11. ANATOMIE EN FYSIOLOGIE

 

 

De anatomie houdt zich bezig met de structuur van het lichaam, zoals vorm en bouw van organen, veren en skelet; de fysiologie met de functies van de organen, zoals vliegen, spijsvertering en ademhaling. Anatomie en fysiologie staan nauw in verband met elkaar. Het is vrijwel niet mogelijk over het ene te spreken zonder het andere ter sprake te brengen.

 

Elk orgaan, beentje of bloedvat van het vogellichaam heeft een belangrijke functie. Het is echter onmogelijk in een boek als dit op alle structuren van het vogellichaam en hoe ze functioneren in te gaan. Ik zal me in dit hoofdstuk dan ook beperken tot het bespreken van die structuren, waarover mij regelmatig vragen gesteld worden en die daarnaast onderwerpen die elders in dit boek behandeld worden, aanvullen en verduidelijken.

 

Het skelet (fig. 17)

Kenmerkend voor de vogels is hun geschiktheid tot vliegen. De in- en uitwendige vorm en bouw van de vogel hangen met dit vermogen ten nauwste samen. Sterker uitgedrukt: bijna alles van de vogels is erop gericht vliegen mogelijk te maken.

Ook het skelet van de vogel is in veel opzichten aangepast aan het vliegvermogen. De beenderen zijn buitengewoon licht. Hun gezamenlijke gewicht bedraagt slechts 8 à 9 procent van het totale lichaamsgewicht. Veel botten zijn extreem dun, bijvoorbeeld de schedelbeenderen. De beenderen van de ledematen en de zwaardere delen van het skelet zijn hol van binnen en gevuld met lucht, soms voorzien van dunne inwendige spanten voor extra sterkte waar dit nodig is. De stevigheid van het skelet wordt verder gewaarborgd, doordat de beenderen meer anorganische stof bevatten, dan de botten van zoogdieren.

 

De functies van het skelet zijn velerlei. Het dient niet enkel ter ondersteuning van het lichaam, maar zorgt ook voor aanhechtingsplaatsen voor talrijke spieren. Daarnaast biedt het plaats en bescherming aan vitale delen zoals de hersenen, het ruggenmerg, het spijsverteringsstelsel en andere kwetsbare organen. In bepaalde beenderen worden de rode bloedlichaampjes aangemaakt, sommige dienen als opslagplaats voor kalk.

 

De schedel is hooggewelfd en uit verscheidene extreem dunwandige beenderen samengesteld; deze zijn bij de jonge vogel door duidelijk zichtbare naden verbonden, op latere leeftijd stevig met elkaar vergroeid. Opvallend is de grootte van de oogkassen.

Boven- en ondersnavel zijn beweegbaar. Bij de papegaaiachtigen veroorzaakt de actieve beweging van de ondersnavel kinematisch een beweging van de bovensnavel. Aan de basis van de bovensnavel bevinden zich twee kleine holten, de neusopeningen. Onder het achterhoofdsgat bevindt zich de gladde gewrichtsknobbel die past in de holte van de eerste halswervel, de atlas, en daarmee een zeer beweeglijk gewricht vormt.

De grasparkiet heeft tien halswervels. Vorm en bouw van de halswervelkolom stellen de vogel in staat bijna recht naar achteren te kijken en met de snavel bij vrijwel elk lichaamsdeel te komen. De acht borstwervels, die op de halswervels volgen, zijn onderling vrijwel niet beweegbaar. De laatste borstwervel is vergroeid met het twaalftal wervels dat erop volgt tot één been. Dit is het zogeheten heiligbeen, waaraan het bekken is bevestigd.

Het bekken wordt gevormd door drie uiterst dunne beenderen: het darmbeen, het zitbeen en het schaambeen. Op de plaats waar de drie beenderen bij elkaar komen, vormen ze het heupgewricht, waarin de gewrichtsknobbel van het dijbeen past. Verder naar beneden volgen nog zes beweegbare staartwervels; helemaal onderaan bevindt zich het staartbeentje dat het draagvlak vormt voor de staartpennen.

Aan de borstwervels zitten smalle, platte ribben die met het borstbeen zijn verbonden. Elke rib bestaat uit twee delen die haaks op elkaar staan. De delen zijn door middel van een tussenribgewricht scharnierend met elkaar verbonden. Hierdoor kan het borstbeen ten opzichte van de wervelkolom op en neer bewegen. De bovenste delen sluiten aan de laatste twee halswervels en de daarop volgende borstwervels aan. Alle ribben, behalve de eerste en de laatste, zijn aan de achterkant voorzien van een haakvormig uitsteeksel, dat over de achterliggende rib heen ligt en veel bijdraagt tot de stevigheid van de borstkast.

 

Het borstbeen is bij geen enkele diersoort zo goed ontwikkeld als bij de vogels. Het heeft veel weg van een schild met in het midden een overlangse kam, die een oppervlakte vormt waaraan de vliegspieren gehecht zijn. Het borstbeen is de dragende basis voor de schoudergordel, die op zijn beurt de vleugels ondersteunt.

De schoudergordel wordt gevormd door de beide lange, smalle schouderbladen, waarvan de voorste uiteinden door de beide ravebeksbeenderen en de beide sleutelbeentjes met het borstbeen zijn verbonden. Op de plaats waar schouderblad en ravebeksbeen samenkomen, bevindt zich het schoudergewricht, waarin de gewrichtsknobbel van het opperarmbeen past.

 

De skeletelementen van de vleugel bestaan uit opperarmbeen, spaakbeen en ellepijp, twee handwortelbeentjes, drie gedeeltelijk aaneengegroeide middenhandsbeentjes en drie vingers (I,II,III) met een gereduceerd aantal leden; alleen het duimvleugelbeentje kan vrij bewegen (fig. 17 en 18 nr. 14). De middenhand en de vingers II en III vormen het draagvlak voor de handpennen. Vinger I, het duimvleugelbeentje, is de ondergrond van het duimvleugeltje. De ellepijp vormt het draagvlak voor de armpennen.

 

De elementen van de achterste ledematen bestaan uit dijbeen, scheenbeen, kuitbeen en loopbeen; op het loopbeen sluiten direct de vier tenen aan. De tenen hebben verschillende leden. Bij papegaaiachtigen zijn de tenen I en IV naar achteren, de tenen II en III naar voren gericht (fig. 16).

 

 

Het spijsverteringsstelsel (fig. 19)

Ook de spijsverteringsorganen zijn qua vorm en bouw ondergeschikt aan het vliegvermogen van de vogel. Alle organen zijn licht, hebben weinig ruimte nodig en werken desondanks buitengewoon efficiënt.

 

In wezen is het spijsverteringsstelsel niets anders dan een aaneenschakeling van organen die van snavelholte tot aarsopening loopt, waarin het voedsel chemisch, fysisch en mechanisch wordt bewerkt, zodat de in het voedsel opgeslagen energie door het lichaam kan worden opgenomen.

 

Grasparkieten nemen als alle vogels het voedsel op met de snavel. Bij het opnemen van zaadkorrels maken ze tussen de 50 en 60 pikbewegingen per minuut, waarbij het zaad tevens wordt gepeld. De korte lepeltong is daarbij behulpzaam. In de snavelholte bevinden zich wel speekselklieren, maar deze scheiden slechts een soort glijmiddel af en geen spijsverteringsenzymen. Via de keelholte en de slokdarm komt het voedsel in de krop of in de maag. De krop wordt bij de voedselopname namelijk pas dan gevuld, als de maag al vol is. De overgang van het voedsel van krop naar maag wordt door een speciale hersenzenuw gestuurd en vindt plaats als de maag leeg raakt. In de krop wordt het voedsel geweekt en bewaard tot het verder wordt getransporteerd naar de maag.

De vogelmaag bestaat uit twee delen. Het voorste deel, de kliermaag, is bij de grasparkiet goed ontwikkeld. De wanden van de kliermaag bevatten klieren die spijsverteringsenzymen afscheiden waarmee het voedsel wordt behandeld. Van de kliermaag gaat het voedsel naar het tweede deel, de spiermaag. Deze maag is sterk gespierd en van binnen bekleed met een harde geribde keratinoïde binnenlaag. De malende werking van de spiermaag wordt versterkt door de aanwezigheid van opgenomen scherpe steentjes.

Nadat het voedsel is fijngemalen en vermengd met spijsverteringssappen, komt het in de dunne darm. De dunne darm van de grasparkiet bestaat uit drie primaire lussen: de twaalfvingerige darm (duodenum), de nuchtere darm (jejenum) en de echte dunne darm (ileum). Aan de binnenzijde van de eerste darmlus bevindt zich de alvleesklier. Deze produceert een aantal enzymen, die aan de twaalfvingerige darm worden afgegeven voor verdere afbraak van de voedingsstoffen. De lever van de grasparkiet bestaat uit twee ongelijke kwabben. Een galblaas ontbreekt. De galwegen monden rechtstreeks uit in de twaalfvingerige darm.

 

Het grootste deel van de vertering geschiedt in de dunne darm, waar ontelbare kliertjes hun enzymen afgeven. Terwijl het voedsel wordt voortbewogen, wordt het oplosbaar gemaakte gedeelte ervan door de darmwand opgenomen en komt in het bloed. De onverteerde en onverteerbare voedselbestanddelen belanden vervolgens in de dikke darm. In dit gedeelte van het darmkanaal wordt vocht aan de darminhoud onttrokken waardoor de uitwerpselen een vastere vorm krijgen.

De dunne darm gaat praktisch zonder merkbare overgang over in de dikke darm. De blinde darmen zijn bij grasparkieten slechts rudimentair aanwezig. Het uiteinde van de dikke darm mondt uit in de cloaca. Ook de urineleiders en de ei- of zaadleiders eindigen in de cloaca. Uitwerpselen en urine verlaten de cloaca gezamenlijk. De cloaca is tevens onderdeel van het geslachtsorgaan van de vogel.

 

De stofwisseling van de grasparkiet is zeer intensief. De vogel neemt dan ook verscheidene keren per dag grotere hoeveelheden voedsel op. De dagelijkse zaadopname varieert sterk per vogel, maar ligt gemiddeld rond de 6 g. Uitgaande van een goed ontwikkelde grasparkiet van 55 gram, is dat bijna 11 procent van het lichaamsgewicht. Ter vergelijking: voor een mens van 75 kg zou dat neerkomen op een hoeveelheid van ruim 8 kg. De grote hoeveelheden voedsel die de grasparkiet nodig heeft, maken dat de vogel snel verhongert als de voerbak leeg blijft. Na 12 uur vasten is de bloedsuikerspiegel, dit is het gehalte aan glucose in het bloed, gezakt tot ongeveer de helft van de normaalwaarde. Al kort daarop zal de vogel zijn reserves opgebruikt hebben en het punt gepasseerd zijn waar herstel nog mogelijk is.

 

Geheel in overeenstemming met de intensieve stofwisseling is de hoge lichaamstemperatuur. Deze is bij grasparkieten ongeveer 42 graden Celsius.

 

 

Het ademhalingssysteem (fig. 20)

Vogels bezitten het productiefste ademhalingsstelsel van het gehele dierenrijk. Het bestaat uit neusholte, snavelholte, luchtpijp, bronchiën, longen en luchtzakken. 

De luchtwegen van een vogel beginnen vlak achter de wortel van de tong in het strottenhoofd (larynx), dat in tegenstelling tot andere diersoorten bij de vogels geen functie heeft bij het voortbrengen van geluiden. De luchtpijp die op het strottenhoofd volgt, is lang en wordt verstevigd en beschermd door kraakbeenringen. Vlak voor de plaats waar de luchtpijp zich splitst in de beide bronchiën die naar de longen leiden, bevindt zich het stemapparaat van de vogel, de syrinx. De syrinx, ook wel zangstrottenhoofd genoemd, komt alleen bij vogels voor.

De longen zijn betrekkelijk kleine, sponsachtige, vast aan ribben en wervelkolom bevestigde organen. Hun microscopische bouw maakt echter een bijzonder goede gasuitwisseling tussen lucht en bloed mogelijk. Anders dan bij zoogdieren bezitten vogels geen longblaasjes, maar lopen er ontelbare longpijpen (parabronchiën) door het rijk doorbloede longweefsel waar de zuurstof opgenomen en het kooldioxyde afgegeven wordt (fig. 21).

Op de longen zijn dunwandige luchtzakken aangesloten, die met de bronchiën in verbinding staan en diep in het lichaam, zelfs in sommige beenderen, bijv. het opperarmbeen doorlopen. De luchtzakken zijn karakteristiek voor de vogels. Ze fungeren als blaasbalg voor de longen en dienen, vooral tijdens de vlucht, als luchtreservoir. Bovendien verminderen ze het soortelijk gewicht van de vogel en zijn verder van belang voor de warmteregulatie van het vogellichaam.                                            

De vorm van de luchtzakken is buitengewoon gecompliceerd en geheel anders van aanzien dan het eenvoudige schema doet vermoeden. Om u een indruk te geven, voldoet het echter. Zoals op het schema (fig. 20) te zien is, bezit de grasparkiet 11 luchtzakken: één ongepaarde tussensleutelbeenluchtzak (5), één paar okselluchtzakken (10), één paar halsluchtzakken (6), één paar voorste borstluchtzakken (7), één paar achterste borstluchtzakken (8) en één paar buikholteluchtzakken (9).

 

Bij de inademing stroomt een deel van de ingeademde lucht direct door naar de luchtzakken en vermengt zich met de daarin aanwezige lucht, de rest van de ingeademde lucht stroomt naar het eigenlijke longweefsel en wordt door het bloed opgenomen. Bij de uitademing wordt de nog ongebruikte lucht, die in de luchtzakken was opgeslagen via het longweefsel uitgeademd. Op deze wijze komt er tijdens de uitademing opnieuw zuurstofrijke lucht door de longen. Vogels halen dus twee keer zuurstof uit de lucht die ze in één keer inademen: ofwel bij het inademen ofwel bij het uitademen.

 

Als de vogel in rust is, d.w.z., staat of zit, wordt de ademhaling op gang gehouden door ingewikkelde spierwerkingen die de borstholte vergroten (inademing) en verkleinen (uitademing). Tijdens de vlucht geschiedt de ademhaling automatisch door de op en neer gaande beweging van de vleugels.

In rusttoestand haalt de grasparkiet tussen de 80 en 100 keer per minuut adem, tijdens de vlucht ongeveer 800 keer.