13. OP ZOEK NAAR DE VOOROUDERS VAN DE GRASPARKIET

 

Het zal u duidelijk zijn dat noch de grasparkiet noch enig andere vorm van leven door generatio spontaneo ontstaan is, doch dat ze uit exemplaren voortkomen die er bijna net zo uitzagen als zij zelf. Dit berust op erfelijke factoren. Een feit is echter dat geen jong precies op zijn ouders lijkt. Zelfs bij de meest eenvoudige vorm van leven, de eencellige dieren, waarbij de voortplanting aseksueel geschiedt door middel van celdeling, is er een gering verschil in grootte. Naarmate de diersoort zich verder ontwikkeld heeft, worden de verschillen groter. We kunnen dus zeggen dat de erfelijke factoren op de eerste plaats en voor het grootste deel verantwoordelijk zijn voor de overgang van de ouderlijke eigenschappen op hun nakomelingen, doch dat onder invloeden van buitenaf en met name het zich voortdurend aanpassen aan het milieu gecombineerd met de drang om te veranderen die we bij elke vorm van leven aantreffen, er kleine variaties in de uiterlijke verschijningsvorm van het individu optreden. Dit differentiatieproces is al miljoenen jaren aan de gang en de Engelse natuurkundige Charles Darwin was de eerste mens die dit inzag, en in zijn beroemde werk The Origin of Species by means of Natural Selection or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life maakte hij zijn hypotheses wereldkundig.

 

Om tot een beter begrip te komen wat betreft het erfelijke gebeuren, meen ik aan een algemene beschouwing over het ontstaan van de vogels en het leven in het algemeen niet te kunnen voorbijgaan.

 

De oorsprong van het leven is een probleem dat zowel wat plaats als wat tijd aangaat niet is op te lossen, doch het kan geen kwaad als we er eens bij stil staan en er onze gedachten over laten gaan.

De wetenschap heeft de geschiedenis der aarde verdeeld in era's en tijdperken.

Aan de hand van fossielen hebben de geleerden de geschiedenis der aarde al kunnen volgen tot in het Precambrium. De era (groot tijdperk) waarin dit tijdperk ligt, wordt Archaïcum of Proterozoïcum genoemd. Met behulp van ingewikkelde dateringstechnieken, die gebaseerd zijn op het verval van radioactieve elementen in fossielhoudend gesteente, is het mogelijk gebleken de duur van een tijdperk tamelijk nauwkeurig vast te stellen.

 

Daar de meesten van ons er moeite mee zullen hebben zich tijden van miljoenen jaren voor te stellen, lijkt het mij nuttig om als hulpmiddel een andere maatstaf aan te leggen, die ons meer aanspreekt, nl. de 24-uursklok.

 

Verondersteld wordt dat het eerste leven ongeveer 1500 miljoen jaar geleden in zee ontstond en de zee wordt dan ook wel eens 'de wieg van het leven' genoemd. Op onze 24-uursklok is het dan al 20 uur. U kunt zich nu ongetwijfeld voorstellen dat de mens maar een pennenstreek is in de geschiedenis der aarde.

 

Een van de eerste vormen van dierlijk leven moet veel overeenkomst gehad hebben met de Amoeba proteus. Dit ook nu nog voorkomende eencellige dier, veel kleiner dan een millimeter, bestaat uit protoplasma en een kern en is ondanks haar eenvoud in staat zich te voeden, zich voort te planten en zich te beschermen en voldoet hiermede aan de drie belangrijkste kenmerken van elk levend organisme. Uit deze eencellige dieren (Protozoa) zijn alle meercellige wezens (Metazoa) in de loop der miljoenen jaren geëvolueerd. Men kan zich het evolutieproces voorstellen als een boom met 8 hoofdtakken naar de 8 stammen waarin het dierenrijk volgens de hedendaagse systematiek is verdeeld. De grote takken splitsten zich in kleinere. Elke hoofdstam behield de voornaamste gemeenschappelijke kenmerken en naarmate de evolutie verder ging, vertakten zich de takken in steeds kleinere takjes en werd de differentiatie steeds fijner.

 

Tot de eerste meercellige dieren behoort de spons. Uit het Ordovicium stammen de eerste vissen en 100 miljoen jaar later, in het Devoon, ontstaan de amfibieën. In het Carboon, het tijdperk waarin onze kolen ontstonden, ongeveer 350 miljoen jaar geleden, verschenen de eerste reptielen en in het Perm ontstonden de reuzenreptielen die gedurende ongeveer 150 miljoen jaren de aarde zouden overheersen. Ze leefden het gehele era Mesozoïcum dat verdeeld is in de tijdperken: Trias, Jura en Krijt. Deze perioden worden ook wel de era der reptielen genoemd.

 

Om u een indruk te geven van deze machtige giganten, wil ik u enkele cijfers en feiten niet onthouden.

De diplodocus is het grootste dier geweest dat ooit op aarde heeft rondgelopen. Het was ruim 26 meter lang en ongeveer 9 meter hoog. Het gewicht van deze kolos bedroeg 40 ton. De branchyosaurus was iets kleiner doch woog zwaarder en men schat zijn gewicht op 50 ton. De pteranodon was een vliegend dier, net als nu de vleermuizen. Van vleugeltip tot vleugeltip mat deze luchtreus ruim 7,5 meter. Het grootste dier tenslotte dat ooit vloog is de Texas pterosaurus. De fossiele overblijfselen van dit gevleugelde reptiel werden ongeveer 25 jaar geleden aangetroffen door de paleontoloog Douglas A. Lawson van de universiteit van Californië. Aan de hand van de reconstructie van de skeletdelen geeft hij een vleugelspanwijdte van 15,5 meter aan.

 

De eerste vogel heeft geleefd aan het einde van de Jura-periode, ongeveer 150 miljoen jaar geleden. Op onze klok is het dan 22 uur. Fossiele overblijfselen van de oudst bekende vogel, die de naam Archaeopteryx lithografica heeft gekregen, werden gevonden in een kalksteengroeve in Solnhofen in Zuid-Beieren in het jaar 1861. De vogel had tanden, vleugels met klauwen en een reptielachtige staart en het formaat van een ekster. Er zijn nu vijf fossiele skeletten gevonden; het afgebeelde exemplaar (fig. 25) werd in 1877 bij Eichstätt gevonden en geldt als het best bewaard gebleven fossiel van Archaeopteryx lithografica. Het origineel van deze afbeelding bevindt zich in het Museum voor Natuurkunde te Berlijn.

 

Hoewel er geen fossiele bewijzen zijn die ons over de details van de transformatie reptiel-vogel kunnen inlichten, wordt algemeen aangenomen dat de vogels vanuit de reptielen geëvolueerd zijn. Het zou echter naïef zijn om aan te nemen dat met de gevonden vogel in Solnhofen de evolutie der vogels zou zijn begonnen. Waarschijnlijker is het dat verschillende soorten van deze reptielachtige vogels reeds gedurende duizenden, misschien wel miljoenen jaren geleefd hebben. Tussen de tijd dat Archaeopteryx en Hesperornis, een watervogel waarvan de fossiele overblijfselen in Amerika gevonden zijn, geleefd hebben, ligt ongeveer 30 miljoen jaar. De volgende vogel, die uit het Krijttijdperk stamt, was de Ichthyornis. Aan het begin van het Eoceen, dat gelegen is in het era Kaenozoïcum, is nog een ruim 2 m hoge vogel bekend: Diatryma. Het schijnt een struisvogelachtige roofvogel geweest te zijn die niet kon vliegen. De eveneens in dit era liggende tijdperken Plioceen, Mioceen en Oligoceen schijnen een gunstige tijd geweest te zijn voor de ontwikkeling van vele vogelsoorten en in die tijd hebben zich ook de tegenwoordig levende dieren gevestigd.

 

Tegen de tijd dat de mens verschijnt, ongeveer 1 miljoen jaar geleden, op onze klok 15 seconden voor middernacht, in het Pleistoceen, is er sprake van enkele grote condorsoorten waarvan Teratornis er een is. De vleugelspanwijdte van deze vogel bedroeg 3,5 meter. Een andere vogelsoort uit deze tijd is de Madagascarstruis (Aepyornis). Deze reusachtige loopvogel legde eieren met een inhoud van 10 liter. Dinornis, een loopvogel uit Nieuw-Zeeland, was 3 m hoog en woog ongeveer 200 kg. Op het eiland Mauritius leefde nog een niet vliegende duif, de dodo. Deze reusachtige duif had het formaat van een kalkoen en werd in 1598 door Nederlanders ontdekt. In 1681, nog geen 100 jaar later, was ze uitgeroeid. Ook Dinornis en Aepyornis werden een prooi van het grootste roofdier aller tijden: de mens.

 

In dit verband wil ik u het treurige verhaal van de verdwijning van de trekduif Ectopistes migratorius niet onthouden. Een zekere Ross King zag nog in het jaar 1866 een zwerm van deze vogels voorbijtrekken die de zon 14 uur lang verduisterden, terwijl een andere ooggetuige verhaalt een zwerm van deze vogels 3 dagen voorbij te hebben zien vliegen. Hij schatte dat in drie uur 1 miljard duiven voorbijtrokken. In 1857 werd in Amerika een wet ingediend om de vogel te beschermen omdat er enorm jacht op deze duif werd gemaakt. Het wetsontwerp werd verworpen met het argument dat bescherming niet nodig was omdat pogingen tot uitroeiing het aantal niet zou kunnen verminderen omdat de duif zo enorm vruchtbaar was. Nog geen 60 jaar later stierf de laatste trekduif in de dierentuin van Cincinnati op 1 september 1914 om 17 uur. Van alle dieren die in de vrije natuur door de mens zijn uitgeroeid, is dit de enige waarvan we precies weten wanneer het laatste exemplaar stierf.

 

Toen enige jaren geleden in diverse kranten door sommigen vergunning werd bepleit om de Turkse tortel (Streptopelia decaocto) te bestrijden, rezen mij de haren te berge. De meeste van dergelijke bestrijdingen eindigen over het algemeen in totale uitroeiing en ik vraag mij af wanneer de mens zal beseffen dat ingrijpen in het natuurlijk evenwicht maar hoogstzelden ongestraft blijft. Hoewel ik zelf graag enkele wijzigingen in de huidige vogelwet zou zien, is het misschien niet verkeerd om op te merken dat de mensen die handhaving voorstaan, gezien de mistoestanden in het verleden niet geheel ongelijk hebben.

 

Nu terug naar ons uitgangspunt.

We weten dat het evolutieproces dat we, in vogelvlucht, vanaf het begin gevolgd hebben, in feite niets anders is dan het zich aanpassen aan de omstandigheden. We kunnen dus Darwin's stelling van het overleven van de meest geschikte en het verdwijnen van de minder geschikte, die van natuurlijke omstandigheden zoals warmte, koude, vochtigheid, voedsel en vijanden afhankelijk zijn, dan ook gerust aannemen. Het bovenstaande verklaart vanzelfsprekend ook het feit dat in de natuur niet veel kleurvariaties bij de grasparkiet voorkomen. Immers, vogels met opvallende kleuren vallen eerder ten offer aan roofdieren en hun voortplantingsmogelijkheden worden hierdoor sterk beknot. Hoewel er dus in de natuur een betrekkelijke uniformiteit heerst, zijn er toch wel kleine afwijkingen en verschillen. Het geheim van deze variaties ligt besloten in de genen die de dragers zijn van de erfelijkheid waarop ik later nog uitgebreid zal terugkomen.

Door ons fokkers wordt van deze geringe verschillen dankbaar gebruik gemaakt. In onze broedkooien kunnen we deze verschillen vastleggen omdat ze niet door de natuur worden bijgestuurd. Hiervoor in de plaats treedt de schiftende hand van de fokker, waardoor het mogelijk wordt mutatierassen te fokken die zich in de natuur niet zouden kunnen handhaven.

 

De huidige cultuurrassen stammen alle van in het wild levende soorten af, waarvan ze zich door een uitermate sterke ontwikkeling van bepaalde door de fokker gewenste eigenschappen onderscheiden. De tegenwoordige tentoonstellingsgrasparkieten bijvoorbeeld zijn in de loop der jaren door selectieve fokkeuze ontstaan. Zij stammen allemaal af van de wilde grasparkiet, waarvan ze zich in velerlei opzichten reeds ver verwijderd hebben. Door bijvoorbeeld streng te selecteren op het formaat is de erfelijke factorencombinatie voor deze eigenschap in de loop der tijd gunstiger komen te liggen met als gevolg grotere vogels. Dat er op dit gebied heel wat bereikt is, bewijzen de huidige tentoonstellingsparkieten, waarvan de lengte in vergelijking met hun in het wild levende soortgenoten met ruim 40% is toegenomen.

 

Behalve op formaat richt zich de selectieve fok van de huidige tentoonstellingsgrasparkieten op de lichaamsvorm, grootte en vorm van de kop, vleugeldracht, houding, kleur en nog tal van andere eigenschappen. De vraag is nu: 'Hoever kunnen we langs selectieve weg de oorspronkelijke wildvorm naar eigen smaak veranderen?

 

Welnu, theoretisch wordt de uiterste grens van de selectie bepaald door het aantal samenwerkende factoren die voor een gewenste eigenschap in de soort in zijn geheel aanwezig zijn. Het aantal individuen dat aan het domesticatieproces deelneemt, is echter slechts een fractie van het aantal in de natuur levende individuen. Aan het domesticatieproces van een soort nemen dus relatief weinig erffactoren deel. In tegenstelling tot de natuurlijke soorten echter, waar ten gevolge van een vrije partnerkeuze en natuurlijke selectie een naar middelmaat nivellerende trend overheerst, neemt de variabiliteit van de erfelijke kenmerken bij cultuurrassen toe naarmate de soort langer gedomesticeerd is. Onder de bescherming van de mens immers blijven ook mutaties behouden die voor het organisme min of meer schadelijk zijn.

 

Het behoud van een groot aantal mutaties en hun voortdurende kruising met de wildvormrassen, veroorzaakt op den duur een enorme verscheidenheid aan kenmerkencombinaties die zuiver voortgefokt kunnen worden en waaruit de fokker de gewenste combinatie van eigenschappen kan kiezen.

 

Om het gestelde doel te bereiken zoekt de fokker dus de dieren uit die de door hem gewenste kenmerken in hoge mate ontwikkeld hebben, waarbij hij vaak tekortkomingen van de lichaamstoestand die in de natuur onmogelijk zijn op de koop toe neemt. Vaak genoeg is het de fokker juist om dergelijke afwijkingen te doen.

De vorm van sommige cultuurrassen is beslist een misvorming van de wilde vorm; het strookt echter met een bepaalde smaak die in de vorm van standaardeisen is neergelegd en de fokker maakt dus gebruik van de erfelijke afwijkingen bij zijn dieren om dergelijke cultuurrassen te fokken. In een van de volgende artikelen ga ik hier verder op in en behandelen we de cel waarin de erfelijke aanleg voor elke eigenschap ligt opgesloten.