voedselgrondstoffen heb ik nu
genoemd: Koolhydraten, vetten en eiwitten. In een broodje met kaas zijn ze bij
wijze van spreken alle drie vertegenwoordigd. We zullen de voedselgrondstoffen
eens nader gaan bekijken.
Koolhydraten
Koolhydraten, de naam zegt het al, bestaan uit
verbindingen van koolstof (C), waterstof (H) en zuurstof (O), de beide laatste
in dezelfde verhouding als in water. Druivensuiker of glucose heeft de formule
C6H12O6 zodat een suikermolecuul uit 6 atomen
koolstof, 12 atomen waterstof en 6 atomen zuurstof bestaat.
Zoals ik in het begin al opmerkte, spelen suikers
een grote rol in het leven van plant en dier. Wat glycogeen is voor het dier is
zetmeel voor de plant. Zetmeel en glycogeen zijn dus koolhydraten van hogere
samenstelling door samenvoegingen van meerdere suikermoleculen.
Koolhydraten kan men op eenvoudige wijze in drie
groepen indelen:
1. Monosachariden, ook wel enkelvoudige suikers
genoemd, worden ingedeeld volgens het aantal C-atomen per molecuul. Hieronder valt druivensuiker
of
glucose.
2. Oligosachariden worden ingedeeld volgens het
aantal suikereenheden per molecule. Hieronder valt melksuiker, een belangrijk
bestanddeel van melk.
3. Polysachariden of meervoudige suikers zijn
polymeren van suikers en suikerzuren. Hiervan zijn
zetmeel en glycogeen, maar ook cellulose (een belangrijk bestanddeel van plantenvezels),
enkele voorbeelden.
De granen zijn belangrijke leveranciers van
koolhydraten omdat ze veel zetmeel bevatten. Overschotten aan koolhydraten
kunnen in het vogellichaam als vet worden omgezet.
Vetten
Vetten zijn chemische gezien verbindingen van
glycerol met één, twee of drie gelijke of verschillende vetzuren. Ze bevatten
dezelfde elementen als de koolhydraten, alleen in een andere volgorde.
Bij de celstofwisseling zullen de vetten uit de
voeding voor een deel direct gebruikt kunnen worden doch hiertoe dienen ze
eerst in vetzuren en glycerol gesplitst te worden. De calorische waarde van vet
is ruim tweemaal zo hoog als van koolhydraten. Vooral als reservestoffen zijn
vetten van groot belang voor onze vogels, maar we moeten ons wel realiseren dat
overdaad schaadt.
Men kan de vetten ook indelen in verzadigde en
onverzadigde vetzuren. Bepaalde vetzuren, essentiële vetzuren genoemd, dienen
in het voedingsrantsoen aanwezig te zijn omdat ze niet uit andere vetzuren of
koolhydraten kunnen worden opgebouwd. Voor vogels schijnt het meervoudig
onverzadigde vetzuur linolzuur dat o.a. voorkomt in sesamzaad, tarwe en
zonnebloempitten, en arachidonzuur dat o.a. voorkomt in levertraan van
essentieel belang te zijn. Tekorten hieraan hebben een verminderde groei en
steriliteit tot gevolg. Vet is tevens de drager van de in vet oplosbare
vitaminen: A, D, E en K.
Eiwitten
De eiwitten zijn veel ingewikkelder van bouw dan
de koolhydraten en vetten. Ze bevatten behalve de elementen koolstof (C),
waterstof (H) en zuurstof (O) steeds stikstof (N) en soms ook zwavel (S), soms
ook fosfor (P) evenals ijzer, koper, zink en mangaan.
De eiwitmoleculen van het protoplasma bestaan uit
duizenden atomen zodat ze de naam macromoleculen met recht dragen. Ze zijn
desondanks nog onzichtbaar en blijven ver beneden de zichtbaarheidgrens van het
kleinste stofdeeltje. Eiwitten zijn hoogmoleculaire verbindingen, opgebouwd uit
aminozuren. Bij onderzoeken van de eiwitten heeft men 19 belangrijke aminozuren
gevonden. Het aantal mogelijke rangschikkingen van 19 verschillende
aminozuurmoleculen ligt in de buurt van 120 duizend biljoen
Bij een zó ingewikkelde structuur is het niet
verwonderlijk dat de wetenschap de eiwitten nog niet geheel
heeft kunnen doorgronden. Wel is men er in geslaagd de structuur van sommige
eiwitten te reconstrueren doch wat betreft de fijne structuur van het levende
eiwit tast men nog in het duister. Tijdens het spijsverteringsproces worden de
stikstofhoudende eiwitten door enzymen tot eenvoudige chemische stoffen
afgebroken waarna nieuwe eiwitten opgebouwd kunnen worden. Gedurende dit omvormingsproces
kunnen bepaalde aminozuren in andere aminozuren worden omgezet.
Aminozuren die door het vogellichaam in andere
omgezet kunnen worden, noemen we niet-essentiële aminozuren. Er zijn echter
bepaalde aminozuren die de vogel niet zelf op kan bouwen. Ze zijn a.h.w.
onvervangbaar en worden de essentiële aminozuren genoemd. Semi-essentiële
aminozuren kunnen slechts uit bepaalde andere aminozuren worden opgebouwd.
Methionine kan het aminozuur cystine geheel vervangen. Evenzo kan het aminozuur
fenylalanine, tyrosine vervangen.
Voor onze vogels zijn 10 aminozuren essentieel die
ik volledigheidshalve hier laat volgen: arginine, histidine, isoleucine,
leucine, lysine, methionine, fenylalanine, threonine, tryptofaan en valine.
In de voeding die wij aan onze vogels verstrekken,
moeten de essentiële aminozuren in voldoende mate aanwezig zijn. Ontbreekt er
een, dan wordt de opbouw van een bepaald eiwit stopgezet. Dezelfde situatie
doet zich voor als er op een bouwplaats waar huizen gebouwd worden geen cement
aanwezig is. De bouw komt dan stil te liggen totdat het cement weer aanwezig
is. Komt er geen cement dan kunnen er geen huizen gebouwd worden en zal het wel
aanwezige bouwmateriaal op den duur opgeruimd moeten worden omdat het alleen
maar in de weg ligt.
Het spreekt vanzelf dat gedurende de groei en ook
tijdens de rui de behoefte aan essentiële aminozuren het grootst is. Ideaal is
wanneer we de aminozuursamenstelling van het te verstrekken voedsel in
overeenstemming met de behoefte kunnen brengen. Geven we te veel eiwit, dan kan
dit niet zoals bij koolhydraten en vetten het geval is in het vogellichaam als
reserve opgeslagen worden. Niet gebruikte eiwitten worden afgebroken en via
koolhydraten in energie of warmte omgezet of als vet opgeslagen.
Tijdens de stofwisseling wordt er uit de diverse
voedingsstoffen materiaal geleverd voor de opbouw van de lichaamsstoffen en
energie vrijgemaakt die in het lichaam wordt gebruikt voor spierarbeid en
energie verbruikende chemische processen.
Niet alle energie die in het voedsel ligt
opgesloten zal door onze vogels benut kunnen worden doordat een deel van de
energie tijdens de diverse lichaamsprocessen verloren gaat. De omzettingen en
verbrandingen gaan gepaard met warmteontwikkeling die in de vorm van warmte
gespuid wordt. De overige niet bruikbare energie verlaat het vogellichaam in de
vorm van faeces.
Wat betreft de koolhydraten zijn slechts de
monosachariden van belang omdat alleen deze via de darmwand in de bloedbaan
opgenomen kunnen worden. De oligosachariden en de polysachariden dienen daarom
eerst tot monosachariden te worden afgebroken. Dit gebeurt in het
spijsverteringskanaal. Het dierlijke organisme is in staat bepaalde aminozuren
te produceren, uit eiwitten koolhydraten en vetten samen te stellen, maar ook
koolhydraten in vetten en vetten in koolhydraten om te zetten.
Tijdens de diverse levensprocessen wordt
voortdurend warmte ontwikkeld door verbranding, ten dele
veroorzaakt door het stofwisselingsproces, voor het overige afkomstig van o.a.
spierbewegingen en ademhalingsarbeid. Immers, de hiervoor benodigde energie
wordt voor een belangrijk deel in warmte omgezet. De warmte is nodig voor het
peil houden van de lichaamstemperatuur. Vogels, maar ook zoogdieren, hebben ook
bij een sterke temperatuurwisseling buiten een vrij constante
lichaamstemperatuur die meestal hoger is dan de buitentemperatuur.
Het behoeft geen betoog
dat de instandhouding van de lichaamstemperatuur tegenover een sterk
verminderde omgevingstemperatuur een grotere warmteontwikkeling en een daarmee
gepaard gaande intensievere stofwisseling noodzakelijk maakt. Met de door ons
te verstrekken voeding dienen we hiermede dan ook rekening te houden. Indien de
glycogeenvoorraad van het lichaam uitgeput is, zal de vogel zijn lichaamsvet
aanspreken. Raakt ook dit op, dan wordt het lichaamseiwit aangesproken. Onder
opname van zuurstof kunnen koolhydraten en vetten volledig tot kooldioxide (CO2)
en water (H2O) worden verbrand en kunnen dus volledig benut worden.
Bij de afbraak van stikstofbevattende eiwitten is
de allereenvoudigste stof die overblijft ammoniak (NH3). Door zijn
giftige eigenschappen wordt het door het lichaam onmiddellijk in onschadelijke
stoffen omgezet, wat ons in dit verband niet verder hoeft bezig te houden.
Samenvattend kunnen we zeggen dat koolhydraten en
vetten als energiebron vollediger worden benut dan eiwitten.
Tenslotte wil ik nog opmerken dat indien het voedsel niet
goed van samenstelling is, en dan vooral voor wat betreft de
aminozuursamenstelling ten opzichte van de benodigde behoefte aan aminozuren,
er tijdens de afbraakprocessen een extra hoeveelheid warmte kan optreden die
weer aan de omgeving afgegeven dient te worden. Een te hoge warmteproductie is
schadelijk voor de vogels en kan zich uiten in een belemmerde groei en
activiteit.
Vitaminen
Bijna alle dieren hebben behalve bouw- en
brandstoffen, zo heeft men proefondervindelijk vastgesteld, nog bepaalde andere
stoffen nodig voor het juiste verloop van de verschillende fysiologische en
psychologische processen in het organisme. Men noemt deze stoffen vitaminen.
Het zijn organische verbindingen die door het plantenrijk worden opgebouwd.
Vitaminen zijn, in uitermate kleine hoeveelheden,
een werkzaam middel bij de diverse levensprocessen en komen daarom niet als
bedrijfsstof en bouwstof in aanmerking. Gebrek of een tekort aan bepaalde
vitaminen uit zich in een ziektebeeld dat karakteristiek is voor de ontbrekende
vitaminen. Men spreekt bij een totaal ontbreken van een vitamine van
avitaminose en bij een tekort aan vitamine van hypovitaminose. Een teveel aan
vitaminen, wat zich vooral voor kan doen bij de vitaminen A en D, wordt
hypervitaminose genoemd. We weten dus dat vitaminen, hoewel in geringe
hoeveelheden benodigd, van vitaal belang zijn. Met opzet heb ik hierboven het
woord 'vitamine' en 'vitaal' in één zin gebruikt, omdat vele vogelliefhebbers
van mening zijn dat vitaminen en vitaliteit samengaan. Men gaat er daarbij
vanuit dat door aan de vogels flinke hoeveelheden vitaminen te verstrekken ze
overlopen van energie en vitaliteit. Niets is echter minder waar. In
werkelijkheid wordt het grootste gedeelte van de verstrekte vitamine door het
vogellichaam weer afgescheiden zonder er ook maar de minste betekenis voor te
hebben gehad. Wel is het zó dat onze vogels bij een gebrek aan vitaminen, dus
bij een gebreksziekte, gewoonlijk weinig energie en vitaliteit tonen. Laten we
ons daarom wat betreft de vitaminen niet door gevoelens laten leiden, doch
e.e.a. eens wat beter bekijken. Wel wil ik nog opmerken dat gebreksziekten een
hele serie oorzaken kunnen hebben en veel vaker dan we denken te wijten zijn
aan storingen in de stofwisseling doordat bepaalde aminozuren ontbreken.
We kunnen de vitaminen in twee groepen indelen:
1. de in vet oplosbare
vitaminen A, D, E, en K;
2. de in water oplosbare
vitaminen van het B-complex en C.
Vitamine
A
Vitamine A komt o.a. voor in melk en eierdooier
en, niet te vergeten, in levertraan. Het pro-vitamine A komt voor in groene
bladgroenten, zoals spinazie, gras, brandnetels, klaversoorten en verder nog in
wortelen. De omzetting van het pro-vitamine A in vitamine A geschiedt bij de
vogels in de lever.
Avitaminose A uit zich in een algemene
achteruitgang van de gezondheid, onbevruchte eieren, zwellingen aan poten en
kop, ruwe bevedering en plotselinge sterfte.
Hypervitaminose A kan leverziekten veroorzaken.
Vitamine A is zeer lichtgevoelig, tevens gevoelig
voor oxidatie, voor zuren en alkalische stoffen.
Donker bewaren en diëten pas vlak voor de verstrekking aan de vogels bereiden,
zijn praktische maatregelen om verlies van vitamine A tegen te gaan.
Vitamine
D
De tweede belangrijke in vet oplosbare vitamine is
vitamine D. Voor de vogels is uitsluitend vitamine D3 van belang. Vitamine D3
speelt bij de beenvorming een voorname rol en is vooral onmisbaar bij de
calcium- en fosforstofwisseling.
Vitamine D komt voor in levertraan. De vitaminen
zijn zoals ik al opmerkte alle van plantaardige oorsprong. De lever van de
heilbot is dus slechts de opslagplaats en niet de producent van deze
natuurlijke vitamine. De betekenis van vitamine D voor het vogellichaam zit in
de regulerende werking van deze stof op de opname van calcium in het
beenderengestel.
Onder invloed van ultraviolet licht wordt uit
pro-vitamine D3, het van dierlijke producten afkomstige zgn.
7-dehydrocholestorol, ook wel choleacalciferol genaamd, omgezet in voor vogels
bruikbare vitamine.
Vogels die uitsluitend achter glas gehouden
worden, kunnen i.v.m. de niet-doorlaatbaarheid van ultraviolet licht door
vensterglas niet van het zonlicht profiteren zodat men gebruik kan maken van
kunstmatige bestraling waarvoor tegenwoordig geschikte buislampen in de handel
zijn.
Avitaminose D3 kan de volgende
deficiëntieverschijnselen te zien geven: rachitis slechte groei,
verlammingsverschijnselen, ruwe bevedering, windeieren en legnood. Een
overdosis van vitamine D gedurende langere tijd zal leiden tot ontkalking van
het beenderengestel.
Vanwege zijn hoge lichtgevoeligheid moet men
levertraan steeds donker bewaren, vandaar dat de meeste fabrikanten de
levertraan afleveren in donkere flessen. Verder bij de toebereiding van de
voeding handelen zoals al bij vitamine A is aangegeven.
Vitamine
E
Over vitamine E, ook wel het
vruchtbaarheidsvitamine genoemd, zijn vele verhandelingen geschreven. Vele
vogelliefhebbers zweren bij vitamine E en zijn van mening dat er in fokkerij
nauwelijks nog iets mis kan gaan als er maar een flinke hoeveelheid vitamine E
in de te verstrekken voeding wordt bijgemengd.
De werkelijke waarde van vitamine E voor de
vruchtbaarheid is echter veel minder opmerkelijk, wat uit het volgende moge
blijken. Evenals de andere vitaminen wordt vitamine E in plantaardige stoffen
gevonden. Het wordt ook wel a-tocopherol genoemd. Dit a-tocopherol en nog een andere
vetachtige stof, lecithine, worden als antioxidant gebruikt om vitamine A te
beschermen tegen oxidatie. Proeven hebben namelijk uitgewezen dat bij een
gebrek aan vitamine A steriliteit bij mannelijke vogels optreedt.
Zonder vitamine E als antioxidant is de waarde van
vitamine A spoedig nihil. Hieruit blijkt dat de vitamine E slechts indirect van
invloed is op de vruchtbaarheid, temeer omdat aangetoond is dat bij
gebruikmaking van een synthetisch antioxidant voor vitamine A geen
onvruchtbaarheidverschijnselen optreden.
Vitamine E komt voor in o.a. sla, verder in de
kiemen van graszaad en diverse granen. Tarwekiemolie en in iets mindere mate
maïs- en sojaolie zijn rijk aan vitamine E.
Verlammingsverschijnselen en het onvermogen tot
vliegen kunnen een gevolg zijn van vitamine E-deficiëntie.
Vitamine E is licht- en luchtgevoelig, is echter
goed bestand tegen zuren.
Vitamine
K
Vitamine K, ook wel koagulationsvitamine genoemd,
vandaar de afkorting, houdt verband met de bloedstolling. Vitamine K komt o.a.
voor in groenvoeders en wortelen. Ook kan het door darmbacteriën worden
opgebouwd en wel in zulke grote hoeveelheden dat de uitwerpselen dikwijls
rijker zijn aan vitamine K dan het opgenomen voedsel.
Vitamine K-deficiëntie
kan tot inwendige bloedingen leiden, doch meestal worden deze veroorzaakt als
gevolg van een andere ernstige ziekte.
Het
vitamine B-complex
Tot het vitamine B-complex
behoren een hele reeks vitaminen die alle in water oplosbaar zijn. Als
belangrijkste noem ik: B1, B2, B6, B12, evenals biotine, choline, foliumzuur,
nicotinezuur en pantotheenzuur.
Voor zover bekend, zijn voor levende cellen de B-vitaminen noodzakelijk.
Vitamine
B1
Thiamine, zoals vitamine B1 ook vaak wordt
genoemd, komt voor in zaadkiemen en in zemelen van zaden en ook, maar in wat
mindere mate, in groenvoer en melk. Thiamine is noodzakelijk voor de groei en
ontwikkeling en draagt in belangrijke mate bij tot de koolhydraatstofwisseling
en de waterhuishouding van het lichaam. Ook schijnt vitamine B1 invloed uit te
oefenen op het geheel van zenuwen dat prikkels van de buitenwereld opvangt en
doorgeeft naar het centrale zenuwstelsel. Vandaar dat bij een tekort aan
thiamine o.a. verlammingsverschijnselen optreden.
Andere deficiëntieverschijnselen zijn: ruwe
bevedering, dik zitten en vaak een slijmerige ontlasting.
Vitamine
B2
Vitamine B2, ook wel aangeduid als riboflavine,
komt voor in melk, eieren, granen, zaden en in biergist. Riboflavine is voor de
enzymatische processen van de stofwisseling van koolhydraten, vetten en
eiwitten onontbeerlijk.
Vitamine B2 uit zich in verminderde groei, afsterven
van de vrucht in het ei, teenverkrommingen.
Vitamine
B6
Vitamine B6 of pyridoxine komt o.a. voor in
bladgroenten, biergist en graankiemen. Het is zeer lichtgevoelig.
Een tekort aan vitamine B6 zal onherroepelijk
leiden tot storingen in de eiwitstofwisseling, en een hiermee gepaard gaande
slechte groei en kramptoestanden. Vitamine B6 treedt namelijk als een soort
hulp op van enzymen die betrokken zijn bij deze stofwisselingsprocessen.
M.a.w., de activiteit van de betrokken enzymen hangt af van de aanwezigheid van
een bepaalde vitamine. Ook nicotinezuur, pantotheenzuur, foliumzuur en biotine
blijken ieder voor zich gebonden te zijn aan een of meerdere enzymgroepen.
Vitamine
B12
Omdat de chemische samenstelling van vitamine B12
is opgebouwd rond een atoom kobalt, wat als een unicum mag worden beschouwd in
levende organismen, wordt het ook wel cyaancobalamine genoemd.
Vitamine B12 komt voor in meststoffen en kan door
de vogels d.m.v. de in de darmen voorkomende bacteriën worden gevormd. Verder
komt het in uiterst geringe hoeveelheden voor in melk en eierdooier. Ook in
antibiotica, zoals penicilline, terramycine en aureomycine, die dienen om
schadelijke micro-organismen te vernietigen, komt vitamine B12 voor. Vitamine
B12 is voor de omzetting van bepaalde aminozuren in andere aminozuren uitermate
belangrijk. Ook bij de vorming van bloedlichaampjes, zo hebben proeven
duidelijk aangetoond, is vitamine B12 betrokken.
Een vitamine B12-gebrek zal ongetwijfeld leiden
tot slechte broedresultaten, zoals slecht uit het ei komen en een hoge sterfte
gedurende de eerste levensdagen.
Biotine
Biotine fungeert als co-enzym bij de
koolhydraatstofwisseling en is voorts betrokken bij de vetsynthese. Bij gebrek
aan biotine treden huidafwijkingen op, vooral rondom de snavel. Behoorlijke
hoeveelheden biotine komen voor in eierdooier, melkpoeder, aardnoten, granen en
groenvoeders. Ook kan de vogel zelf biotine vormen in het darmkanaal.
De vitamine is zeer lichtgevoelig doch tamelijk
bestand tegen zuren. De stof echter niet vermengen met
rauwe eieren vanwege het hierin voorkomende avidine, dat de werking van biotine
onmogelijk maakt.
Choline
Choline komt vooral voor in zonnebloempitten en
diverse andere zaden. Bijzonder rijk aan choline zijn verder melkpoeder,
biergist en vismeel.
Choline speelt een rol bij de afzet van vetten in
de lever en bij het transport van vetzuren uit de lever.
Deficiëntieverschijnselen zijn leververvetting en
een hiermede gepaard gaande lichamelijke achteruitgang.
Foliumzuur
Foliumzuurverbindingen spelen o.a. een belangrijke
rol in de DNA- en RNA-synthese en zijn dan ook van
essentieel belang voor de celgroei en celdeling.
Verschijnselen van foliumzuurdeficiëntie zijn o.a.
dunne ontlasting, ademnood, gewichtsverlies, algemene zwakte, slechte
bevedering en onvoldoende groei.
Redelijke hoeveelheden foliumzuur komen o.a. voor
in tarwe, maïs, andijvie en koolsoorten. Foliumzuur is warmte-
en zeer lichtgevoelig. De aanwezigheid van vitamine C in de voeding remt het
verlies aan foliumzuur af. Samengestelde diëten waarin weinig of geen vitamine
C voorkomt, zijn tevens arm aan foliumzuur.
Nicotinezuur
Nicotinezuur is wat structuur betreft verwant aan
de tabaksalkoloïde 'nicotine', maar heeft natuurlijk geheel andere
eigenschappen. Nicotinezuur is voor de levende cel onontbeerlijk terwijl
nicotine een zwaar vergif is.
Nicotinezuur, ook wel eens vitamine P genoemd,
speelt een rol bij de vorming van enzymen die bij de stofwisseling van vetten
en koolhydraten maar ook bij de ademhaling van de cellen van grote betekenis
zijn. Bovendien beïnvloedt deze vitamine de groei en de ontwikkeling van de
bevedering. De stof komt o.a. voor in groenvoeders, aardnoten en gerst.
Een trage groei, algemene zwakte en een slechte
bevedering maar ook ontstekingen aan de huid kunnen wijzen op een gebrek aan
nicotinezuur.
Pantotheenzuur
Pantotheenzuur is onmisbaar bij vele enzymatische
processen van de stofwisseling. Melk, eigeel, aardnoten, groenvoeders en
zonnebloempitten zijn goede leveranciers van deze vitamine.
Slechte groei, lage broeduitkomsten en een slechte
bevedering met kale plekken in de nek en hals kunnen op een gebrek aan
pantotheenzuur duiden.
Inositol
Inositol speelt een rol bij de vetstofwisseling en
komt voor in zowel dierlijk als plantaardig weefsel. Over de betekenis van deze
vitamine vooral voor de vogels is weinig bekend. Het schijnt dat de vitamine in
zijn werking veel overeenkomst vertoont met choline.
Para-aminobenzoëzuur
De stof is waarschijnlijk een vitamine voor een
vitamine en is noodzakelijk voor de vorming van foliumzuur. De vitamine komt
voor in biergist. Deficiënties geven groeistoornissen te zien.
Vitamine
C
Vitamine C komt voor in groenten en verse
vruchten. Rijk aan vitamine C zijn zwarte bessen, rozenbottels en
citrusvruchten.
Vogels kunnen uit koolhydraten zelf vitamine C
opbouwen, zodat een tekort bij een afwisselende voeding niet voor zal komen.
Vitamine C is zeer lucht- en lichtgevoelig. De vitamine is van fundamenteel
belang bij de vorming van het bindweefsel. Ook vervult het een rol bij de
totstandkoming van de rode bloedkleurstof en bij de celademhaling.
Mineralen
Al eerder hebben wij gezien dat levend weefsel
hoofdzakelijk is opgebouwd uit de elementen koolstof (C), waterstof (H),
zuurstof (O) en stikstof (N). Samen vormen deze elementen ruim 96% van het
totale lichaamsgewicht van de grasparkiet. De overige 4% is een verzameling
stoffen van minerale of anorganische oorsprong zoals calcium, fosfor natrium,
chloor, magnesium en nog een aantal andere.
Sommige elementen zijn in zulke kleine
hoeveelheden aanwezig dat ze ook wel sporenelementen worden genoemd. Ondanks de
zeer geringe hoeveelheden zijn sporenelementen levensnoodzakelijk. Niet alle
sporenelementen zijn echter essentieel voor elk levend wezen. Bepaalde
elementen, zoals bijv. aluminium, zijn volkomen
nutteloos voor levende organismen. Andere, zoals kwik, lood, cadmium en
arsenicum, die door de toenemende milieuvervuiling steeds meer voorkomen, zijn
zonder meer toxisch (vergiftig). Het verzamelen van groenvoer en onkruidzaden
in de nabijheid van autowegen en industriegebieden moet om deze reden dan ook
sterk worden ontraden.
Een 14-tal sporenelementen echter is zoals men
thans aanneemt essentieel voor het leven. Het zijn: ijzer, koper, zink,
mangaan, kobalt, jodium, molybdeen, selenium, fluor, nikkel, tin, chroom,
silicium en vanadium. Het is echter mogelijk dat nog andere sporenelementen in
de toekomst essentieel blijken te zijn.
De minerale bestanddelen van levende organismen
zijn niet alleen noodzakelijk omdat ze in aantoonbare hoeveelheden in het
lichaam voorkomen, doch veel meer omdat het onmisbare
bouwstoffen voor het skelet zijn, noodzakelijk bij de groei en opbouw van nieuw
te vormen en te vervangen cellen. Voorts zijn het bouwstenen van ingewikkelde
verbindingen zoals de rode bloedkleurstof, hemoglobine, en van verscheidene
enzymen en hormonen.
In de vorm van bepaalde zouten opgelost, bepalen
ze de fysisch-chemische gesteldheid van de lichaamscellen en vloeistoffen,
regelen de osmotische druk, zwellingsdruk van de colloïdale stoffen en helpen
de H-ionenconcentratie in het protoplasma in stand te
houden.
De dosering van sporenelementen dient uiterst
nauwkeurig te geschieden waarbij als regel geldt dat teveel even slecht is als
te weinig. Sommige stoffen immers zoals bijv. de
sporenmetalen zijn in kleine hoeveelheden levensnoodzakelijk, in grote
hoeveelheden een dodelijk vergif. Om overdosering van sporenelementen te
voorkomen verdient het aanbeveling deze toe te dienen
in de vorm van natuurlijke producten. Vergissingen zijn dan vrijwel
uitgesloten.
De belangrijkste stoffen zullen we eens wat nader
bekijken.
Calcium
(Ca)
Kwantitatief is calcium het belangrijkste element.
Circa 99% hiervan bevindt zich in het beenweefsel, waar het ongeveer 2% van het
totale lichaamsgewicht van de grasparkiet uitmaakt.
Samen met fosfor speelt calcium een belangrijke
rol in de beenderstructuur. Het beendergestel kan als een soort bewaarplaats
van calcium beschouwd worden waaruit naar behoefte geput wordt voor taken elders in het lichaam. Het gevolg hiervan is een
voortdurende uitwisseling van calcium tussen skelet en de lichaamsvloeistoffen.
Voorts is voor de bloedstolling de aanwezigheid van Ca-ionen
onontbeerlijk omdat er in dit opzicht geen element is dat calcium kan
vervangen. Ook voor de vorming van de eischaal en het functioneren van de
hartspier is calcium onmisbaar.
Goede calciumbronnen zijn: melkpoeder, melk,
fosforzure kalk, grit, sepia, boerenkool en herdertasje.
Fosfor
(P)
Ongeveer 1% van het totale lichaamsgewicht van de
parkiet bestaat uit fosfor. Hiervan bevindt zich ongeveer 80% in het
beenweefsel. Het element fosfor vervult de belangrijkste en de meest
gevarieerde functies in de chemische bedrijvigheid van het vogellichaam. Bij
vrijwel alle stofwisselingsprocessen speelt het een rol. Sommige
fosfaathoudende moleculen zorgen voor de energieoverdracht in het lichaam wat
te vergelijken is met de elektronen in een elektrische stroomkabel. Ook bij de
vorming van het beendergestel is fosfor samen met calcium onmisbaar, evenals bij
de eivorming.
Fosforzure kalk, de naam zegt het al, maar ook
melk, en melkpoeder zijn uitstekende fosforbronnen.
Overigens bestaat er een zeker evenwicht tussen de
vaste calcium-en fosforverbindingen in de beenderen van het skelet en de
hoeveelheid calcium en fosfor in het bloed.
Het is ondoenlijk om een minimumbehoefte aan
calcium vast te stellen omdat een echte calciumdeficiëntie moeilijk te
herkennen is door de grote voorraden calcium in het gebeente. Ook over de
behoefte aan fosfor is weinig met zekerheid bekend. Wel mag naar mijn mening
worden aangenomen dat indien het overgrote deel van het calcium verkregen wordt
uit producten van dierlijke oorsprong, daarmee ook de fosforvoorziening
voldoende zal zijn.
Magnesium
(Mg)
Magnesium komt zowel in het beendergestel alsook
in het weefsel en in bepaalde fermenten voor. Bovendien is magnesium bij de
koolhydraatstofwisseling en bij de vorming van de eischaal onmisbaar.
Het in het skelet voorkomende magnesium is evenals
het calcium gemakkelijk uitwisselbaar. Van een wisselwerking tussen calcium en
magnesium is echter praktisch niets bekend. De nuttige opname van magnesium in
het vogellichaam kan in belangrijke mate afgeremd worden indien teveel fosfor
en calcium in de te verstrekken voeding voorkomt.
Een langdurig tekort aan magnesium in de voeding
kan groeistoornissen en een ziekelijke ophoping van vocht in het celweefsel tot
gevolg hebben. Sepia en tarwe bevatten behoorlijke hoeveelheden magnesium.
Natrium
(Na)
Natrium wordt in het lichaam hoofdzakelijk buiten
de cellen aangetroffen. In het bloedplasma draagt het bij tot de regeling van
verschillende taken. Bovendien is het een belangrijk mineraal bestanddeel van
het skelet. De dagelijkse behoefte aan natrium, die in de vorm van gewoon
keukenzout voorkomt, is niet bekend. Van de natuurlijke producten leveren melk
en vooral melkpoeder goede hoeveelheden natrium.
Kalium
(K)
In tegenstelling tot natrium, dat voornamelijk
buiten de cellen voorkomt, wordt kalium hoofdzakelijk in de cellen
aangetroffen. Kalium vervult een fundamentele taak bij de vorming van het
skelet. Voorts vervult kalium samen met natrium een belangrijke rol bij de
totstandkoming van de osmotische druk.
Bij veel vochtverlies, wat zich vooral kan
voordoen bij darmstoornissen die meestal gepaard gaan met dunne ontlasting, kan
een kaliumdeficiëntie optreden.
Melk, melkpoeder, koolsoorten en aardnoten
(pinda's) zijn rijke kaliumbronnen.
Chloor
(Cl)
Het element chloor komt steeds in bepaalde
verbindingen voor. Het is het voornaamste anion voor zowel kalium als natrium. Een molecuul gewoon zout bijv. is opgebouwd uit één atoom
natrium en één atoom chloor (NaCl). Het in de maag voorkomende zoutzuur bestaat
uit moleculen die ontstaan uit één atoom waterstof en één atoom chloor (HCl).
Zout is een zaak van leven en dood omdat het een
van de grondbestanddelen van het levende organisme is. In het bloed zijn steeds
zouten aanwezig. Opmerkelijk is, dat de onderlinge kwantitatieve verhoudingen
van de zouten in het bloed (NaCl, KCl, MgCl2, CaCl2),
niet te verwarren met de zoutconcentratie, veel gelijkenis vertonen met de
zoutverhoudingen in het zeewater, de oermilieuvloeistof van het dierenrijk.
Zwavel
(S)
De belangrijkheid van zwavel blijkt uit het
voorkomen hiervan in enkele aminozuren. Een voorbeeld is het aminozuur cystine
dat per molecuul 2 zwavelatomen bevat.
Zwavel komt o.a. voor in het bloedserum en schijnt
ook bij de ontwikkeling van de bevedering een belangrijke rol te spelen.
Eieren, brood en melk zijn goede
zwavelleveranciers.
IJzer
(Fe)
De taak van ijzer is min of meer duidelijk. IJzer
is een bestanddeel van de rode bloedkleurstof, hemoglobine, een eiwit dat het
vermogen bezit zuurstof op uiterst gemakkelijke wijze chemisch te binden en ook
weer los te laten in een omgeving met weinig zuurstof. Hemoglobine kunnen we
dus als het transportmiddel voor zuurstof beschouwen. Door ijzergebrek in het
voedsel ontstaat er op den duur een tekort aan hemoglobine in het bloed wat zal
resulteren in een verminderd zuurstoftransport van de longen naar de cellen.
Sommige enzymen bevatten eveneens ijzer.
Boerenkool, andijvie, brood en eigeel bevatten redelijke hoeveelheden ijzer.
Koper
(Cu)
Evenals ijzer speelt koper een belangrijke rol bij
de vorming van bloedlichaampjes. In theorie volgt hieruit dat koper essentieel
is wat door proefnemingen is bevestigd. Ook bij de melaninevorming in de
bevedering schijnt koper een voorname rol te vervullen.
Boerenkool, andijvie en vismeel bevatten goede
hoeveelheden koper.
Zink (Zn)
Zink is een integraal bestanddeel van een enzym
dat onontbeerlijk is bij de behandeling van koolstofdioxide door het lichaam.
Ook bij de vorming van de eischaal en het beendergestel vervult het een
belangrijke functie. Granen bevatten redelijke hoeveelheden zink.
Mangaan
(Mn)
Ook mangaan is essentieel voor dierlijk leven. Het
speelt o.a. een rol bij de vorming van het beendergestel en de eischaal.
Evenals de meeste sporenelementen is mangaan een werkzaam element in een aantal
enzymsystemen.
Mangaandeficiënties kunnen evenwichtsstoornissen
en steriliteit tot gevolg hebben. Eieren die te weinig mangaan bevatten, zijn slecht broedbaar.
Boerenkool, andijvie en niet te vergeten sepia
zijn rijk aan mangaan.
Kobalt
(Co)
Kobalt is een essentieel sporenelement. Bij de
behandeling van de vitaminen is al gezegd dat kobalt een essentieel bestanddeel
is van het vitamine B12 (cyaancobalamine) en daarom onmisbaar bij de vorming
van bloedlichaampjes. Het vitamine B12-molecuul bestaat slechts voor 4,5% uit
kobalt zodat de behoefte aan kobalt zeer gering zal zijn.
Molybdeen
(Mo)
Molybdeen werd pas in 1954 als essentieel
sporenelement ontdekt. Het schijnt een component van bepaalde enzymen te zijn
die een rol vervullen bij de vetzuuroxidatie en de bloedvorming. Het ontbreken
van molybdeen in het voedsel geeft aanleiding tot verschillende ziekten.
Jodium
(J)
Jodium komt vooral voor in de schildklier, waar
het deel uitmaakt van een tweetal hormonen. De schildklierhormonen regelen de
gehele stofwisseling en prikkelen de lichaamscellen tot activiteit.
Bij een gebrek aan jodium ontstaat een
schildklierweefsel van inferieure kwaliteit. Het is alsof de natuur deze
verminderde kwaliteit door een vermeerderde kwantiteit wil compenseren en de
beruchte kropziekte die in wezen niets anders is dan een woekering van de schildklier,
is een feit. Bijzonder grote vergroeiingen kunnen de ademhaling ernstig
bemoeilijken.
Levertraan bevat aanzienlijke hoeveelheden jodium.
Selenium
(Se)
Van de behoefte aan het element selenium is nog
niet veel bekend. Wel is er een interrelatie tussen selenium en vitamine E.
Proeven met kuikens hebben aangetoond dat indien de voeding deficiënt is aan
zowel selenium als vitamine E, er ernstige ophopingen van vocht in het
celweefsel optreden met een verminderd gehalte van het eiwit, albumine, in het
bloed. Uit het vorenstaande zou men daarom de conclusie mogen trekken dat het
element ook voor vogels nuttig is.
Fluor (F)
Fluor is een essentieel sporenelement. Het is een
normaal bestanddeel van ons drinkwater. Per liter bevat het water in ons land
0,1 tot 0,3 mg fluor. Fluor vervult een functie in het bloed. Fluordeficiëntie
kan groeistoornissen en onvruchtbaarheid tot gevolg hebben.